Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4030

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/1041 BELEI-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschadevergoeding van € 6.000,- toegekend. Advies Schadecommissie is deugdelijk. Toegekende bedrag is niet te laag. Het door eisers overgelegde taxatierapport geeft geen blijk van een planologische vergelijking. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. In een enigszins vergelijkbaar geval was de schade anderszins verzekerd. Voorts heeft verweerder op goede gronden besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor vergoeding van schade wegens tijdelijke hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1041 BELEI-T1

Uitspraak in het geding tussen

[Namen], wonende te Heerjansdam, eisers,

en

het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4, verweerder, gemachtigde mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 10 juni 2002 hebben eisers verzocht om vergoeding van schade ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft verweerder aan eisers een schadevergoeding toegekend van € 6.000,=, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 juni 2002.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Eisers waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een aantal bijlagen, die ontbraken bij het door hem overgelegde advies van de schadecommissie HSL-Zuid/A16/A4, alsnog aan de rechtbank toe te zenden. Nadat deze door de rechtbank zijn ontvangen, hebben eisers hierop schriftelijk commentaar geleverd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2 Overwegingen

2.1 Juridisch kader

Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding, die verband houden met de aanleg van de HSL-Zuid en de verbreding, verlegging en reconstructie van de A16 en de A4, hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de regeling) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de regeling kan op grond van de regeling slechts schadevergoeding op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, toegekend worden als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, en deze schade redelijkerwijs niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.

Onder het tracébesluit wordt in artikel 1, onderdeel f, van de regeling – verkort en zakelijk weergegeven – verstaan het uitvoeringsbesluit HSL-Zuid respectievelijk de uitvoeringsbesluiten tot verbreding van de A4 en A16.

Op 15 april 1998 is door de minister van Verkeer en Waterstaat het tracébesluit vastgesteld. Op 6 september 1999 is dit besluit onherroepelijk geworden, zijnde de datum waarop de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de tegen het tracébesluit ingestelde beroepen ongegrond heeft verklaard.

Uit artikel 9 van de regeling blijkt dat verweerder bevoegd is tot behandeling van aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de WRO, voor zover gericht tot de raden van de deelnemende gemeenten, en van aanvragen om schadevergoeding op basis van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover gericht tot (destijds) de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu).

Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 10 van de regeling op 6 april 1998 de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals deze luidde ten tijde van het verzoek van eisers, heeft een belanghebbende de mogelijkheid de gemeenteraad te verzoeken een schadevergoeding toe te kennen, indien deze meent schade te lijden of te zullen lijden als gevolg van (onder meer) de bepalingen van een bestemmingsplan of als gevolg van een besluit tot het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19 van de WRO.

2.2 Feiten en omstandigheden

Het ingediende verzoek tot vergoeding van schade als gevolg van de uitvoering van het project heeft betrekking op de woning van eisers, plaatselijk bekend [adres]te Heerjansdam (hierna: het object). Het object is op ongeveer 180 meter van het hart van het tracé gelegen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eisers om schadevergoeding, conform het bepaalde in de Verordening, de door verweerder benoemde Schadecommissie (hierna: Commissie) opdracht gegeven om van advies te dienen. Dit advies is op 13 maart 2008 uitgebracht. De Commissie heeft daarin vastgesteld dat de planologische inpassing van de HSL voor eisers een planologische verslechtering oplevert en heeft vervolgens bezien of hierdoor voor eisers schade is ontstaan. Eisers hebben als schadefactoren aangegeven: een verminderd woongenot, geluidhinder, verminderd uitzicht en hinder door verandering van de verkeerssituatie.

Ter zake van de geluidhinder heeft de Commissie geoordeeld dat er in dit geval sprake zal zijn van een relevante verslechtering van de geluidssituatie ten opzichte van de geluidssituatie zonder de aanleg van de HSL-Zuid. Daarnaast heeft de Commissie geoordeeld dat er sprake zal zijn van een beperkte vermindering van het uitzicht, doch dat er door de verandering van de verkeerssituatie geen vermogensnadeel is te verwachten. Voorts heeft de Commissie aangegeven dat schade door aantasting van het woongenot in de waardedaling van een woning wordt verdisconteerd, zodat geen plaats meer is voor een afzonderlijke vergoeding.

