Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ2144

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
AWB 10/3176 WET-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of er voor een passagiersvlucht sprake is van een instapweigering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening (EG) 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instap¬weigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de omboeking door de luchtvaartmaatschappij van de door eisers geboekte vlucht niet aan te merken als een instapweigering. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening volgt dat pas sprake kan zijn van een instapweigering indien de passagier zich voor instappen heeft gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.

De meervoudige kamer van de rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3176 WET-T2

Uitspraak in het geding tussen

1. [A], wonende te [woonplaats A], eiser,

2. [B], wonende te [woonplaats B], eiseres,

3. [C], wonende te [woonplaats C], eiser,

4. [D], wonende te [woonplaats D], eiseres,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers, gemachtigde C. Beernink, werkzaam bij EUclaim B.V.,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, thans de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder, gemachtigde mr. I.M. Kops.

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TUI Airlines Nederland B.V., handelend onder de naam Arkefly (hierna: Arkefly), gemachtigde C. Maasdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 24 juni 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 17 maart 2010 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Arkefly heeft de rechtbank desgevraagd meegedeeld in de procedure deel te willen nemen als partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2011. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

2 Overwegingen

2.1 Artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening (EG) 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instap¬weigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) 295/91 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

„instapweigering”: weigering om passagiers op een vlucht te vervoeren, hoewel zij zich voor instappen hebben gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, lid 2, zonder dat de instapweigering is gebaseerd op redelijke gronden zoals redenen die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging, of ontoereikende reisdocumenten; (…)”

Artikel 3 van de Verordening luidt, voor zover van belang:

“1. Deze verordening is van toepassing

a) op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;

(…)

2. Lid 1 is van toepassing op voorwaarde dat de passagiers

a) een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich – behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 – bij de incheckbalie melden,

- zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een

erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven,

of, indien er geen tijd wordt aangegeven,

- uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd,

of

b) door een luchtvaartmaatschappij of touroperator van de vlucht waarvoor zij een boeking hadden, zijn overgeplaatst naar een andere vlucht, ongeacht de reden.

(…)”

Artikel 4 van de Verordening luidt:

“1. Wanneer een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert redelijkerwijs instapweigering voor een vlucht kan verwachten, vraagt zij eerst of er vrijwilligers zijn die hun boekingen willen opgeven in ruil voor bepaalde voordelen, onder voorwaarden die moeten worden overeengekomen tussen de betrokken passagier en de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Vrijwilligers krijgen bijstand overeenkomstig artikel 8, en deze is aanvullend op bij de in dit lid bedoelde voordelen.

2. Indien het aantal vrijwilligers dat zich aanbiedt niet voldoende is om de resterende passagiers met boeking te laten meevliegen op de vlucht, kan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert passagiers tegen hun wil de toegang tot de vlucht weigeren.

3. Indien passagiers tegen hun wil de toegang tot een vlucht wordt geweigerd, compenseert de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert hen onmiddellijk overeenkomstig artikel 7, en biedt zij hun bijstand overeenkomstig de artikelen 8 en 9.”

Artikel 14 van de Verordening luidt, voor zover van belang:

“1. De luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zorgt ervoor dat bij het inchecken een goed leesbaar bericht duidelijk zichtbaar voor de passagiers is uitgehangen waarvan de tekst als volgt luidt: „Indien u niet tot uw vlucht wordt toegelaten, of indien deze is geannuleerd of voor minstens twee uur is

vertraagd, vraagt u dan bij de incheckbalie of bij de boarding gate om de tekst waarin uw rechten vermeld staan, met name met betrekking tot compensatie en bijstand”.

2. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert die overgaat tot instapweigering of annulering van een vlucht bezorgt iedere daardoor getroffen passagier een schriftelijke mededeling waarin de regels voor compensatie en bijstand overeenkomstig deze verordening zijn uiteengezet. Ook passagiers

wier vlucht minstens twee uur vertraging heeft, krijgen een soortgelijke mededeling. Tevens worden de passagiers in schriftelijke vorm gegevens verstrekt die nodig zijn om contact op te nemen met de nationale instantie als bedoeld in artikel 16.

(…)”

Artikel 16 van de Verordening luidt:

“1. Elke lidstaat wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor de handhaving van de verordening met betrekking tot de vluchten vanuit de zich op het grondgebied van de lidstaat bevindende luchthavens en met betrekking tot de vluchten vanuit een derde land naar deze luchthavens. In voorkomend geval neemt deze instantie de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van de passagiers worden

geëerbiedigd. De lidstaten delen de Commissie mee welke instantie overeenkomstig dit lid is aangewezen.

2. Onverminderd artikel 12 kan een passagier een klacht indienen bij elke overeenkomstig lid 1 aangewezen instantie of iedere andere door een lidstaat aangewezen bevoegde instantie over een vermeende overtreding van deze verordening op een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchthaven of betreffende een vlucht vanuit een derde land naar een op dat grondgebied gelegen luchthaven.

3. De door de lidstaten vastgestelde sancties voor overtreding van deze verordening moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Artikel 11.15 van de Wet luchtvaart luidt, voor zover van belang:

“Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van:

(…)

b. het bepaalde bij of krachtens de volgende EG verordeningen:

1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46);

(…)”

Artikel 11.16 van de Wet luchtvaart luidt, voor zover van belang:

“1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:

(…);

e. het bepaalde bij of krachtens:

1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46);

(…)

2. Een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd.”

2.2 Eisers hebben bij reisbureau Arke te Capelle aan den IJssel een pakketreis naar Tenerife geboekt. Onderdeel van die reis was personenvervoer door de lucht met Arkefly.

