Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1814

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
10/775020-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging politici via Twitter. De door de verdachte aan de politici verzonden tweets kwalificeren als bedreigingen in de zin van artikel 285, lid 1 Wetboek van Strafrecht. Uit de tekst van de bedreigingen blijkt niet dat slechts sprake is van een statement en geldt dat de kennelijk satirisch bedoelde gegevens op het twitter-account van de verdachte een bij aangever 2 en aangevers 3 en 4 gerezen vrees dat de dochter van aangever 2 het leven zou kunnen verliezen dan wel aangevers 3 en 4 hun leven zouden kunnen verliezen, niet hebben kunnen wegnemen, gelet op de grove inhoud van de tweets en op het feit dat het twitter-account van verdachte anoniem was waardoor het volstrekt oncontroleerbaar was wie de bedreigingen uitte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/775020-10

Datum uitspraak: 19 april 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

(Naam verdachte),

geboren op (geboortedatum) te (geboorteplaats),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres (adresgegevens),

raadsvrouw mr. Y.M. Schrevelius, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Bonnes heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen met aftrek van voorarrest;

- een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde bedreiging van (aangever 1) (de partner van aangever 2) is de rechtbank van oordeel dat nu de desbetreffende tweet niet aan (aangever 1) is geadresseerd en diens naam ook niet in de tweet wordt genoemd, er geen sprake is van bedreiging van (aangever 1) in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte zal derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Feit 1

Namens de verdachte is het verweer gevoerd dat hij door het versturen van de tweet slechts de discussie met (aangever 2) wilde aangaan en geen opzet had om (aangever 2) te bedreigen. Bovendien waren de omstandigheden waaronder de tweet werd verstuurd zodanig - het twitter-account van de verdachte zou een satirisch karakter hebben - dat (aangever 2) dit redelijkerwijs niet had kunnen opvatten als een bedreiging.

De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Dit verweer wordt verworpen.

Voor bewezenverklaring van bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de bedreiger daar ook op gericht was. Voor de beantwoording van de door de verdediging opgeworpen vraag of (aangever 2) zich door de uitlating van de verdachte in redelijkheid bedreigd kan hebben gevoeld, is het volgende van belang.

Voldoende is, volgens bestendige jurisprudentie, dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een dergelijk misdrijf teweeg te brengen. Daarbij is niet vereist dat de dader van de bedreiging ermee dreigt zelf het misdrijf ten uitvoer te leggen. Uit de bewoordingen van de door de verdachte geplaatste tekst kan worden afgeleid dat deze naar zijn inhoud gericht is op de beëindiging van het leven dan wel de zware mishandeling van de dochter van (aangever 2). Hoewel het object van de bedreiging in dit geval de dochter van (aangever 2) is, volgt uit de tekst van de tweet overduidelijk dat (aangever 2) hieronder zou moeten lijden. In die zin is de bedreiging geschikt geweest om de vrees voor inbreuk op de persoonlijke vrijheid van (aangever 2) te bewerkstelligen. Nu de persoonlijke vrijheid het belang is dat artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beoogt te beschermen en ook de tekst van dat artikel “met enig misdrijf tegen het leven gericht” daarvoor voldoende ruimte laat, valt genoemde bedreiging onder het bereik van genoemd artikel.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een politiek waardeoordeel of van satire, die uit de aard van de tekst en het karakter van het twitter-account waar de tekst op is geplaatst duidelijk zou moeten zijn. De relativering die de verdediging heeft aangevoerd te weten het willen aangaan van een discussie, blijkt niet uit de tekst van de bedreiging en de rechtbank is ook niet gebleken van een specifieke context, die de bedreiging redelijkerwijs zou kunnen relativeren. Daar komt nog bij dat de tweet rechtstreeks aan (aangever 2) is gericht en redelijkerwijs niet van haar kon worden verwacht dat zij zich van enige specifieke context waarin de tweet zou zijn verstuurd (zou dat al het geval zijn geweest) zou vergewissen. Hetzelfde heeft overigens te gelden voor de kennelijk satirisch bedoelde gegevens op het twitter-account van de verdachte. Ten slotte kan ten aanzien van die gegevens op het twitter-account van de verdachte sowieso niet worden gesteld dat deze een bij (aangever 2) gerezen vrees dat haar dochter het leven zou verliezen, hebben kunnen wegnemen, met name gelet op de grove inhoud van de tweet alsmede gelet op het feit dat het twitter-account van verdachte anoniem was als gevolg waarvan het voor (aangever 2) volstrekt oncontroleerbaar was met wie zij te maken had.

Kortom, de tweet kwalificeert als een bedreiging in de zin van artikel 285, lid 1 Wetboek van Strafrecht en de bedreiging is van zodanige aard en onder zodanige omstandigheden gedaan dat bij (aangever 2) de redelijke vrees kon ontstaan dat haar dochter het leven zou kunnen verliezen. Dat de verdachte geen opzet heeft gehad op een bedreiging acht de rechtbank, gelet op de tekst van de tweet, niet aannemelijk.