De Commissie heeft vervolgens de waarde van het object per 6 september 1999 op

€ 229.000,= getaxeerd en onmiddellijk voor de peildatum op € 235.000,=, zodat geadviseerd is een schadevergoeding toe te kennen van € 6.000,=. Verweerder heeft daarna, onder verwijzing naar het advies van de Commissie, het primaire besluit genomen. Voorts is daarbij het verzoek van eisers om compensatie ter zake van tijdelijke bouwhinder afgewezen.

2.3 Standpunten van partijen

2.3.1 Verweerder wijst er op dat een onafhankelijke schadecommissie een advies heeft uitgebracht, waarbij alle relevante aspecten, waaronder de omgevingsverslechtering, zijn betrokken. Verweerder meent dat aan het rapport van de Commissie van 13 maart 2008 geen gebreken kleven, zodat hij in redelijkheid van dit deskundig oordeel mag uitgaan.

Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat niet gesproken kan worden van zodanige (tijdelijke) bouwhinder, dat er naar objectieve maatstaven sprake is van een ernstige beperking van het gebruik of van het woongenot. Verweerder acht de hinder daarom niet dusdanig groot dat dit het standpunt zou rechtvaardigen dat de schade, verband houdende met tijdelijke genotsderving, in dit geval het normaal maatschappelijk risico overstijgt.

2.3.2 Eisers stellen zich op het standpunt dat de aan hen toegekende schadevergoeding van slechts € 6.000,= niet (goed) is onderbouwd. Wil er sprake zijn van een reële vergoeding voor de verslechtering van hun woon- en leefklimaat, dan zal de planschadevergoeding volgens hen niet minder dan 3% doch 5 tot 7% van de getaxeerde waarde van hun woning moeten bedragen. Eisers wijzen in dit verband op een taxatierapport van NVM makelaar “De Mooij” van 29 september 2008, waaruit volgens eisers volgt dat de waardevermindering van hun woning ten tijde van de peildatum van 1 januari 1999 rond de € 13.000,= ligt.

Verder wijzen eisers er op dat de geluidsdruk als gevolg van de HSL-treinen in strijd is met de wettelijk vastgestelde maximum grenswaarden. Voorts hebben zij gesteld dat verweerder is uitgegaan van verkeerde informatie dan wel verkeerde rekenmethodes. Eisers baseren dit standpunt op een door hen in het geding gebracht rapport van TNO van 15 oktober 2009, betreffende metingen van geluidsbelasting die op 10 en 21 september 2009 zijn verricht.

Daarnaast doen eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel en wijzen er in dit verband op dat hun buren, de familie Schenk, woonachtig op het adres Lindeweg 24A, € 41.000,= aan schadevergoeding toegekend hebben gekregen. Eisers menen dat verweerder dit verschil niet (goed) heeft uitgelegd.

Tot slot stellen eisers zich op het standpunt dat het niet toekennen van een vergoeding voor bouwhinder op verkeerde informatie berust. Er is tijdens de bouwfase wel degelijk sprake geweest van buitensporige en langdurige hinder en overlast. De diverse aannames in het rapport van Rijkswaterstaat van 14 april 2007 zijn volgens eisers onjuist.