Bij brief van 23 september 2008 is door TUI Nederland N.V. aan reisbureau Arke het volgende meegedeeld:

“Geachte agent,

U heeft bovengenoemde klant geboekt voor een reis naar bestemming TENERIFE (CANARISCHE EILANDEN). De vluchtroute van deze reis is veranderd. Het betreft de heenvlucht. Het vluchtschema is als volgt gewijzigd:

SCHEMA OUD heenvlucht: 26-09-2008 OR 113 AMS TFS 07:30 uur

SCHEMA NIEUW heenvlucht: 26-09-2008 JAF5113 BRU TFS 05:50 uur

Uw klant kan reizen op de reeds toegezonden reispapieren.

(…)

Wij verzoeken u uw klant van deze wijziging op de hoogte te stellen.

(…)”

Bij brief van 7 oktober 2008 hebben eisers een vordering ingediend bij Arkefly en verzocht om compensatie van € 800,- wegens weigering van de toegang tot de vlucht OR113.

Bij brief van 22 september 2009 hebben eisers verweerder verzocht om handhaving jegens Arkefly wegens overtreding van de Verordening.

2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit, waarbij het verzoek van eisers van 22 september 2009 is afgewezen, ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat er geen aanleiding is om handhavend op te treden, omdat er geen sprake is van overtreding van de Verordening door Arkefly. Er is volgens verweerder geen sprake van een instapweigering door Arkefly, aangezien de oorspronkelijke vlucht is omgeboekt en daarmee is komen te vervallen, zodat eisers niet langer een bevestigde boeking hadden voor die vlucht. Er is dan ook geen sprake van een verplichting voor Arkefly om eisers schriftelijk te informeren omtrent de regels voor compensatie en bijstand, aldus verweerder.

2.4 Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat Arkefly in strijd met de Verordening heeft gehandeld, omdat er sprake was van een instapweigering als bedoeld in de Verordening. Voorts heeft Arkefly eisers het instappen tegen hun wil geweigerd, nu zij wist dat zij een instapweigering voor de vlucht OR113 kon verwachten en zij, gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Verordening, eerst had dienen te vragen of er vrijwilligers waren die hun boeking wilden opgeven. Op grond hiervan diende Arkefly over te gaan tot betaling van compensatie als bedoeld in artikel 7 van de Verordening. Daarnaast heeft Arkefly verzuimd eisers te informeren over hun rechten op compensatie en bijstand zoals vermeld in artikel 14 van de Verordening. Verweerder is derhalve ten onrechte niet overgegaan tot handhaving van de Verordening jegens Arkefly, aldus eisers.

2.5 Arkefly heeft aangevoerd dat er in het geval van eisers geen sprake is van een instapweigering, nu daarvan slechts sprake kan zijn indien de passagiers zich voor de vlucht, waartoe uiteindelijk aan hen de toegang wordt geweigerd, hebben gemeld bij de incheckbalie op de plaats en het tijdstip zoals aangegeven door of namens de luchtvaartmaatschappij. Arkefly stelt zich dan ook op het standpunt dat het bestreden besluit inhoudelijk juist is en deugdelijk is gemotiveerd, zodat het beroep volgens haar ongegrond dient te worden verklaard.

2.6 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.6.1 Voorop gesteld wordt dat de Verordening, gelet op het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalde, op het onderhavige geval van toepassing is.

2.6.2 De vraag die in dit geschil ter beoordeling voorligt, is of er voor vlucht OR113 sprake is van een instapweigering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening. Naar het oordeel van de rechtbank is de omboeking door Arkefly van de door eisers geboekte vlucht OR113 naar de vlucht JAF5113 niet aan te merken als een instapweigering voor eerstgenoemde vlucht. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

2.6.3 Uit het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening volgt dat pas sprake kan zijn van een instapweigering indien de passagier zich voor instappen heeft gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. De voorwaarden die aan de melding worden gesteld zijn opgenomen in onderdeel a van het tweede lid van artikel 3 van de Verordening. De passagier dient zich volgens dit onderdeel met een bevestigde boeking en op de aangegeven tijd te hebben gemeld bij de incheckbalie.

2.6.4 Vaststaat dat eisers op 26 september 2008 niet meer in het bezit waren van een bevestigde boeking voor vlucht OR113 en dat zij zich op deze datum niet voor deze vlucht bij de incheckbalie hebben gemeld. Eisers zijn immers op 23 september 2008 naar vlucht JAF 5113 omgeboekt. Voor die vlucht hebben eisers zich wel voor het instappen gemeld en die vlucht is vervolgens ook uitgevoerd. Gelet daarop kan voor vlucht OR113 geen sprake zijn van een instapweigering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening.

2.6.5 Dat tussen de onderdelen a en b van artikel 3, tweede lid, het woordje ‘of’ staat, zoals eisers hebben betoogd, maakt het voorgaande niet anders. Onderdeel b van artikel 3, tweede lid bevat geen voorwaarden die aan de melding voorafgaand aan het instappen worden gesteld. Ook indien passagiers zijn overgeplaatst naar een andere vlucht (onderdeel b) kan, anders dan eisers menen, pas sprake zijn van een instapweigering indien zij zich voor instappen hebben gemeld volgens de voorwaarden genoemd in onderdeel a van artikel 3, tweede lid.

2.6.6 Nu er geen sprake is van een instapweigering, komt de rechtbank niet toe aan de overige beroepsgronden.

2.6.7 Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit stand kan houden, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard.

2.6.8 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. B. van Velzen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 21 april 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: