Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4776

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
367149 / F2 RK 10-2476
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot adoptie van tweeling door duo-moeder. Kort na het overlijden van één van de minderjarigen. Het belang van het overleden kind en ook van haar tweelingzusje moet in deze situatie meebrengen dat beide minderjarigen dezelfde twee ouders hebben; de rechtbank ziet niet in waarom het overlijden van één van de minderjarigen dat anders zou maken. Adoptie van beide minderjarigen met terugwerkende kracht vanaf het tijdstip van hun geboorte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 maart 2011

Zaak- / Rekestnummer: 367149 / F2 RK 10-2476

Beschikking op het verzoekschrift van:

[persoon 1] en [persoon 2],

Beiden wonende te [X],

advocaat mr. S. Swint.

Het verloop van de procedure

Verzoeksters hebben gevraagd de adoptie uit te spreken van na te noemen minderjarigen door verzoekster [persoon 2].

Verzoeksters hebben afgezien van een mondelinge behandeling.

De vaststaande feiten

Verzoekster [persoon 1] is zwanger geworden door middel van spermadonatie en (zelf-)inseminatie.

[persoon 3] is de spermadonor van de minderjarigen en ziet blijkens de donorovereenkomst d.d. 27 juli 2010 af van het hebben van een familierechtelijke band met de minderjarigen.

De minderjarigen zijn geboren op [datum 1] te [X] als kinderen van [persoon 1].

De voornamen van de minderjarigen zijn [kind 1] en [kind 2].

De geslachtsnaam van de minderjarigen is [van persoon 1].

Verzoeksters zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan te [X] op 17 maart 2010. Derhalve zijn de minderjarigen geboren binnen de relatie van verzoeksters.

Verzoeksters oefenen op grond van het bepaalde in artikel 1:253sa van het Burgerlijk Wetboek (BW) gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uit.

[kind 1] is op [datum 2] overleden.

Van de zijde van verzoeksters zijn brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd

30 november 2010, 22 december 2010, 4 januari 2011, 28 januari 2011 en 10 februari 2011.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 17 september 2010 is het verzoek van verzoeksters tot het uitspreken van de adoptie van de ongeboren vruchten afgewezen.

De beoordeling

Uit artikel 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de voorwaarden voor adoptie zijn:

a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

b. dat het kind niet is het kleinkind van een adoptant;

c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;

d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f. dat de adoptant het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren heeft verzorgd en opgevoed of, in geval van adoptie door twee personen tezamen, dat zij het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat de adoptant en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, tenzij het kind wordt geboren uit die relatie van de moeder met een levensgezel van gelijk geslacht;

g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.

De spermadonor heeft met het verzoek tot adoptie ingestemd en verklaard dat de minderjarigen voor de toekomst niets meer van hem in de hoedanigheid van ouder te verwachten hebben. De adoptie van de minderjarigen door verzoeksters wordt in het kennelijk belang van de minderjarigen geacht. De minderjarigen zijn geboren binnen het geregistreerd partnerschap van verzoeksters. Ten tijde van de geboorte waren verzoeksters gezamenlijk belast met het gezag over hen en de minderjarigen werden beiden door hen gezamenlijk verzorgd en opgevoed.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW met betrekking tot [kind 2] is voldaan. De rechtbank zal de adoptie met betrekking tot [kind 2] uitspreken.

Vast staat dat [kind 1] op 11 november 2010, het moment dat verzoeksters het tweede verzoek tot adoptie bij de rechtbank indienden, overleden was.

Verzoeksters voeren aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de adoptie met betrekking tot [kind 1], ondanks haar overlijden, wordt uitgesproken. Verzoeksters hebben aangegeven wegens de zeer stressvolle periode niet in de mogelijkheid te zijn geweest om direct de advocaat op de hoogte te stellen van de geboorte van de minderjarigen en het overlijden van [kind 1]. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de advocaat onmogelijk direct na de geboorte een nieuw verzoek tot adoptie van de minderjarigen heeft kunnen indienen, nu hij niet bericht was over de geboorte van de minderjarigen. Verzoeksters geven echter aan dat het emotioneel gezien van groot belang is dat [kind 1] ook in een familierechtelijke betrekking komt te staan tot haar niet-biologische moeder, hetgeen door adoptie tot stand wordt gebracht.

Hoewel adoptie primair door de Nederlandse wetgever werd gezien als een maatregel van kinderbescherming, gaat adoptie in haar effecten verder dan kinderbescherming vereist en grijpt zij in in het afstammingsrecht, in het bijzonder waar zij familierechtelijke betrekkingen tot stand brengt tussen de adoptiefouders en hun bloed- en aanverwanten enerzijds, en het adoptiefkind en zijn eventuele toekomstige echtgenoot en nakomelingen anderzijds, welke betrekkingen ook na het meerderjarig worden van het kind blijven bestaan en nog kunnen ontstaan. Daarnaast worden de banden met de bestaande familieleden verbroken.

Betrokkenen kunnen bij het ontstaan van die familierechtelijke betrekkingen belang hebben, ook al zullen verdere hierboven genoemde rechtsgevolgen voor [kind 1], gezien haar voortijdig overlijden, uitblijven.

De rechtbank acht een zwaarwegend belang van een kind dat het twee ouders heeft, niet alleen in praktische maar ook in juridische zin. Het was de bedoeling van verzoeksters om dit ten aanzien van de minderjarigen door de adoptie te realiseren. Indien verzoeksters dit verzoek direct na de geboorte en nog voor het overlijden van [kind 1] zouden hebben ingediend zou het verzoek naar alle waarschijnlijkheid zijn toegewezen. Ook in feite heeft [kind 1] in de persoon van verzoeksters twee ouders gehad totdat zij kwam te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [kind 1] en ook van haar tweelingzusje [kind 2] in deze situatie moet meebrengen dat beide minderjarigen dezelfde twee ouders hebben; de rechtbank ziet niet in waarom het overlijden van [kind 1] dat anders zou maken.

Onder deze omstandigheden hebben verzoeksters het recht om ter inrichting van hun familie- en gezinsleven van het rechtsinstituut van adoptie ook met betrekking tot [kind 1] gebruik te maken, opdat de juridische status van [kind 1] in overeenstemming wordt gebracht met de sinds de geboorte bestaande sociale en emotionele realiteit van haar gezinsleven met verzoeksters en haar tweelingzuster [kind 2] en zou een weigering adoptie toe te staan een ongeoorloofde inmenging op het recht van verzoeksters op ongestoorde inrichting van hun familie- en gezinsleven opleveren.

Daarnaast heeft de wetgever met artikel 1:230 lid 2 BW beoogd, door aan de adoptie terugwerkende kracht te verlenen indien de adoptie reeds voor de geboorte is verzocht, de situatie voor lesbische paren binnen wier relatie een kind wordt geboren, zoveel mogelijk gelijk te stellen met de situatie door erkenning of met van rechtswege door geboorte ontstaan ouderschap.

Verzoeksters hebben reeds voor de geboorte van de minderjarigen een verzoek tot adoptie ingediend bij de rechtbank, bekend onder zaaksnummer [Y]. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen nu pas vanaf het moment van de geboorte van de kinderen kon worden beoordeeld of er omstandigheden bestaan, die maken dat adoptie kennelijk niet in het belang van de kinderen is.

Er is echter sprake van een bijzondere situatie waarin de minderjarigen binnen de relatie van verzoeksters zijn geboren. Beide minderjarigen hebben vanaf de geboorte twee ouders gehad die het vaste voornemen hadden beide minderjarigen te adopteren en daartoe ook al stappen hadden gezet. In samenhang daarmee, gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, zal de rechtbank de adoptie uitspreken van [kind 1], met terugwerkende kracht vanaf het tijdstip van haar geboorte aangezien adoptie immers anders geen zin zou hebben. De rechtbank zal ook de adoptie van [kind 2] uitspreken vanaf het tijdstip van haar geboorte, gelet op de datum van ingang van adoptie van haar tweelingzusje zijnde [datum 1].

De beslissing

Spreekt uit de adoptie met ingang van [datum 1] van de minderjarigen:

- [kind 1], geboren op [datum 1] te [X] en

overleden [kind 2], geboren op [datum 1] te [X];

door [persoon 2], geboren op [datum 3] te [XX], wonende te [YY].

Gelast de griffier een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [X], op voet van het bepaalde in artikel 1:20e, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Ulden-Tjerkstra, rechter tevens kinderrechter, in bijzijn van mr. Admiraal, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.