Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5038

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
366546 / HA ZA 10-3349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegdheid. Uitleg forumkeuzebeding. Bevoegdheid ingevolge art 5 punt 1, onder a) en b) Brussel I-Vo. Samenhangende vorderingen in de zin van art 28 Brussel I-Vo? Discretionaire bevoegdheid rechter onder art 28 Brussel I-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 366546 / HA ZA 10-3349

Vonnis van 20 april 2011

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

COSCO CONTAINER LINES COMPANY LIMITED (COSCON),

gevestigd te Shanghai, Volksrepubliek China,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Wattel,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

AGICON GMBH,

gevestigd te Bremen-Brinkum, Duitsland,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat mr. O.E. Meijer.

Partijen zullen hierna "Coscon" en "Agicon" genoemd worden.

De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 18 oktober 2010;

- de akte waarbij Coscon zes producties in het geding bracht;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het incident.

Vervolgens is vonnis bepaald.

1.2 De rechtbank heeft van bovengenoemde stukken kennis genomen.

De vordering in de hoofdzaak

2.1 Coscon vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Agicon zal veroordelen om aan haar te betalen US$ 5.820,40 en € 78.350,- vermeerderd met rente alsmede de proceskosten.

2.2 Daartoe stelt Coscon - samengevat - het volgende. Agicon heeft aan Coscon opdracht gegeven tot vervoer van Rotterdam naar Ho Chi Minhstad, Vietnam, van een container met kenmerk CBHU2928931 beladen met een partij bevroren varkensharten. De geadresseerde heeft de container in Ho Chi Minhstad geweigerd. In opdracht van Agicon heeft Coscon de container terugvervoerd naar Rotterdam. Bij aankomst in Rotterdam heeft de Voedsel- en Warenautoriteit de invoer van de container geblokkeerd. Vervolgens heeft Agicon geweigerd de container in ontvangst te nemen. Agicon heeft niet gereageerd op oproepen van Coscon. Coscon heeft de container opgeslagen bij ECT Delta Terminal B.V. Op aanschrijven van de Voedsel- en Warenautoriteit heeft ECT Delta Terminal B.V. de goederen laten vernietigen. Coscon vordert van Agicon vracht en bijkomende kosten, opslagkosten, kosten van demurrage and detention en vernietigingskosten c.a.

De vordering en het verweer in het incident

3.1 De conclusie van Agicon luidt als volgt: "Met conclusie: dat het uw Rechtbank moge behagen bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zich onbevoegd te verklaren van de vordering van Coscon kennis te nemen, althans Coscon daarin niet te ontvangen, althans haar deze te ontzeggen, subsidiair deze zaak aan te houden totdat in Duitsland over dit geschil een beslissing is genomen waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan, met veroordeling van Coscon in de kosten van dit incident conform rapport voorwerk II waarbij elk punt EUR 894,00 waard is alsmede de nakosten en met de verklaring dat (ook) deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn en met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met de ingang van 14 dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis en met bepaling dat tegen dit tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld".

3.2 Hieraan legt Agicon - kort gezegd - de volgende stellingen ten grondslag.

Tussen partijen gelden de cognossementsvoorwaarden Cosco Terms and Conditions (hierna: Coscon-voorwaarden). In clausule 26 daarvan is de Shanghai Maritime Court exclusief bevoegd verklaard, zodat de rechtbank Rotterdam niet bevoegd is.

Agicon is in Duitsland gevestigd, zodat ingevolge artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-Vo) niet de Nederlandse, maar de Duitse rechter rechtsmacht heeft.

Subsidiair verzoekt Agicon de rechtbank de zaak aan te houden, omdat Cosco Container Lines Europe GmbH (hierna: Coscon Europe) voor het Landgericht Bremen, naar eigen zeggen handelend op een volmacht ter incasso van Coscon, op 23 maart 2009 een vordering tegen Agicon aanhangig heeft gemaakt en Agicon in die procedure een tegenvordering heeft ingesteld tot vergoeding van de waarde van de partij bevroren varkensharten. Die tegenvordering van Agicon is een met de vordering van Coscon in de hoofdzaak samenhangende vordering in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo, omdat in de procedure voor het Landgericht Bremen aan de orde is de aansprakelijkheid van Coscon als gevolg van de vernietiging van de partij bevroren varkensharten en in die voor de rechtbank Rotterdam de vraag of Agicon aansprakelijk is wegens de weigering de container met die partij bevroren varkensharten in ontvangst te nemen en omdat beide vorderingen op dezelfde gebeurtenis en feiten zijn gebaseerd. Indien de procedure bij de rechtbank Rotterdam niet zou worden aangehouden, zal Agicon wellicht worden beperkt in haar mogelijkheden een tegenvordering in te stellen omdat zij die tegenvordering al heeft ingesteld bij het Landgericht Bremen.

3.3 De conclusie van Coscon strekt tot afwijizng van de incidentele vorderingen met veroordeling van Agicon in de kosten van het incident.

3.4 Daartoe voert Coscon - samengevat - het volgende aan.

Coscon betwist dat de rechtbank ingevolge clausule 26 van de Coscon-voorwaarden onbevoegd is, omdat die clausule alleen betrekking heeft op vorderingen ingesteld tegen Coscon, niet op door Coscon ingestelde vorderingen als de onderhavige in de hoofdzaak. Clausule 26 van de Coscon-voorwaarden bevat een ten behoeve van Coscon bedongen forumkeuze, waarvan Coscon afstand doet in het geval die clausule wordt uitgelegd als mede in te houden een forumkeuze ten aanzien van vorderingen door Coscon ingesteld.

Ingevolge artikel 5 aanhef en punt 1 a) en b), tweede gedachtestreepje Brussel I-Vo is de rechtbank Rotterdam bevoegd, omdat Rotterdam de eindbestemming onder de vervoerovereenkomst vormde, zodat in die plaats de diensten verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden als bedoeld in genoemde bepaling.

Coscon betwist dat in Duitsland een samenhangende vordering aanhangig is. Coscon betwist dat zij door Agicon is aangesproken ter zake van de in de onderhavige container vervoerde partij bevroren varkensharten. Coscon betwist dat een eventuele vordering van Agicon wegens de vernietiging van de partij bevroren varkenharten samenhangend is met haar vorderingen in de hoofdzaak.

De beoordeling

In het bevoegdheidsincident

4.1 Coscon is in China gevestigd en Agicon in Duitsland, terwijl de vorderingen van Coscon in Nederland aanhangig zijn gemaakt. Daarom is sprake van een internationaal geval.

4.2 Agicon heeft in haar eerste processtuk, derhalve tijdig, primair een beroep gedaan op onbevoegdheid wegens een forumkeuzebeding en op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter en subsidiair aanhouding van de procedure verzocht, naar de rechtbank - met Coscon - begrijpt wegens een door Agicon voor het Landgericht Bremen ingestelde tegenvordering tegen een in naam van Coscon Europe maar op basis van een volmacht ter incasso van Coscon aldaar tegen Agicon aanhangig gemaakte vordering, van welke tegenvordering Agicon stelt dat die een met de vorderingen in de hoofdzaak samenhangende vordering is in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo.

4.3 Aangezien Agicon, de gedaagde, in Duitsland, een EU-lidstaat, is gevestigd en sprake is van een burgerlijke of handelszaak, is de Brussel I-Vo van toepassing.

bevoegdheid

4.4. Agicon beroept zich op een forumkeuzebeding in clausule 26 van de Coscon-voorwaarden. Coscon bestrijdt dat ten aanzien van haar vorderingen in de hoofdzaak een forumkeuzebeding van toepassing is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Clausule 26 lid 1 van de Coscon-voorwaarden luidt als volgt:

"26. Law and jurisdiction

(1) This Bill of Lading is governed by the laws of the People's Republic of China. All disputes arising under or in connection with this Bill of Lading shall be determined by the laws of the People's Republic of China and any action against the Carrier shall be brought before the Shanghai Maritime Court or other maritime courts in the People's Republic of China as the case may be.

(2) [..]".

Gesteld noch gebleken is dat het tweede lid van clausule 26, of enige andere bepaling van de Coscon-voorwaarden, van belang is bij de beoordeling van het beroep op het forumkeuzebeding.

Partijen zijn het erover eens dat met "Carrier" in clausule 26 van de Coscon-voorwaarden is bedoeld: Coscon.

Naar de bewoordingen ervan is het forumkeuzebeding in de tweede zin van clausule 26 beperkt tot vorderingen tegen Coscon. Gesteld noch gebleken is dat die clausule naar het toepasselijke Chinese recht uitgelegd zou moeten worden als tevens te omvatten een forumkeuze voor vorderingen van Coscon.

Anders dan Agicon aanvoert, leidt een restrictieve of beperkende uitleg van een forumkeuzebeding veeleer tot rechtszekerheid dan een ruime of uitbreidende uitleg.

Agicon stelt dat de uitleg van clausule 26 van de Coscon-voorwaarden als een forumkeuzebeding voor slechts vorderingen tegen Coscon onredelijk is, maar voert geen feitelijke of juridische argumenten aan waarom zij zodanige uitleg onredelijk vindt. Daarom gaat de rechtbank aan dat bezwaar voorbij.

Voor zover Agicon betoogt dat het uit het oogpunt van kostenbesparing efficiënt zou zijn om het forumkeuzebeding van artikel 26 van de Coscon-voorwaarden uitgebreid uit te leggen tot tevens vorderingen van Coscon, stuit dat argument af op de omstandigheden dat partijen al kosten hebben gemaakt in het kader van de procedure voor deze rechtbank en dat Agicon stelt bovendien voor het Landgericht Bremen een samenhangende procedure te voeren, daargelaten de vraag of kostenefficiëntie naar het toepasselijke recht de juiste basis voor uitleg van een forumkeuzebeding vormt.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het forumkeuzebeding in de tweede zin van clausule 26 van de Coscon-voorwaarden is beperkt tot vorderingen tegen Coscon, zodat het beding niet in de weg staat aan een door Coscon voor deze rechtbank aanhangig gemaakte vordering.

Op enig ander forumkeuzebeding is geen beroep gedaan.

4.5 De enige uit de stellingen in de dagvaarding gebleken grond voor bevoegdheid van deze rechtbank zijn de stellingen van Coscon dat haar vorderingen gebaseerd zijn op de verstrekking van (vervoers)diensten in de zin van artikel 5 aanhef en punt 1 a) en b), tweede gedachtestreepje Brussel I-Vo en dat zij die diensten in Rotterdam heeft geleverd c.q. dat die diensten aldaar hadden moeten worden geleverd.

Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

De systematiek van de bevoegdheidsregels van de Brussel I-Vo vereist een restrictieve uitlegging van de regels inzake bijzondere bevoegdheden, waaronder die ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in artikel 5, punt 1, van die verordening, welke afwijken van het algemene beginsel van artikel 2 Brussel I-Vo dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is. Ook in het licht van de onderdelen a en c van artikel 5, punt 1 Brussel I-Vo dient het begrip "verstrekking van diensten" restrictief te worden uitgelegd. Aldus HvJEG 23 april 2009 zaak C-533/07, LJN BI3059 - Falco + Rabitsch / Weller-Lindhorst.

In HvJEG 9 juli 2009, zaak C-204/08, LJN BJ2979 - Rehder / Air Baltic Corporation is bevestigd dat ten aanzien van diensten van vervoer de plaats van de overeengekomen aankomst van het vervoermiddel een voldoende rechtstreekse band heeft om te kunnen concluderen tot bevoegdheid op grond van artikel 5 aanhef en punt 1 a) en b), tweede gedachtestreepje Brussel I-Vo.

Nu Agicon de bij dagvaarding door Coscon ingenomen stellingen dat haar vorderingen op de vervoerovereenkomst tussen partijen gegrond zijn en dat Rotterdam de eindbestemming onder die overeenkomst was niet heeft bestreden, brengt het vorenstaande mee dat deze rechtbank bevoegd is om van de vorderingen van Coscon kennis te nemen.

4.6 Weliswaar heeft op grond van artikel 2 Brussel I-Vo in beginsel niet de rechter in Nederland, maar die in Duitsland rechtsmacht, maar die bevoegdheidsregel laat de bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 5 Brussel I-Vo onverlet.

4.7 Op het vorenstaande stuit het beroep op onbevoegdheid van deze rechtbank af.

aanhouding wegens samenhangende vorderingen

4.8 Over het subsidiair verzoek tot aanhouding van de procedure wegens de gestelde samenhang tussen de vorderingen van Coscon met een gestelde tegenvordering van Agicon aanhangig bij het Landgericht Bremen overweegt de rechtbank het volgende.