2.4 Beoordeling

2.4.1 Voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of zich een wijziging van het planologische regime heeft voorgedaan, waardoor de verzoeker om een planschadevergoeding in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarbij de wijziging tot stand is gebracht, en het voordien geldende planologische regime. Niet de feitelijke situatie is van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.4.2 In het advies van de Commissie van 13 maart 2008 en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken is vastgesteld dat er voor eisers sprake is van een planologische verslechtering. Daarbij heeft de Commissie ten aanzien van de geluidhinder aangegeven dat voor het Tracébesluit HSL-Zuid de voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting op de gevels van woningen op 57 dB(A) is vastgesteld, uitgaande van de normstelling in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder spoorwegen. Ook voor de geluidhinder door wegverkeer is aangeknoopt bij het regime van de Wet geluidhinder, waaruit een voorkeursgrenswaarde van 50dB(A) voortvloeit met de mogelijkheid van vaststelling van hogere waarden. Voor de berekening van gecumuleerde geluidsbelasting vanwege spoor en weg samen is gerekend met de zogenaamde milieukwaliteitsmaat (MKM).

Berekend is dat door de aanleg van de HSL-Zuid de te verwachten geluidsbelasting aan de oostgevelzijde van het object zal stijgen van 57 naar 60 MKM en aan de noordgevel van 61 naar 62 MKM. De Commissie heeft deze uitkomst als een relevante verslechtering van de geluidsituatie ter plaatse aangemerkt. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de komst van de HSL-Zuid zal leiden tot ernstige geluidhinder en derhalve een meer dan relevante verslechtering van de geluidbelasting meebrengt en zich ter ondersteuning van hun standpunt beroepen op het TNO-rapport van 15 oktober 2009, is van belang dat zij daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in het advies van 13 maart 2008 toegepaste berekeningsmethode onjuist is. Overigens hebben de berekeningen van TNO geen betrekking op het tracé van de HSL ten zuiden van Rotterdam en gaan eisers er bovendien aan voorbij dat verweerder ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit geen rekening kon houden met het door eisers ingebrachte rapport van TNO, daar beide besluiten van daarvoor dateren. De rechtbank merkt verder nog op dat in het TNO-rapport niet de vraag is beantwoord of eisers op de hier van toepassing zijnde peildatum (6 september 1999) schade lijden ten gevolge van een toename van geluidbelasting als gevolg van de HSL-Zuid waarbij een vergelijking heeft plaatsgevonden van maximale benutting van de planologische mogelijkheden onder het oude en nieuwe planologische regime. Ook is van belang dat, voor zover uit het TNO-rapport zou volgen dat er onvoldoende rekening is gehouden met een zeer hoog piekgeluidniveau van een hoge snelheidstrein, de MKM-waarde een gemiddelde waarde betreft, waarbij is ingecalculeerd dat met de komst van de HSL-Zuid sprake zal zijn van piekbelastingen in en rondom het object. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor de conclusie dat het advies van de Commissie van 13 maart 2008 onjuist is en door verweerder niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd.

Voorts is van belang dat één jaar en vervolgens tien jaar na ingebruikname van de HSL-Zuid de werkelijke geluidsbelasting zal worden gemeten. Indien zou blijken dat de geluidshinder feitelijk meer bedraagt dan de thans berekende geluidshinder, kunnen eisers een nieuw dan wel aanvullend verzoek om schadevergoeding doen.

2.4.3 De rechtbank ziet in hetgeen eisers voor het overige hebben aangevoerd evenmin grond voor het oordeel dat het advies van de Commissie niet deugdelijk is noch dat de door verweerder toegekende bedragen te laag zijn.

De rechtbank is in dit verband van oordeel dat het door eisers overgelegde taxatierapport van makelaar “De Mooij” geen blijk geeft van een planologische vergelijking. Uit dit rapport valt niet af te leiden dat de daarin vermelde waardedalingen zijn gebaseerd op een vergelijking van de maximale mogelijkheden onder het vigerende met die onder het voorheen geldende planologische regime. Uit het rapport blijkt voorts niet op welke punten het advies van de Commissie onjuist wordt geacht. De rechtbank stelt bovendien vast dat verweerder de waarde van eisers woning heeft getaxeerd onmiddellijk voor de peildatum 6 september 1999, terwijl het rapport uitgaat van de datum van 1 januari 1999.

