Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4805

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
361175 - HA ZA 10-2542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ; provisionele vordering; artikel 223 Rv; toelating volwassenenonderwijs, geen (spoedeisend) belang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 361175 / HA ZA 10-2542

Vonnis in incident en hoofdzaak van 9 februari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. J.J. Blok,

tegen

de stichting

STICHTING VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS ZADKINE,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P. van der Mersch.

Partijen zullen hierna respectievelijk “[eiser]” en “Zadkine” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 augustus 2010, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

- de conclusie van antwoord in het incident

- de conclusie van repliek in incident tot het treffen van een voorlopige voorziening

- de conclusie van dupliek in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feitelijke uitgangspunten

2.1. [eiser] heeft zich voor het schooljaar 2007/2008 ingeschreven voor het volgen van een aantal vakken (Duits, natuurkunde, scheikunde en wiskunde) op VMBO 4 niveau aan het Voortgezet Algemeen Volwassen Onderwijs (VAVO) Rijnmond College, locatie Rubenssingel te Capelle aan den IJssel (hierna: VAVO Rijnmond College).

2.2. Het VAVO Rijnmond College valt onder verantwoordelijkheid van Zadkine. Inschrijving voor het VAVO Rijnmond College vindt plaats bij Zadkine.

2.3. De vakken op VMBO 4 niveau waarvoor [eiser] zich voor het schooljaar 2007/2008 had ingeschreven heeft hij in juli 2008 met goed gevolg afgerond.

2.4. Voor het schooljaar 2008/2009 heeft [eiser] zich ingeschreven voor het volgen van vakken op HAVO 4 niveau aan het VAVO Rijnmond College. Deze inschrijving is geaccepteerd.

2.5. [eiser] heeft voor het schooljaar 2009/2010 toelating verzocht tot het VAVO Rijnmond College voor het volgen van de vakken behorend bij het profiel Cultuur en Maatschappij (Engels, Duits, geschiedenis, aardrijkskunde en filosofie) op HAVO 5 niveau en voor de vakken wiskunde B, natuurkunde en scheikunde op HAVO 4 niveau.

2.6. Zadkine heeft geweigerd [eiser] toe te laten tot de opleiding zoals verzocht. In een e-mail, verzonden op 7 september 2009, gericht aan [eiser] en afkomstig van [persoon1], rector VAVO Rijnmond College, staat hierover het volgende.

“Zoals besproken stuur ik u hierbij de beslissing van de teamcoördinator en de argumentatie voor de weigering u toe te laten tot havo 5.

Om de procedure te versnellen heb ik de vrijheid genomen uw recentelijke e-mails te zien als uw bezwaar tegen de beslissing van de teamcoördinator conform artikel 19 b van het examenreglement. Ik zal deze e-mails doorsturen naar de examencommissie van het VAVO Rijnmond College met het verzoek zsm een besluit in dezen te nemen. Mocht u nog aanvullende overwegingen in uw bezwaar willen opnemen dan kan dat via een mailbericht aan mij.

Besluit / Argumentatie Teamcoordinator locatie Rubenssingel,Capelle:

“hij heeft het afgelopen jaar veel te weinig studieresultaten (en presentie) getoond om hem over te laten gaan van havo 4 naar havo 5 volgens de overgangsregels van onze school of om hem een aantal vakken havo 4 opnieuw te laten doen of toe te laten tot vwo 6.

Bij 7 vakken havo uit zijn pakket heeft hij slechts 2x een cijfer voor een toets ipv 28 cijfers. De docentenvergadering heeft besloten dat hij er niet over kon en hij heeft hierover een brief ontvangen. De afspraak met de decaan er na heeft hij afgezegd.

In het telefoongesprek met de decaan is hem destijds meegedeeld dat wij grote twijfels hebben over zijn wensen en dat hij iets anders moet gaan zoeken.”

2.7. Tegen het besluit van Zadkine om [eiser] niet toe te laten tot de opleiding zoals door hem verzocht heeft [eiser] bezwaar gemaakt bij de examencommissie van het VAVO Rijnmond College en vervolgens heeft hij beroep ingesteld bij de Beroepscommissie Deelnemers Zadkine.

2.8. De Beroepscommissie Deelnemers Zadkine heeft in een uitspraak, gedateerd 12 oktober 2009, het door [eiser] ingestelde beroep ongegrond verklaard en zij overwoog daartoe onder andere:

“Conform de wet bepaalt het bevoegd gezag (de opleiding) wie er toegang krijgt tot een hoger leerjaar dan het eerste. Het bevoegd gezag doet dat op basis van een inschatting van de vraag of de deelnemer het onderwijs in het leerjaar waarvoor toelating wordt gevraagd, naar verwachting met voldoende resultaat zal kunnen volgen.

De Commissie heeft getoetst of het bevoegd gezag in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

De opleiding heeft niet alleen de behaalde resultaten en inzet in het afgelopen jaar meegenomen in de overweging, maar heeft ook de docenten van dhr. [eiser] nadrukkelijk om hun mening gevraagd.

De Commissie heeft geconstateerd dat de opleiding in deze niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat derhalve dhr. [eiser] terecht de toegang tot de Havo-4 en Havo-5 klassen van het VAVO Rijnmond College is geweigerd.”

2.9. Bij brief van 20 november 2009 heeft [eiser] beroep ingesteld bij de bestuursrechter in de rechtbank Rotterdam tegen de beslissing van de Beroepscommissie Deelnemers Zadkine. Bij uitspraak van 23 februari 2010 heeft de bestuursrechter zich onbevoegd verklaard omdat Zadkine noch de organen van de bedoelde rechtspersoon als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt en omdat evenmin was gebleken dat de (Beroepscommissie Deelnemers) Zadkine dan wel de organen daarvan met openbaar gezag waren bekleed als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b Awb.

3. Het geschil

In de hoofdzaak

3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergeven – om Zadkine, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom van EUR 2.500,- per dag te veroordelen [eiser] toe te laten tot het volgen van onderwijs op HAVO 5 niveau in de vakken horend bij het profiel Cultuur en Maatschappij en op HAVO 4 niveau in de vakken wiskunde B, natuurkunde en scheikunde, aan het VAVO Rijnmond College, locatie Rubenssingel te Capelle aan den IJssel, een en ander met veroordeling van Zadkine in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering op de volgende stellingen. De weigering van Zadkine om [eiser] toe te laten tot de opleiding zoals door hem verzocht, is onrechtmatig. [eiser] is van mening dat hij aan de criteria voldoet om te worden toegelaten tot deze opleiding. Hij beschikt over dusdanige kwalificaties dat te verwachten valt dat hij het onderwijs op het door hem gewenste niveau in de door hem gewenste vakken met voldoende resultaat zal kunnen volgen. Dat hij het schooljaar daarvoor vele lessen had gemist en diverse examens niet had gemaakt, doet hier niet aan af. Hierbij is van belang dat hij niet om bevordering naar het HAVO 5 niveau, maar om toelating tot dit niveau heeft verzocht.

In het incident

3.3. [eiser] vordert in incident een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding gelijkluidend aan hetgeen in de hoofdzaak is gevorderd.

3.4. [eiser] stelt dat hij er belang bij heeft om op zeer korte termijn uitsluitsel te krijgen over de vraag of hij reeds bij aanvang van het studiejaar 2010-2011 onderwijs mag volgen. [eiser] wenst snel uitsluitsel omdat anders (wederom) een schooljaar verloren zal gaan.

3.5. Zadkine voert verweer en stelt zich op het standpunt dat de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen nu het nieuwe studiejaar inmiddels is begonnen en [eiser], indien de vordering wordt toegewezen een belangrijk deel van het studiejaar zal missen. Een en ander is aan [eiser] zelf te wijten nu hij na de uitspraak van de bestuursrechter op 23 februari 2010 tot 17 juni 2010 heeft gewacht totdat hij opnieuw om toelating heeft verzocht. Ook nadat Zadkine in een brief gedateerd 22 juni (de rechtbank begrijpt:) 2010 had laten weten dat zij haar standpunt niet wijzigde heeft [eiser] nog anderhalve maand gewacht met zijn verzoek tot toelating.

4. De beoordeling in het incident

4.1. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of [eiser] voldoende processueel belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

4.2. Op het door Zadkine bij conclusie van antwoord in het incident ingenomen standpunt dat het ongewenst is dat [eiser] op dit moment wordt toegelaten omdat hij reeds een belangrijk deel van het lopende schooljaar heeft gemist, heeft [eiser] niet meer gereageerd. Uit het door Zadkine ingenomen en door [eiser] niet weersproken standpunt leidt de rechtbank vooralsnog af dat (reguliere) toelating tot de opleiding alleen mogelijk is bij aanvang van het studiejaar. Voor het studiejaar 2010/2011 was dit op 23 augustus 2010.

4.3. De dagvaarding dateert van 13 augustus 2010. Reeds op dat moment was de gevorderde toelating voor het studiejaar 2010/2011 op de reguliere wijze, bij aanvang van het studiejaar, gezien de op de onderhavige procedure van toepassing zijnde termijnen, niet meer haalbaar. Als [eiser] had beoogd om toelating voor aanvang van het studiejaar 2010/2011 te bewerkstelligen, en zoals hij zegt snel uitsluitsel te krijgen, had een kort geding procedure meer voor de hand gelegen.

4.4. Voor zover [eiser], afgezien van de vraag naar de praktische haalbaarheid van een en ander, desondanks heeft beoogd te vorderen dat hij halverwege het lopende studiejaar zal worden toegelaten, is door hem gesteld, noch is overigens gebleken welk belang hij daarbij heeft, en derhalve is evenmin duidelijk of dit belang zwaarder zou moet wegen dan het door Zadkine ingenomen standpunt dat het ongewenst is dat [eiser] reeds een belangrijk deel van dit studiejaar heeft gemist.

4.5. Voor zover [eiser] met zijn vordering (tevens) heeft beoogd toelating te verzoeken tot het volgende studiejaar, in dit geval het studiejaar 2011/2012, ontbreekt thans echter het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang.

4.6. De rechtbank zal de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening gelet op het bovenstaande afwijzen.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. Zadkine is nog niet in de gelegenheid gesteld de conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen. Nu de vordering in incident en in de hoofdzaak gelijkluidend zijn, bestaat de mogelijkheid dat Zadkine in de hoofdzaak wenst te volstaan met hetgeen zij reeds bij conclusie van antwoord in het incident heeft aangevoerd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank daarom reeds nu een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden waarbij voor Zadkine de mogelijkheid bestaat om voorafgaand aan deze comparitie alsnog voor antwoord in de hoofdzaak te concluderen. Deze conclusie van antwoord dient dan uiterlijk veertien dagen voor de geplande zittingdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

5.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3. De rechter zal bij de behandeling van de zaak ter comparitie zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen. De rechter wenst in het bijzonder informatie van partijen over de volgende onderwerpen:

a) de grondslag van de door [eiser] ingestelde vordering;

b) de vraag wanneer [eiser] wenst aan te vangen met de opleiding en op welke locatie van het VAVO Rijnmond College hij deze opleiding wil en/of kan volgen;

c) het beroep door Zadkine op artikel 10 lid 1 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs, de criteria voor toelating die daar volgens Zadkine uit voortvloeien en het door Zadkine ingestelde onderzoek naar de vraag of te verwachten valt dat [eiser] het leerjaar waarvoor toelating wordt verzocht met voldoende resultaat zal kunnen volgen.

5.4. Zadkine wordt verzocht het examenreglement waarin in de e-mail genoemd onder r.o. 2.6 wordt verwezen in het geding te brengen.

5.5. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen.

5.6. Indien partijen, zonder dat daaraan voorafgaand een comparitie wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan de griffie te berichten.

5.7. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

6.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. V. van der Kuil in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125 op woensdag 23 maart 2011 van 11:00 tot 13:00 uur,

6.4. bepaalt dat [eiser] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.5. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van der Kuil en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.

2228/10