4.9 Van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo is sprake indien tussen vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, aldus artikel 28 lid 3 Brussel I-Vo.

Indien sprake is van zodanig samenhangende vorderingen kan het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt de behandeling c.q. de uitspraak aanhouden, maar dat is geen verplichting voor dat gerecht.

4.10 Voor zover Coscon betoogt dat niet van samenhangende vorderingen sprake is omdat zij geen partij is bij de door Agicon gestelde bij het Landgericht Bremen aanhangig gemaakte tegenvordering, passeert de rechtbank dat verweer, omdat voor samenhang tussen vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo niet vereist is dat de vorderingen tussen dezelfde partijen aanhangig zijn.

4.11 Coscon betwist dat bij het Landgericht Bremen een samenhangende vordering aanhangig is.

Om te kunnen onderzoeken of van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo sprake is, dient bekend te zijn welke vordering Agicon bij het Landgericht Bremen aanhangig heeft gemaakt en welke rechtsgronden en rechtsfeiten in die procedure een rol spelen. Agicon heeft niet meer of anders gesteld dan dat zij een (tegen)vordering heeft ingesteld tot vergoeding van de waarde van de partij bevroren varkensharten, dat daarbij de aansprakelijkheid van Coscon wegens de vernietiging van de partij bevroren varkensharten aan de orde is en dat die vordering en de vorderingen van Coscon in de hoofdzaak op dezelfde gebeurtenis en feiten zijn gebaseerd. Agicon heeft geen stuk betreffende die (tegen)vordering in het geding gebracht.

Al aangenomen dat die stellingen van Agicon over die procedure en die (tegen)vordering juist zijn, dan is er mogelijk samenhang tussen de vordering van Coscon tot betaling van de vernietigingskosten en die van Agicon tot schadevergoeding, maar daarmee nog niet ten aanzien van de overige vorderingen van Coscon. De door Coscon gevorderde vernietigingskosten bedragen € 3.307,71, de overige vorderingen van Coscon in de hoofdzaak belopen een veelvoud daarvan. Feiten of omstandigheden waaruit blijkt van samenhang in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo tussen die overige vorderingen van Coscon en de gestelde (tegen)vordering van Agicon zijn gesteld noch gebleken.

4.12 Gelet op het relatief geringe beloop van de door Coscon gevorderde vernietigingskosten ten opzichte van het geheel van de vorderingen van Coscon in de hoofdzaak, ziet de rechtbank geen aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om de behandeling c.q. de beslissing in de hoofdzaak aan te houden ten aanzien van de vordering tot betaling van de vernietigingskosten. Daarom komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de vordering van Coscon tot betaling van vernietigingskosten inderdaad samenhangt met de gestelde (tegen)vordering van Agicon aanhangig bij het Landgericht Bremen.

4.13 De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding om vorenstaande redenen af.

4.14 Als de in het ongelijk gestelde partij zal de rechtbank Agicon in de proceskosten veroordelen. De proceskostenveroordeling zal bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.

4.15 Voor zover Agicon met haar in 3.1 aangehaalde conclusie beoogt te verzoeken dat de rechtbank de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep zal openstellen, wijst de rechtbank dat verzoek af, om de volgende redenen.

Uit de conclusie van Coscon valt niet af te leiden dat zij zodanig verzoek in de conclusie van Agicon heeft gelezen. Gelet op de weinig heldere bewoordingen van de conclusie van Agicon - zie het hierboven in 3.1 aangehaalde - in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW, welke artikelen ingevolge artikel 3:59 BW hierop van toepassing zijn, is die lezing van Coscon niet onbegrijpelijk.

Agicon heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd ter ondersteuning van haar zodanige verzoek.

Ten slotte ziet de rechtbank ook overigens geen grond voor het openstellen van tussentijds hoger beroep.

in de hoofdzaak:

4.16 De rechtbank zal de zaak naar de rolzitting verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door Agicon.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen en het verzoek van Agicon af;

veroordeelt Agicon in de aan de zijde van Coscon in het incident gevallen proceskosten, die hierbij zijn bepaald op nihil aan verschotten en € 452,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2010.