Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ2314

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
10/651089-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord. Steekpartij op openbare weg. Verwerping beroep noodweerexces/volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

Bewijs van kalm beraad en rustig overleg bij beweerdelijke bewustzijnsvernauwing nav vlucht- of vechtmechanisme.

Vordering benadeelde partij bijzondere begrafeniskosten afgewezen ogv art 6:108 b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/651089-10

Datum uitspraak: 22 april 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [plaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Noordsingel,

raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Unnik heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaar, met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 juli 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben

verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] meermalen, gestoken met

een mes en vervolgens

nadat die [naam slachtoffer] was weggerend die [naam slachtoffer] achtervolgd en vervolgens

wederom meermalen met een mes, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader het slachtoffer een groot aantal keren met kracht met messen in het lichaam hebben gestoken, waaronder in de borst- en buikstreek, de hals en de flanken van het lichaam. Uit de aard van deze handelingen en hun uiterlijke verschijningsvorm blijkt dat de verdachte en zijn mededader het opzet hadden om het slachtoffer te doden.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte daarbij niet heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zoals is ten laste gelegd. Het slachtoffer had een gewelddadige reputatie en de verdachte was eerder door hem mishandeld en ook meermalen bedreigd, laatstelijk op de ochtend van het steekincident. Het slachtoffer heeft de verdachte en zijn mededader toen toegevoegd: “Ik maak jullie dood”. De verdachte was hierdoor erg bang geworden van het slachtoffer. Toen het slachtoffer, tijdens de confrontatie kort voor het steekincident, zijn schoudertasje pakte, meende de verdachte dat het slachtoffer naar een vuurwapen greep en vreesde hij voor zijn leven. Daardoor trad bij hem een bewustzijnsvernauwing op. Hij voelde zijn lichaam niet meer, trilde, handelde in een waas en kan zich hele stukken van het gebeuren niet of nauwelijks herinneren. Wat hier optrad, was het ‘vecht- of vlucht’ mechanisme. Dit begint met acute, hevige angst en stress. Logisch denken of afwegen van morele aspecten zijn dan niet meer aan de orde. Het is dan ook onaannemelijk of onmogelijk, dat de verdachte tijdens deze zeer traumatische en heftige ervaring, in staat is geweest om rustig na te denken en na kalm beraad en rustig overleg een besluit te nemen om het slachtoffer van het leven te beroven, aldus de raadsman.

Dit verweer wordt verworpen.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte rade, in de tenlastelegging nader aangeduid met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg", is nodig dat komt vast te staan dat de verdachte voordat hij ging steken, tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om dat te doen, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 8 september 2009, LJN BI4080).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader enige tijd voor het steekincident hun woning hebben verlaten. Zij hadden beiden een mes van huis meegenomen. Toen zij op straat liepen zijn zij het slachtoffer tegengekomen. Het slachtoffer zat in een auto en is gestopt op de kruising nabij het trottoir waar de verdachte en zijn mededader liepen. Na een gesprek, dat enige minuten duurde, is een gevecht ontstaan tussen de verdachte en het slachtoffer. De mededader van de verdachte heeft tijdens dit gevecht het slachtoffer meermalen met zijn mes gestoken. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn mes op een gegeven moment ook in zijn handen had en dat ook hij het slachtoffer toen meermalen heeft gestoken. Vervolgens heeft het slachtoffer zich aan de verdachten onttrokken en is van hen weggerend. De verdachte is de andere kant opgerend. Op een gegeven moment is hij gestopt. Zijn mededader kwam enige seconden later ook zijn kant op lopen. Vrijwel meteen daarna zijn beiden op hun schreden teruggekeerd. Zij zijn achter het slachtoffer aangegaan, aanvankelijk in een stevig wandeltempo, en hebben enige tientallen meters verderop het slachtoffer ingehaald, waarna ze hem beiden nog enige malen met hun messen hebben gestoken.

Uit het gegeven dat de verdachte en zijn mededader, nadat zij het slachtoffer de eerste keer hadden gestoken en van hem weg waren gelopen, op hun schreden zijn teruggekeerd en over een afstand van enige tientallen meters het slachtoffer hebben achtervolgd voordat zij hem opnieuw staken, blijkt dat de verdachte de tijd heeft gehad hierover na te denken. Hieruit wordt dan ook afgeleid dat de verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld. Hoewel het niet onaannemelijk wordt geacht dat er bij de verdachte een bewustzijnsvernauwing is ontstaan, staat dit niet aan de voorbedachte rade in de weg, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door die mogelijke bewustzijnsvernauwing elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen is verloren.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van moord.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

beroep op noodweerexces

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Het slachtoffer was bij het ontstaan van de ruzie de agressor. Hij heeft de verdachte aangevallen. De verdachte verkeerde hierdoor in een hevige gemoedstoestand, bestaande uit een soort permanente doodsangst vanaf het moment dat het slachtoffer hem aansprak, ontstaan door het reeds gememoreerde ‘vecht- of vlucht’ mechanisme dat bij de verdachte in werking trad, ten gevolge waarvan hij disproportioneel reageerde en zich met een te zwaar middel tegen het slachtoffer heeft verdedigd.

Dit verweer wordt verworpen.

Uit het dossier en het verdere onderzoek op de zitting blijkt dat toen de verdachten en het slachtoffer nog bij de auto van het slachtoffer stonden de handtastelijkheden in eerste instantie hieruit hebben bestaan dat de verdachte het slachtoffer heeft weggeduwd toen deze te dicht bij hem kwam. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het slachtoffer heeft beetgepakt en de worsteling tussen hen is begonnen toen het slachtoffer naar zijn tasje greep. Noch op de zitting, noch bij de politie heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer hem als eerste heeft aangevallen. Daarom is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

Wat betreft de gestelde hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, wordt overwogen dat uit de aanwezige camerabeelden blijkt dat de verdachte en het slachtoffer, toen zij nog bij de auto van het slachtoffer stonden, minutenlang in een discussie verwikkeld zijn geweest, waarbij het slachtoffer weliswaar hevig heeft gegesticuleerd, maar waarbij de verdachte vrij rustig en kalm is blijven staan. Daarom is ook niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een hevige gemoedstoestand bij de verdachte.

Nu niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie toen de verdachte met het slachtoffer in gevecht ging noch van een hevige gemoedsbeweging, dient het beroep op noodweerexces te worden verworpen.

beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid

Het door de raadsman gevoerde verweer dat het begane feit, gelet op de toestand waarin de verdachte verkeerde, in het geheel niet aan hem kan worden toegerekend, slaagt evenmin.

Voorop gesteld dient te worden dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Voor een dergelijk oordeel is geen steun te vinden in het psychologisch rapport d.d. 7 november 2010 dat door dr. drs. L.E.E. Ligthart over de verdachte is uitgebracht, noch in hetgeen verder uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Hoewel aannemelijk is dat de verdachte gedurende enige tijd regelmatig door het slachtoffer is bedreigd en ook eenmaal eerder met het slachtoffer heeft gevochten, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op het moment van het begaan van het onderhavige feit geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij als volledig ontoerekeningsvatbaar kan worden aangemerkt.

slotsom

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn “zwager” schuldig gemaakt aan moord. Het slachtoffer is om het leven gebracht doordat hij diverse malen met messen in vitale delen van het lichaam is gestoken. Het slachtoffer was kansloos. Toen de verdachte en zijn mededader na de eerste serie messteken weer op het slachtoffer afgingen en opnieuw op hem instaken moet het slachtoffer de dood in de ogen hebben gezien.

Het slachtoffer was 30 jaar oud en bevond zich dus nog in de bloei van zijn leven. De verdachte en zijn mededader hebben hem dit leven ontnomen.

Ook heeft de gewelddadige dood van het slachtoffer een diepe wond geslagen in het leven van de nabestaanden van het slachtoffer en onherstelbaar groot leed veroorzaakt. De kinderen van het slachtoffer zullen zonder hun vader verder moeten leven. De moeder van het slachtoffer zal haar zoon moeten missen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van de partner en de moeder van het slachtoffer blijkt dat het verlies een diepe impact op hun leven en het leven van de kinderen van het slachtoffer heeft. Dit zal ongetwijfeld ook gelden voor verdere familie en andere bekenden van het slachtoffer.

De steekpartij vond plaats op straat, aan het begin van een zomeravond, toen er nog vrij veel mensen buiten waren. Het slachtoffer, dat hevig bloedde, is ook op straat overleden. Ook voor omstanders en omwonenden moet dit gebeuren daarom aangrijpend zijn geweest. Daarnaast worden door een dergelijk feit algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving sterk aangewakkerd. De rechtsorde is dan ook ernstig geschokt door dit zeer gewelddadige feit.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een zeer aanzienlijke duur.

Aanleiding voor dit incident was dat de verdachte herhaalde malen was bedreigd of geïntimideerd door het slachtoffer omdat hij weigerde te voldoen aan zijn verzoek om hem een aanzienlijke som geld te betalen in verband met wapens die door de politie in beslag waren genomen bij een broer van zijn mededader. De verdachte heeft het slachtoffer te kennen gegeven dat hij daar niets mee te maken had en daarom niet tot die betaling bereid was. Het slachtoffer bleef hem echter lastig vallen en op betaling aandringen. Enige tijd voor het steekincident is het zelfs tot een handgemeen gekomen. Op de ochtend voorafgaande aan het steekincident heeft de verdachte het slachtoffer aangesproken op zijn gedrag jegens hem, waarna het slachtoffer hem met de dood bedreigde. Zijn reeds bestaande angst voor het slachtoffer nam toen nog verder toe. Later die dag, toen hij samen met zijn mededader op straat liep en het slachtoffer met zijn auto bij hen stopte en hen aansprak, was hij volgens zijn zeggen zichzelf niet meer. Met deze omstandigheden, die lijken te hebben bijgedragen aan de escalatie van de ruzie, zal rekening worden gehouden, hoewel zij natuurlijk geen enkele rechtvaardiging zijn voor wat er is gebeurd.

Tevens is in aanmerking genomen dat het in dit geval niet gaat om een “klassieke moord”, waarbij ruim tevoren het plan wordt beraamd om iemand te doden.

Verder is bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2011 niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Voorts is in aanmerking genomen dat de verdachte, die nog jong is, oprecht berouw lijkt te hebben van wat hij heeft gedaan.

Het rapport over de verdachte van de deskundige dr. drs. L.E.E. Ligthart, werkzaam als klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, houdt in dat bij de verdachte sprake is van een waarschijnlijk op zwakbegaafd niveau functionerende, wat naïeve en 'kinderlijke' man die een vermijdende en emotionele copingstijl hanteert en bij wie voorts sprake is van een verhoogde impulsiviteit. Niet geheel uitgesloten wordt dat een combinatie van deze factoren heeft bijgedragen aan het gepleegde delict. Zwakbegaafdheid leidt immers tot het niet correct kunnen interpreteren van sociale situatie en/of interacties, terwijl een vermijdende en emotioneel gerichte copingstijl en impulsiviteit kunnen bijdragen aan emotioneel agressieve doorbraken, ook wel excitatietoestand genoemd. Deze factoren kunnen elkaar in enige mate beïnvloeden en versterken. Op grond van deze bevindingen komt de rapporteur tot de conclusie dat mogelijk sprake is van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundige Ligthart over, maakt die tot de hare en is op grond daarvan van oordeel dat de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf wordt daarmee rekening gehouden

Voorts is kennis genomen van de rapporten de Reclassering Nederland, d.d. 30 november 2010 en van F. Verstraeten, forensisch psychiater bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 19 augustus 2010.

Alles afwegend wordt na te noemen gevangenisstraf passend en geboden geacht.

De op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de geëiste straf te hoog voorkomt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en voorts gelet op hetgeen in soortgelijke zaken pleegt te worden opgelegd.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde partij], wonende te [adres]. De benadeelde partij vordert vergoeding van een bedrag van in totaal € 6.990,-- aan bijzondere kosten die door haar zijn gemaakt in verband met het overlijden van het slachtoffer [naam slachtoffer]. Het gaat daarbij om de kosten van sigaren, t-shirts met fotoprints, ballonnen, kaarsen, rozen, gebedskaarten, zakdoeken, de fotograaf en foto-album, de predikant, eten en drinken, alsmede kleding voor haarzelf en andere familieleden. Verder verzoekt zij vergoeding van de kosten van een grafsteen ten bedrage van € 2.107,--.

De benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer [naam slachtoffer]. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek kan zij derhalve aanspraak maken op de kosten die in verband met de lijkbezorging van haar zoon te haren laste zijn gekomen, voor zover die kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Voor de vergoeding van andere materiële kosten bestaat geen wettelijke basis.

De gevorderde kosten voor een grafsteen hangen zo zeer samen met de lijkbezorging dat deze voor vergoeding in aanmerking komen.

De bijzondere kosten waarvan de benadeelde partij vergoeding vordert kunnen, gelet op aard van die kosten, in redelijkheid niet worden gerekend tot de in artikel 6:108b van het Burgerlijk Wetboek bedoelde kosten van de lijkbezorging van het slachtoffer. Daarbij is mede betrokken dat de algemene kosten van de lijkbezorging van het slachtoffer, welke kosten door een verzekeraar zijn vergoed, reeds een bedrag van in totaal € 9.975,30 belopen.

De vordering van de benadeelde partij zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 2.107,--, met afwijzing van het meer of anders gevorderde en met veroordeling van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te [adres], toe tot een bedrag van € 2.107,--, (zegge: tweeduizend eenhonderden zeven euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.107,-- (zegge: tweeduizendeenhonderdenzeven euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Peeck en Boek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Volp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2011.

Bijlage bij vonnis van 22 april 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, gestoken met

een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp en/of (vervolgens)

(nadat die [naam slachtoffer] was weggerend) die [naam slachtoffer] achtervolgd en/of (vervolgens) (wederom) meermalen althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht