Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
1198286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidzaak, toezegging bonusregeling. Werknemer vordert schadevergoeding voor het niet-nakomen van een in de arbeidsovereenkomst vermelde, maar niet geconcretiseerde bonusregeling. Het staat vast dat de werkgever zijn verplichting om deze bonusregeling in te stellen niet is nagekomen. Omdat er nooit invulling aan de regeling is gegeven, zijn de voorwaarden voor een bonus niet bekend. Werknemer heeft onvoldoende gesteld wat partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van deze bonusregeling voor ogen stond. Hierdoor kan niet vastgesteld worden of er überhaupt sprake is van schade. De zaak kan daardoor ook niet naar een schadestaatprocedure worden verwezen. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/165
RAR 2011/119
AR-Updates.nl 2011-0423
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 20 december 2010,

gemachtigde: mr. G. Laurman te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigden: mr. M.E.B.C. Daudt en mr. S.R. Spoelder te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken en proceshandelingen, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het exploot van dagvaarding met twintig producties;

- de conclusie van antwoord met drie producties;

- het tussenvonnis van 25 januari 2011 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- de comparitie van partijen gehouden op 4 maart 2011.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende vast:

- In 2006 heeft de toenmalige Managing Director van [gedaagde], de heer [A] (hierna: [A]), met de heer [B] (hierna: [B]), de heer[C] (hierna: [C]), en [eiser] gesprekken gevoerd over het door hen opzetten van een ‘Green Power’ afdeling binnen [gedaagde]. Hierbij is onder meer het instellen van ‘Long Term Incentive’ bonusregeling als arbeidsvoorwaarde besproken.

- [eiser] is tussen 1 december 2006 en 1 januari 2007 in dienst getreden van [gedaagde] als Manager Portfolio Energy bij de afdeling Green Energy Trading. Partijen zijn een jaarsalaris van € 165.000,00 inclusief 8% vakantiegeld overeengekomen. In artikel 4 lid 3, laatste zin van arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:

“The Employee will be entitled to a percentage of a bonus-pool, which will be calculated on the results of the unit in each fiscal year. 15% of the results before tax but after deduction of the unit’s operating expenses en deduction of a corporate allocation, to a maximum of 15% of the unit’s own operational costs, will be set aside each year as a bonus-pool for distribution among qualifying members of the department Green Energy Trading. The management of the Company in coordination with the manager of the department will determine individual percentages. For the first fiscal year of October 2006 up to and including September 2007 only, the Employee will be entitled to a bonus which is not less than € 35.000,00 (…) on a gross basis.”

Naar de bovenstaande regeling wordt verwezen als de Short Term Incentive (STI). In artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst is verder vermeld:

“The Employee will also be entitled to participate in a Long Term Incentive (LTI) plan which will be introduced latest 1 April, 2007 on the terms and conditions which will be in place for the LTI.”

- Op 20 februari 2009 heeft [gedaagde] [eiser] te kennen gegeven dat zijn bevoegdheid om namens te [gedaagde] te mogen handelen per direct wordt ingetrokken.

- De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 24 september 2009 ontbonden per 1 oktober 2010. Hierbij is – nadat partijen hierover overeenstemming hadden bereikt – aan [eiser] ten laste van [gedaagde] een vergoeding toegekend van € 80.000,00 bruto.

- Er is binnen [gedaagde] geen LTI-regeling tot stand gekomen.

3. De vordering

3.1. [eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

- te verklaren voor recht dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichting tegenover [eiser] voortvloeiend uit lid 3 van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] een LTI-regeling uiterlijk op 1 april 2007 tot stand te brengen;

- [gedaagde] wegens het hiervoor genoemde tekortschieten te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding, daaronder begrepen de wettelijke rente over die schadevergoeding vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat de in 2006 met [A] besproken LTI-regeling voor hem een voorwaarde was om bij [gedaagde] in dienst te treden. [eiser] wilde deze substantiële bonus gebruiken om eerder te kunnen stoppen met werken en beschouwde deze als compensatie voor het opgeven van de zekerheid en goede vooruitzichten in zijn oude baan. Door [A] is gezegd dat de LTI-regeling vergelijkbaar zou kunnen zijn met een regeling zoals deze bij Glencore Grain B.V. (hierna Glencore) bestaat, de oude werkgever van [B]. Bij deze regeling wordt een bedrag opgebouwd waarvan de waarde is gerelateerd aan het bedrijfsresultaat (en niet het afdelingsresultaat). Ondanks diverse toezeggingen is de LTI-regeling nooit gerealiseerd, terwijl [gedaagde] wel winst heeft gemaakt en de top van het bedrijf zelf wel diverse bonussen ontvangen heeft.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] heeft erkend dat de LTI-regeling nooit tot stand gebracht is. [eiser] heeft echter geen recht op schadevergoeding, nu er geen concrete afspraak is gemaakt en de voorwaarden van de regeling (over de participatie, de opbouw van rechten en uitkering daarvan) onbekend zijn. Onder verwijzing naar de zaak tussen [C] en [gedaagde] (Zaaknummer 1123710 CV EXPL 10-33412) stelt [gedaagde] dat nu de inhoud van de regeling niet bekend, is ook niet vastgesteld kan worden of [eiser] schade heeft geleden. De zaak kan daarom niet naar een schadestaatprocedure worden verwezen.

4.2. Er zou geen aanleiding zijn geweest voor een uitkering, omdat [eiser] geen inleg heeft gedaan en de afdeling waarvoor hij heeft gewerkt (in de jaren 2007, 2008 en 2009) uitsluitend verlies heeft geleden. Het is [gedaagde] niet bekend of aan [eiser] is medegedeeld dat de LTI-regeling vergelijkbaar zou zijn met een regeling bij Glencore. Hieruit volgt echter geen concrete invulling van de LTI-regeling, te meer nu Glencore (onder meer qua omvang) niet vergelijkbaar is met [gedaagde].

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Beoordeeld moet worden of [eiser] enige aanspraak kan ontlenen aan de in de arbeidsovereenkomst genoemde LTI-regeling.

5.2. Op grond van artikel 4 lid 3 van de arbeidsovereenkomst had [gedaagde] de verplichting om uiterlijk 1 april 2007 een LTI-regeling tot stand te brengen waaraan [eiser] zou kunnen deelnemen. [gedaagde] erkend dat zij geen LTI-regeling heeft ingesteld, nu dit voorgenomen bestuursbesluit is tegengehouden door de algemene vergadering van aandeelhouders en de raad van commissarissen. Hierdoor staat vast dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming van haar verbintenis om een LTI-regeling tot stand te brengen. De hierover gevorderde verklaring voor recht is daardoor toewijsbaar. Deze verklaring voor recht kan naar zijn aard niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, waardoor de vordering voor dat deel niet toegewezen kan worden.

5.3. Thans moet beoordeeld worden of [eiser] ook recht heeft op schadevergoeding als gevolg van het niet-nakomen van de LTI-regeling. De toezegging om een LTI-regeling in te stellen is concreet geformuleerd, maar dat geldt niet voor de inhoud van de LTI-regeling zelf. In artikel 4 lid 3 van de arbeidsovereenkomst zijn – in tegenstelling tot de STI-regeling – geen voorwaarden voor de LTI-regeling opgenomen. Hierdoor is aan de hand van de arbeidsovereenkomst niet vast te stellen of de regeling een bonus zou hebben opgeleverd en is niet vast te stellen hoe groot een eventuele bonus zou zijn.

5.4. Door [gedaagde] wordt niet betwist dat er tussen [A] en [B] (mede namens [eiser] en [C]) en tussen [A] en [eiser] is gesproken over een LTI-regeling. Partijen hadden hiervan kennelijk hoge verwachtingen, waardoor deze regeling een belangrijke motivatie was voor [eiser] om naar [gedaagde] over te stappen. Volgens [eiser] is bij deze gesprekken door [A] gezegd dat de LTI-regeling vergelijkbaar zou kunnen zijn met een regeling zoals bij Glencore in gebruik was. [eiser] heeft echter niet toegelicht wat de inhoud van de bij Glencore gehanteerde regeling is.

5.5. Uit de stellingen van partijen volgt dat een LTI-regeling inhoudt dat de werknemer aandelen of andere belangen verkrijgt (al dan niet door een eigen inleg), die – afhankelijk van gerealiseerde resultaten – over een reeks van jaren kunnen leiden tot waardestijging of waardedaling. Hierbij is aannemelijk dat de waardeverandering afhankelijk is van het bedrijfsresultaat. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat het resultaat van de afdeling waar [eiser] werkte negatief was, stelt zij immers onder punt 8 van de conclusie van antwoord dat een LTI-regeling afhankelijk is van bedrijfsresultaten. Over de andere voorwaarden van de regeling is niets bekend. [eiser] heeft ter comparitie gesteld dat het om uitkering van 15% van bedrijfsresultaat zou kunnen gaan en dat hij mogelijk de tweemaal aan hem uitgekeerde bonus van € 35.000,00 in de LTI-regeling zou hebben geïnvesteerd. Thans is echter niet de vraag welke voorwaarden voor een dergelijke regeling hadden kunnen gelden, maar welke voorwaarden partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor ogen stonden. Hieruit vloeit de vraag voort of bij [eiser] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ten minste een bepaald bedrag zou worden uitgekeerd.

5.6. Hoewel aannemelijk is dat [eiser] goede vooruitzichten ten aanzien van de LTI-regeling voorgespiegeld zijn, is onvoldoende onderbouwd wat [eiser] concreet van deze regeling mocht verwachten. Daarvoor is sprake van een te groot aantal onzekere factoren (onder meer de hoogte van de inleg, de momenten waarom wordt ingelegd, de duur van regeling, de begin- en eindkoers, aan welke resultaten de uitkering wordt gekoppeld en de hoogte van het toepasselijke percentage) om vast te stellen wat de LTI-regeling opgeleverd zou hebben. De inhoud van de regeling zoals deze bij Glencore wordt gebruikt, is niet toegelicht, waardoor deze regeling niet als uitgangspunt kan dienen. Als gevolg van deze onduidelijkheden kan niet bepaald worden of de regeling überhaupt iets opgeleverd zou hebben. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het niet-nakomen van de LTI-regeling.

5.7. Het is begrijpelijk dat [eiser] zich onbehoorlijk behandeld voelt, nu hem door [gedaagde] een hoge uitkering in het vooruitzicht is gesteld, wellicht mede om hem ervan te overtuigen om bij [gedaagde] in dienst te treden, maar [gedaagde] de gedane toezeggingen over de geschetste bonusregeling vervolgens niet waar heeft kunnen of willen maken. Daar staat tegenover dat van [eiser] verwacht mocht worden, dat indien de LTI-regeling daadwerkelijk een voor hem essentieel onderdeel was van zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde], hij hierover meer concrete afspraken had gemaakt.

5.8. [eiser] heeft gevorderd de schade vast te stellen bij staat. Voor verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure is slechts aanleiding als (1) vast staat dat er schade is geleden en (2) deze schade op dit moment nog niet begroot kan worden. Thans doet zich de situatie voor – en dat zal in de toekomst zo blijven – dat niet vastgesteld kan worden of [eiser] recht heeft op betaling van enig bedrag op grond van een nimmer inhoudelijk geconcretiseerde LTI-regeling. Hierdoor kan niet vastgesteld worden of er überhaupt schade is geleden. Aansprakelijkheid van [gedaagde] voor schade aan de zijde van [eiser] kan dan ook niet worden aangenomen. Er is daarom geen reden de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen. Op grond van het voorgaande moet dan ook geconcludeerd worden dat [eiser] zijn vordering tot schadevergoeding op grond van het niet-nakomen van de LTI-regeling onvoldoende heeft onderbouwd. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.9. Nu partijen over en weer deels in het ongelijk is gesteld (er is sprake van een tekortkoming van [gedaagde], maar de vordering [eiser] tot schadevergoeding is niet toewijsbaar), zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [gedaagde] tegenover [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting voortvloeiend uit artikel 4 lid 3 van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] om uiterlijk op 1 april 2007 een LTI-regeling tot stand te brengen;

wijst de vordering tot schadevergoeding als gevolg van het niet nakomen van de LTI-regeling af;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.