Nu de Commissie in haar advies op een duidelijke en volledige wijze inzicht heeft gegeven in de uitgangspunten die ten grondslag hebben gelegen aan de taxatie van de waardevermindering van eisers object en er geen reden bestaat om te twijfelen aan de getaxeerde waardevermindering ervan, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat verweerder niet van de juistheid van het advies van de Commissie heeft mogen uitgaan. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het advies van de Commissie naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud gebreken vertoont.

2.4.4 Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Hoewel de woning aan [een bepaald adres] een enigszins met het object vergelijkbare situatie betreft, komt de situatie van [die familie] niet volledig overeen met die van eisers. Zo is het verzoek van [die familie] om schadevergoeding afgewezen. De reden voor deze afwijzing is gelegen in de omstandigheid dat vergoeding van de gestelde schade anderszins verzekerd was, namelijk door een tussen de Staat en [die familie] gesloten overeenkomst, strekkende tot aankoop door de Staat van een deel van de gronden van [die familie]. Op basis van onderhandelingen is daarbij aan hen een vergoeding toegekend van

€ 41.000,=. Deze vergoeding is dus niet voortgekomen uit een onafhankelijk en zelfstandig deskundigenadvies. Daarnaast heeft de Commissie op pagina 20 van haar rapport een aantal relevante verschillen met [die familie] vermeld. Daaruit blijkt dat [die familie] niet alleen geconfronteerd wordt met geluidhinder en beperkte uitzichtschade, maar ook met ontneming van grond, beperking van de bereikbaarheid en forse uitzichtschade. Gelet hierop is er geen sprake van gelijke gevallen.

2.4.5 Met betrekking tot de weigering van verweerder om eisers een vergoeding van schade toe te kennen wegens tijdelijke overlast van de bouwwerkzaamheden, overweegt de rechtbank allereerst dat ook tijdelijke schade als gevolg van rechtmatige uitvoerings¬handelingen krachtens de Verordening voor vergoeding in aanmerking kan worden gebracht. Of en in hoeverre een vergoeding moet worden toegekend hangt af van de vraag of een tijdelijk verlies van woongenot excessief is. In het licht van de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005, LJN AT0572, dient de vraag of verweerder de schade redelijkerwijs ten laste heeft kunnen laten van een benadeelde te worden beoordeeld aan de hand van de ernst, de aard en de duur van de tijdelijke hinder (zie rechtsoverweging 2.7.3 van die uitspraak).

De tijdelijke (bouw)hinder van eisers valt volgens verweerder binnen het maatschappelijk risico. Verweerder baseert zich daarbij op het Akoestisch onderzoek tijdelijk hinder van 17 april 2007.

Eisers hebben daartegenover weliswaar gesteld dat zij tijdens de bouwfase buitensporige en zeer langdurige hinder en overlast hebben ondervonden en dat de bouwtijd langer heeft geduurd dan verwacht, maar zij hebben daarbij niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het object tijdens de bouwfase meer dan zeven dagen belast is geweest met zeer ernstige geluidhinder. Evenmin is enig bewijs overgelegd waaruit blijkt dat bij het Akoestisch onderzoek is uitgegaan van verkeerde informatie. Mede gegeven het feit dat de afstand tussen de woning van eisers en de werklocatie minimaal 180 meter bedraagt en de periode van overlast voor eisers, waaronder 45 dagen trillingshinder, niet buitensporig lang heeft geduurd, kan niet geoordeeld worden dat het tijdelijk verlies van woongenot excessief is geweest. Om die redenen ziet de rechtbank geen aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van eisers om de situatie ter plaatse te bezichtigen.

Gelet op het bovenstaande beantwoordt de rechtbank in het onderhavige geval de vraag of sprake is van buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers drukkende schade, ontkennend. Verweerder heeft op goede gronden besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor vergoeding van schade wegens tijdelijke hinder.

2.4.6 In hetgeen eisers overigens naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt(en) om het bestreden besluit onjuist te achten.

2.4.7 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.4.8 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en mr. F.A. Mulder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 4 mei 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: