Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3318

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
1180192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Re-integratie is mislukt. Er zijn communicatieproblemen tussen werkgever en werknemer. Er wordt ontbonden wegens gewijzigde omstandigheden. Verder worden in deze beschikking beschouwingen gegeven over de noodzaak van mediation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/164
AR-Updates.nl 2011-0374
XpertHR.nl 2013-400206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie: Brielle

Beschikking ex artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[verzoekster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.G. Karel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. P.A. Visser.

Partijen worden aangeduid als “[verzoekster]” en “[verweerster]”, tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

1. verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 16 november 2010,

2. verweerschrift met bijlagen,

3. brief van 20 december 2010 van mr. Karel met bijlagen 14 tot en met 19,

4. pleitnotities van mr. Karel.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 december 2010 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

2. De vaststaande feiten

2.1. [verweerster], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 maart 2007 in loondienst werkzaam voor [verzoekster] in de functie van re-integratiemedewerkster. Zij is thans aangesteld voor 24 uur per week en haar salaris bedraagt € 2.001,95 per maand, te verhogen met 8% vakantietoeslag.

2.2. [verzoekster] is een onderneming die zich bezig houdt met het verrichten van re-integratiewerkzaamheden, consultancy alsmede de bemiddeling en de begeleiding van mensen op de arbeidsmarkt.

2.3. Vanaf 29 mei 2010 verricht [verweerster] feitelijk geen werkzaamheden meer.

3. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de kortst mogelijke termijn. Primair omdat er sprake is van een dringende reden. Subsidiair omdat het gaat om veranderde omstandigheden, zonder dat aan [verweerster] een vergoeding toekomt. Een en ander zonder proceskostenveroordeling.

4. Het verweer

De conclusie van het verweerschrift luidt als volgt:

“[verweerster] verzoekt u EA Heer Kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met in acht name van de fictieve opzegtermijn onder het toekennen van een vergoeding ad € 38.917,91 alsmede ter compensatie een bedrag aan advocaatkosten

€ 3.500,-- te vermeerderen met 19% BTW.”

5. De beoordeling

Opzegverbod

5.1. Gesteld noch gebleken is dat zich een opzegverbod voordoet.

Ontbinding

5.2. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Dit zal de kantonrechter dus doen.

Dringende reden

5.3. [verzoekster] beroept zich op een dringende reden. [verweerster] betwist dit. Partijen wijden hieraan zeer uitvoerige beschouwingen.

5.4. De kantonrechter oordeelt dat de standpunten van partijen zeer uiteenlopen. Van belang is voorts dat duidelijk is dat sinds 29 mei 2010 [verweerster] geen werk meer verricht en dat tot in oktober 2010 partijen verwikkeld zijn geweest in een UWV-procedure. Doel was om ontslagtoestemming te verkrijgen omdat [verweerster] niet meewerkte aan de re-integratie. Deze procedure is door [verzoekster] gestaakt. De kantonrechter constateert dat de arbeidsdeskundige op 12 oktober 2010 heeft geadviseerd dat [verweerster] “op deugdelijke grond(en)” weigert mee te werken aan re-integratie. Onder deze omstandigheden kan geen sprake zijn van een dringende reden. Immers, op grond van de bevindingen van de arbeidsdeskundige geldt dat [verweerster] niet gehouden was mee te werken aan de re-integratie.

5.5. De overige omstandigheden waarop [verzoekster] zich beroept zijn gelegen in gebeurtenissen voordat [verweerster] zich op 11 januari 2010 wegens (zo is gebleken) reële gezondheidsklachten ziek meldde. Op 26 april 2010 is in een verslag van het functioneringsgesprek vastgelegd: “Er spelen geen conflicten”. Verder staat er in het verslag niets dat op een dringende reden duidt. De schriftelijke verklaringen van collega’s zijn ver na dato opgemaakt en sporen in het geheel niet met het verslag waarin eigenlijk niet van kritiek blijkt. De kritiek van de collega’s is zo gedetailleerd en kritisch dat onbegrijpelijk is dat dit niet in het functioneringsverslag terecht is gekomen. Ook deze overige omstandigheden zijn onvoldoende om van een dringende reden uit te gaan.

Veranderde omstandigheden

5.6. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor ter zake van de dringende reden is overwogen.

5.7. Uit het dossier is de kantonrechter gebleken dat sprake is van een wirwar van conflicten en conflictjes tussen de bestuurder van [verzoekster] (mevrouw [A]) en [verweerster]. Er is zelfs aangifte gedaan door [verzoekster] en [A] bij de politie wegens het raadplegen van computerbestanden door [verweerster]. Ter zitting heeft de kantonrechter al gezegd niet te begrijpen

A) om welke reden de problematiek tussen partijen zo lang heeft kunnen aanslepen,

B) waarom partijen nooit een gesprek, al dan niet met een mediator, hebben kunnen voeren.

5.8. Ook hierover lopen de meningen van partijen uiteen en wordt aan elkaar ernstige verwijten gemaakt. De kantonrechter vindt dat van [verzoekster] had kunnen worden gevergd een mediation-traject in te zetten, overigens onder leiding van een onafhankelijke mediator, zoals ook de arbeidsdeskundige heeft geadviseerd. Dit heeft zij niet gedaan terwijl onvoldoende is gebleken dat [verweerster] hieraan niet wilde meewerken. Duidelijk is dat zij wel een onafhankelijke mediator wilde. Deze is met een paar muisklikken op internet te vinden. Nu niet eerder mediation is ingeschakeld is de situatie volkomen geëscaleerd. Hierdoor heeft [verzoekster] niet gehandeld zoals een goed werkgever betaamt.

5.9. De kantonrechter overweegt ten overvloede nog het volgende. Modern werkgever- en werknemerschap brengt met zich dat over en weer kritiek kan worden geleverd en dat met elkaar wordt gecommuniceerd, behoudens uiteraard ernstige gevallen waarvoor ontslag op staande voet geboden is. De enige oplossing is praten. Als de communicatie niet loopt, moet zij worden vlotgetrokken. Als dat niet direct gaat door een goed gesprek, kan bijvoorbeeld een andere leidinggevende of een collega interveniëren. Een time-out kan ook wel eens helpen. Als dat allemaal niet helpt en er is werkuitval dan is mediation vaak een probaat middel. Het is aan de werkgever om dat te initiëren als de werknemer (dat mag natuurlijk ook) het niet zelf voorstelt. De werkgever moet de kosten van de mediation betalen. Mediation kan zijn gericht op voortgaande samenwerking of afscheid nemen van elkaar. Meer opties zijn er niet. Als partijen er niet uitkomen dan kunnen zij de zaak aan de rechter voorleggen. Ze hebben dan hun best gedaan maar het is niet gelukt. De rechter neemt dan de beslissing voor hen.

5.10. Wat niet moet gebeuren is dat partijen niet meer met elkaar durven of willen praten, dat van collega’s schriftelijke verklaringen achteraf wordt gevraagd waaruit allerlei kritiekpunten naar voren komen die niet uit het functioneringsverslag blijken en dat de situatie wordt gejuridiseerd (verzuimregels naar de komma toepassen, strafrechtelijke aangifte, procedure UWV enz.). In die zin is het jammer dat een zaak als deze aan de rechter wordt voorgelegd omdat partijen een paar stations hebben overgeslagen. In deze zaak wordt [verzoekster] er dan ook op afgerekend dat zij geen mediation heeft ingezet.

Vergoeding

5.11. Gelet op het onberispelijke dienstverband tot aan datum functioneringsgesprek (zie verslag), de verwijten die niet kunnen worden vastgesteld alsmede het ontbreken van mediation zou de vergoeding moeten worden vastgesteld op C = 1,5.

5.12. De kantonrechter zal echter rekening houden met twee omstandigheden. In de eerste plaats is gebleken dat [verweerster] vanaf 29 mei 2010 niet meer heeft gewerkt maar dat wel, zij het met horten en stoten (onder andere aanzegging kort geding), het salaris is doorbetaald. Dit zal de kantonrechter enigszins laten meewegen.

5.13. Daarnaast geldt dat haar accountant beschrijft dat de onderneming van [verzoekster] over de eerste drie kwartalen van 2010 een aanzienlijk verlies heeft geleden (€ 34.650,00) terwijl haar belangrijkste opdrachtgever de beschikbare budgetten heeft teruggeschroefd. Deze inhoudelijk gemotiveerde en met stukken onderbouwde bevindingen worden door [verweerster] onvoldoende weersproken. Het zou echter onbillijk zijn om het verlies zodanig te laten meewegen dat [verweerster] minder krijgt dan een neutrale vergoeding. Uitgaande hiervan zal de vergoeding worden vastgesteld op C = 1.

5.14. De kantonrechter ziet geen reden om aan [verweerster] een extra vergoeding wegens advocaatkosten te geven.

5.15. Door de wetgever is beoogd dat de fictieve opzegtermijn voor rekening van de werknemer komt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen.

Intrekkingstermijn

5.16. Nu een vergoeding wordt vastgesteld dient aan [verzoekster] een intrekkingstermijn te worden gegeven.

Proceskosten

5.17. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [verzoekster] veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 18 januari 2011 te 12.00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens veranderde omstandigheden met ingang van

19 januari 2011,

bepaalt de door [verzoekster] aan [verweerster] te betalen vergoeding op afgerond

€ 13.000,00 (zegge dertienduizend euro) bruto,

veroordeelt [verzoekster] om dit bedrag uiterlijk 18 februari 2011 aan [verweerster] te betalen,

en, ongeacht of het verzoek wordt ingetrokken,

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil aan verschotten en op € 450,00 aan salaris gemachtigde,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.