Feit 2

Namens de verdachte is het verweer gevoerd dat hij met de tweet niet meer dan een statement wilde maken en niet de opzet heeft gehad op de bedreiging van de politici (aangever 3) en (aangever 4). Bovendien was ook de onderhavige tweet verstuurd vanuit het satirisch karakter dragende twitter-account van de verdachte zodat de heren (aangever 3) en (aangever 4) dit redelijkerwijs niet hebben kunnen opvatten als een bedreiging.

De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uit de tekst van de bedreiging blijkt ook hier niet dat slechts sprake is van een statement en geldt dat de kennelijk satirisch bedoelde gegevens op het twitter-account van de verdachte een bij de heren (aangever 3) en (aangever 4) gerezen vrees, dat zij hun leven hadden kunnen verliezen, niet hebben kunnen wegnemen, gelet op de grove inhoud van de tweets en op het feit dat het twitter-account van verdachte anoniem was waardoor het volstrekt oncontroleerbaar was wie de bedreigingen uitte.

Gelet op voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 28 september 2010 te Rotterdam (aangever 2) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (via een twitteraccount) op de website van twitter.com de volgende tekst geplaatst:

"@(aangever 2)? Zal je toekijken als ik je kleine dochtertje helemaal

uit elkaar trekt?"

2.

hij op 28 september 2010 te Rotterdam(aamgever 3) en (aangever 4) heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (via een twitteraccount) op de website van twitter.com de volgende tekst geplaatst:

"Wie zal ik morgen als eerste zijn nek doorsnijden? #(aangever 3) of

#(aangever 4)?"

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 28 september 2010 (aangever 2), toentertijd fractieleider van GroenLinks, bedreigd door haar een zogenaamde tweet te sturen met de tekst: “(aangever 2)? Zal je toekijken als ik je dochtertje helemaal uit elkaar trekt?” Tevens heeft de verdachte op diezelfde dag de politici (aangever 3) en (aangever 4) bedreigd door op de website Twitter.com de tekst te plaatsen: “Wie zal ik morgen de nek doorsnijden? (aangever 3) of (aangever 4)?

Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Feiten als de onderhavige zijn ernstig en de verdachte had zich te allen tijde van het uiten van dergelijke bedreigingen dienen te onthouden. Een dergelijk handelen kan een bedreiging betekenen voor het functioneren van de parlementaire democratie. Geen enkel democratisch land kan zonder mensen die bereid zijn zich voor de publieke zaak in te zetten. Politici hebben dan ook net als ieder ander het recht gevrijwaard te blijven van strafbare bedreigingen.

De verdachte heeft, met name bij de geadresseerde (aangever 2) en degenen die in haar directe nabijheid leven, grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Blijkens de verklaring van laatstgenoemde ter terechtzitting heeft de bedreiging haar en haar partner een diep gevoel van onveiligheid en machteloosheid gegeven. De bedreiging had tot gevolg dat hun kinderen enige dagen permanent zijn beveiligd en zoveel mogelijk binnen moesten blijven.

Op voornoemde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van korte duur, waarbij een belangrijk deel van deze straf voorwaardelijk zal worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast wordt een werkstraf passend en geboden geacht.

Bij het bepalen van de op te leggen straffen is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 7 maart 2011 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts is gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten en is rekening gehouden met de straffen die in den lande voor soortgelijke bedreigingen aan het adres van politici worden opgelegd. In vergelijking daarmee is de eis van de officier van justitie fors te noemen. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportages d.d. 22 februari 2011 en 1 maart 2011 opgesteld door respectievelijk P.K.J. Ronhaar, psychiater, en C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, als ook van het reclasseringsadvies d.d. 24 maart 2011 opgesteld door A. van der Hor. De psychiater en psycholoog concluderen dat vanuit gedragsrechtelijk oogpunt geen interventies in een juridisch kader zijn aangewezen c.q. dat er geen redenen zijn voor zorg in een forensisch kader. Ook de reclassering adviseert in beginsel geen reclasseringstoezicht of interventies en behandelingen, maar (enkel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kan zich vinden in de bevindingen van de deskundigen en sluit zich hierbij aan, hetgeen impliceert dat aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf geen reclasseringstoezicht zal worden gekoppeld.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 9a, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 47 (zevenenveertig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 30 (dertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. Van Boven en Stalenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2011.

Mr. Stalenberg is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 september 2010 te Rotterdam, althans in Nederland,

één of meer perso(o)n(en), te weten, (aangever 1) en/of (aangever 2) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (via een twitteraccount) op de

website van twitter.com de volgende tekst geplaatst:

"@(aangever 2)? Zal je toekijken als ik je kleine dochtertje helemaal

uit elkaar trekt?"

Artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 september 2010 te Rotterdam, althans in Nederland, één

of meer perso(o)n(en), te weten (aangever 3) en/of (aangever 4) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (via een twitteraccount) op de

website van twitter.com de volgende tekst geplaatst:

"Wie zal ik morgen als eerste zijn nek doorsnijden? #(aangever 3) of

#(aangever 4)?"

Artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht