Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
1204156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over de vraag of een rapportage van een medisch deskundige (neuroloog) als bindend uitgangspunt voor partijen dient te gelden voor de verdere schaderegeling. Het verzoek wordt toegewezen, nu de deskundigenrapportage op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en ook overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen, terwijl onvoldoende gebleken is dat er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn aangaande de inhoud daarvan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te verwachten dat een bodemrechter zou oordelen dat de rapportage buiten beschouwing dient te worden gelaten. Voor de begroting van de kosten van de behandeling van het verzoek wordt aansluiting gezocht bij het advies van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade. Het tegenverzoek tot benoeming van een orthopedisch chirurg als deskundige wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

beschikking deelgeschil

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

verweerder ten aanzien van het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. R.Th. Bocxe te Oegstgeest,

tegen

1. [verweerster sub 1]

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerster sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweersters,

verzoeksters ten aanzien van het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]”, “[verweerster sub 1]” en “[verweerster sub 2]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 14 januari 2011, met producties;

• het aanvullend verzoekschrift;

• het verweerschrift, tevens (voorwaardelijk) tegenverzoek, met één productie;

• het faxbericht van 17 maart 2011 van de zijde van [verzoeker], met één productie.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. [verzoeker] is daarbij verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is verschenen de heer [A] (van [verweerster sub 2]), vergezeld van mr. F.M. van Sloun. De gemachtigde van [verzoeker] heeft pleitaantekeningen overgelegd. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3 Tegelijk met de onderhavige zaak is op 18 maart 2011 het door [verweerster sub 1] ingediende verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek (zaaknummer 1199918 VZ VERZ 11-254) behandeld.

2.De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen - voor zover thans van belang - het volgende vast.

2.1 [verzoeker], geboren op [geboortedatum], is als zelfstandig ondernemer werkzaam geweest in de hydrauliek. [verweerster sub 1] was één van zijn vaste opdrachtgevers. [verweerster sub 2] is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerster sub 1].

2.2 Op 29 juli 2008 is [verzoeker] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [verweerster sub 1] een ongeval overkomen. Door toedoen van één van de medewerkers van [verweerster sub 1] is er een zware metalen schijf op het rechter bovenbeen van [verzoeker] terecht gekomen.

2.3 Op 10 juni 2009 heeft [verweerster sub 1] aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. [verweerster sub 2] is vervolgens gestart met het betalen van voorschotten op de verschenen schade.

2.4 Na het ongeval is [verzoeker] gezien door verschillende medici, waaronder twee neurologen en een orthopedisch chirurg. Beide neurologen hebben geen neurologische stoornissen gevonden. Op orthopedisch gebied zijn door de orthopedisch chirurg geen afwijkingen vastgesteld.

2.5 Op 14 augustus 2009 heeft de medisch adviseur van [verweerster sub 1] (en [verweerster sub 2]), de heer [B] (verder: [B]) een advies uitgebracht. In dat advies is onder meer het volgende vermeld:

Concluderend is er sprake geweest van een contusie (kantonrechter: kneuzing) van de spieren aan de binnenzijde van het rechter bovenbeen. Mogelijk dat hierbij enige spierschade is ontstaan met littekenvorming waarmee de delle (indeuking) aan de binnenzijde van het bovenbeen (…) verklaard kan worden.

Van een weefselcontusie mag restloze genezing verwacht worden.

Op dit moment is er onvoldoende reden om te concluderen dat het ongeval heeft geleid tot lichamelijk letsel dat uiteindelijk resulteert in een functionele invaliditeit.

2.6 Op 23 november 2009 is door [verweerster sub 2] medegedeeld dat nog eenmaal een voorschot aan [verzoeker] zou worden betaald en dat verder terughoudendheid zou worden betracht, nu niet goed kan worden beoordeeld of de problematiek ongevalgevolg is.

2.7 Op gezamenlijk verzoek van [B] en de medisch adviseur van [verzoeker], drs. [C] (verder: [C]), is op 2 november 2009 neuroloog prof. dr. [D] (verder: [D]) aangeschreven tot het verrichten van een neurologische expertise. Op 12 maart 2010 heeft [D] een (concept)rapport uitgebracht, waarin als conclusie van het verrichte neurologische onderzoek is opgenomen dat [verzoeker] letsel heeft opgelopen aan het rechter bovenbeen, “dat bestond uit een contusie van de weke delen. Thans is er een pijnsyndroom met functiebeperking dat tenminste samenhangt met gedeeltelijke uitval van de m. sartorius (kantonrechter: een spier in het bovenbeen) rechts als direct gevolg van dit letsel.” Verder is in het rapport onder meer het volgende vermeld:

Bij lichamelijk onderzoek vind ik geen neurologische stoornissen in strikte zin. (…)

Bij functieonderzoek van de m. sartorius (…) heb ik een zeer duidelijke toeneming van de pijnklachten kunnen waarnemen.

(…) concludeer ik dat sprake is van een eindtoestand.

Het gaat dus om een tamelijk uniek letsel. (…) Als de loopstoornis van betrokkene een neurologische oorzaak zou hebben, zou de blijvende functionele invaliditeit kunnen worden ingeschat met behulp van tabel 13-12 (zesde editie) Class 1, 10%. Bij gebruikmaking van tabel 16-11 en tabel 16-12 (zesde editie) zou enkel door motorische uitval betrokkene worden ingedeeld in Class 1 (lichte zwakte ten gevolge van pijn) van spieren van het rechter been, waarbij nog rekening moet worden gehouden met de pijn.

De genoemde spier, de m. sartorius, is niet goed toegankelijk voor aanvullend EMG-onderzoek. MRI-onderzoek wordt tegenwoordig gebruikt om afwijkingen in weke delen te tonen of uit te sluiten. Ik merk dit op ter volledigheid.

2.8 Op 7 april 2010 heeft [B] gereageerd op het rapport van [D]. Zijn oordeel is dat “het voorliggende rapport niet kan worden aangewend voor een definitieve beoordeling en afwikkeling.” Verder is in het advies onder meer het volgende vermeld:

Op zijn minst dient het onderzoek te worden uitgebreid met een gericht MRI-onderzoek van de weke delen van het gebied waar het letsel heeft plaatsgevonden.

Daar [D] zelf concludeert dat er geen sprake is van neurologische afwijkingen was het op basis hiervan correct geweest indien [D] had vermeld dat hij op neurologisch gebied geen oorzaak kan vaststellen voor de klachten en aangegeven beperkingen van betrokkene.

Overigens is het volgens de laatste richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie zo dat, wanneer geen klinisch diagnostisch substraat wordt gevonden voor de klachten, er geen beperkingen kunnen worden geduid en er evenmin een percentage functionele invaliditeit kan worden verdisconteerd.

In plaats van het advies dat er geen aanleiding is om betrokkene door een deskundige op een ander vakgebied te laten onderzoeken (…) had dan beter gesteld kunnen worden dat er een expertise dient plaats te vinden door iemand met specifieke kennis van het bewegingsapparaat, zoals aanwezig bij een orthopedisch chirurg.

2.9 Met instemming van [C] zijn door [B] bij brief van 4 juni 2010 aanvullende vragen gesteld aan [D]. Op 14 september 2010 heeft [D] op die vragen gereageerd. Hij heeft daarbij aangesloten bij zijn eerdere rapportage en zijn mening dat de beperkingen van [verzoeker] kunnen worden verklaard door het letsel gehandhaafd. In het rapport is verder onder meer het volgende opgenomen:

Ik realiseer me dat ik twee aannames heb gedaan, die voor discussie vatbaar kunnen zijn:

1. Discrepantie met eerder onderzoek: het door mij uitgevoerde functieonderzoek is als zodanig niet gedocumenteerd door de neurologen en de orthopedisch chirurg, die betrokkene na het ongeval hebben onderzocht. Ik acht het aannemelijk dat, indien zij dat wel hadden gedaan, zij dezelfde afwijkingen hadden vastgesteld. (…)

2. Eigen bekwaamheid: ik acht mij bekwaam als neuroloog met grote ervaring op het gebied van ziekten van het perifere zenuwstelsel (het aandachtsgebied neuromusculaire ziekten), en als algemeen neuroloog. Daarom acht ik het zeer aannemelijk dat de klachten, de vastgestelde stoornissen, de beperkingen en de verminderde participatie kunnen worden teruggevoerd op een direct letsel van weke delen aan de binnenzijde van het bovenbeen en in het bijzonder van de m. sartorius rechts en van de adductoren van het bovenbeen door het ongeval op 29-07-2008.

(…) Ik realiseer me ook dat ik mij misschien teveel gefocust heb op de functiebeperking van de m. sartorius. Eerder wees ik in mijn verslag ook op beperkingen bij gebruik van de adductoren van het bovenbeen. Vanuit functioneel aspect werken deze spieren samen. (…) Bij het trauma moet er uitgebreider letsel van de weke delen van het bovenbeen zijn geweest dan alleen van de m. sartorius. Dat kan al geconcludeerd worden uit de grootte van de delle. (…)

MRI-onderzoek wordt tegenwoordig in de acute fase gebruikt om afwijkingen in weke delen te tonen of uit te sluiten.

2.10 In zijn advies van 29 oktober 2010 concludeert [B] dat “de reactie van [D] op de vraagstelling geen reden geeft om mijn conclusie zoals vastgelegd in het medisch advies d.d. 07.04.2010 te wijzigen.” In zijn reactie van 17 maart 2011 handhaaft [B] dat standpunt.

2.11 In zijn adviezen van 12 maart 2010 en 5 oktober 2010 sluit [C] aan bij de rapporten van [D] en concludeert hij dat tot afwikkeling kan worden overgegaan. Dat standpunt is bevestigd in de schriftelijke reactie van medisch adviseur d[E] (verder: [E]) van 17 maart 2011.

2.12 Eind december 2010 heeft [B] eenzijdig een aanvullende vraag aan [D] voorgelegd, waarbij hij (onder meer) heeft verzocht om alsnog een MRI-onderzoek te entameren. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat het oordeel dat een MRI-onderzoek zinvol is eerst nog nader dient te worden onderbouwd door [B]. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft [D] de eenzijdige nadere vraagstelling onbeantwoord gelaten. Nader overleg tussen partijen heeft vervolgens niet meer plaatsgevonden.

3. Het geschil en de stellingen van partijen

3.1 [verzoeker] heeft primair verzocht te bepalen dat de rapporten van 12 maart 2010 en

14 september 2010 van [D] als bindend uitgangspunt voor [verweerster sub 1], [verweerster sub 2] en [verzoeker] dienen te gelden voor de verdere schaderegeling. Subsidiair heeft hij verzocht te bepalen:

a) dat op [verweerster sub 1] en/of [verweerster sub 2] de bewijslast rust van haar stelling dat onjuist is het oordeel van [D], de medisch adviseur van [verzoeker] en de behandelend artsen, dat restafwijkingen bij [verzoeker] niet in beeld kunnen worden gebracht bijvoorbeeld door een MRI-scan en dat het verkrijgen van een MRI-onderzoek relevant is voor het deskundigenoordeel en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om dit tegenbewijs te leveren;

b) dat, indien [verweerster sub 1] en/of [verweerster sub 2] is geslaagd in het leveren van dit bewijs, aan [D] aanvullende vragen worden voorgelegd, zoals door [verzoeker] voorgesteld, dan wel vragen door de kantonrechter te bepalen;

c) dat, indien deze bewijslast niet op [verweerster sub 1] en/of [verweerster sub 2] rust en zonder dit bewijs, althans reeds nu, aanvullende vragen aan [D] dienen te worden voorgelegd, aan [D] voor te leggen de door [verzoeker] geformuleerde vraag, welke luidt: “is het verkrijgen van een MRI-scan voor uw oordeelsvorming over de onderhavige casus nog van belang”, althans vragen door de kantonrechter te bepalen;

d) dat [verweerster sub 1] en/of [verweerster sub 2] wordt belast met het vergoeden van de kosten van [D] voor het beantwoorden van deze aanvullende vra(a)g(en);

e) dat [verweerster sub 1] aan [verzoeker] vergoedt de nader te begroten redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van zijn verzoek, welke door hem worden begroot op het bedrag van de daadwerkelijk door zijn gemachtigde aan (de behandeling van) het verzoek bestede tijd vermenigvuldigd met het uurtarief van € 487,30 (inclusief kantoorkosten en BTW) en het verschuldigde vastrecht, met veroordeling van [verweerster sub 1] in deze kosten.

3.2 [verzoeker] heeft daaraan - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1 Partijen kunnen het niet eens worden over de vraag of de huidige klachten en beperkingen van [verzoeker] een gevolg van het ongeval zijn. Een beslissing ten aanzien van dit deelgeschil kan ertoe bijdragen dat partijen zich verder kunnen zetten aan het in onderling overleg begroten van de schade en aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst.

3.2.2 De rapporten van [D] van 12 maart 2010 en 14 september 2010 kunnen dienen als uitgangspunt bij het begroten van de schade. Partijen hebben [D] juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek benoemd en de rapporten geven antwoord op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanige begrijpelijke wijze, dat de rechter aan de hand daarvan een oordeel kan vellen over de juridische causaliteit. Ook overigens voldoen de rapporten aan de daaraan te stellen eisen. De visie van [B] kan niet worden aangemerkt als een voldoende onderbouwing van de kritiek op de rapporten van [D].

3.2.3 Voor het geval moet worden geoordeeld dat de door [verweerster sub 1] aangedragen bezwaren de conclusie rechtvaardigen dat de rapporten van [D] nog niet op alle punten voldoende duidelijk zijn en daaraan de conclusie wordt verbonden dat in rechte nog niet beslist kan worden dat de rapporten van [D] als uitgangspunt dienen, heeft [verzoeker] het hiervoor weergegeven subsidiaire verzoek ingesteld.

3.2.4 Voor wat betreft de kostenbegroting als bedoeld in artikel 1019aa Rv dient, conform het advies van de Vereniging Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade, te worden uitgegaan van een uurtarief van € 487,30 inclusief kantoorkosten en BTW. De gemachtigde van [verzoeker] heeft 15 uur en 5 minuten besteed aan (de behandeling van) het verzoek. De kosten voor het inwinnen van het medisch advies door [E] bedragen € 461,53.

3.3 [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek en primair geconcludeerd tot afwijzing ervan. Subsidiair verzoeken [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] bij wijze van tegenverzoek om orthopedisch chirurg dr. [F], werkzaam in het [Medisch Centrum], als deskundige te benoemen. Daartoe hebben zij - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.3.1 Het door [verzoeker] gestarte deelgeschil mag het (eerder) door [verweerster sub 1] gedane verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek niet doorkruisen. In dat verzoek is duidelijk toegelicht dat en waarom er aanleiding bestaat tot benoeming van een orthopedisch deskundige. Betoogd is immers dat de rapportage van [D] (juist) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en derhalve ook niet als bindend uitgangspunt kan dienen voor de verdere schaderegeling. Indien het verzoek van [verweerster sub 1] wordt toegewezen, dan komt daarmee dan ook meteen de grond aan het verzoek van [verzoeker] te ontvallen. In dat geval heeft [verzoeker] bovendien geen belang bij zijn verzoek.

3.3.2 In zijn adviezen heeft [B] gemotiveerd de volgende bezwaren tegen de rapportages van [D] aangevoerd:

- Door [D] zijn bij lichamelijk onderzoek geen neurologische stoornissen in strikte zin gevonden.

- Onduidelijk is op basis waarvan geconcludeerd wordt dat sprake is van een uitval van de m. sartorius. Het “geïsoleerd” testen van deze spier is zo goed als onmogelijk.

- Mocht er verder al sprake zijn van een gedeeltelijke uitval van de m. sartorius, dan kunnen daarmee de uitgebreide beperkingen en de pijn, aangegeven door [verzoeker], absoluut niet verklaard worden. Zoals (ook) uit de rapportage van [D] zelf volgt kan deze spier voor een normaal functioneren namelijk zo ongeveer gemist worden.

- Het onderzoek is (nog) niet volledig in die zin dat de mogelijkheid dat er sprake zou kunnen zijn van cognitief gedragsmatige aspecten niet is overwogen. Verder dient het onderzoek volgens [B] te worden uitgebreid met een gericht MRI-onderzoek. Zulk onderzoek is ook na “genezing” nog zinvol om restafwijkingen als gevolg van doorgemaakt letsel te kunnen aantonen. Deze laatste stelling van [B] is desgevraagd bevestigd door radioloog [G] uit het [Gasthuis].

- Er ontbreekt nog enige medische informatie in het geval [verzoeker] ook onder behandeling van een revalidatiearts is geweest.

3.3.3 De bezwaren van [B] zijn door [D] niet weerlegd in zijn rapportages. De aanvullende vragen van [B] zijn niet adequaat beantwoord. [verweerster sub 1] heeft er weinig vertrouwen in dat een aanvullend oordeel van [D] de benodigde helderheid zal verschaffen, met name aangezien ook door [D] zelf is aangegeven dat de klachten van [verzoeker] geen neurologische oorzaak hebben. Gezien de aard van de klachten van [verzoeker] dient een (aanvullende) expertise plaats te vinden door iemand met specifieke kennis van het bewegingsapparaat, zoals een orthopedisch chirurg.

3.3.4 De door [verzoeker] begrote kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv zijn onredelijk. Een uurtarief van € 200,00 is (meer dan) redelijk.

3.4 De stellingen van partijen zullen, voor zover nodig, nader worden besproken bij de beoordeling van het geschil.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Gelet op de samenhang tussen beide verzoeken, zullen het verzoek van [verzoeker] en het tegenverzoek van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2 Op grond van artikel 1019x lid 1 Rv dient een verzoek als dat van [verzoeker] te worden gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen. Indien de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter. Ingevolge artikel 203 lid 1 Rv heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het door [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] ingestelde tegenverzoek. Nu het geschil tussen partijen een belang van € 5.000,00 te boven gaat en het ongeval [verzoeker] niet is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst, zal de zaak niet door de kantonrechter moeten worden behandeld en beslist. Nu beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard de kantonrechter bevoegd te achten beide verzoeken te behandelen en te beslissen, zal de kantonrechter daarvan (met inachtneming van artikel 96 Rv) ook uitgaan.

4.3 De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil af te wijzen (artikel 1019z Rv). In het onderhavige geval twisten partijen over de vraag welke waarde aan de rapportage van [D] moet worden toegekend en over de vraag of een deskundigenbericht door een orthopedisch chirurg aangewezen is. Met een oordeel over deze vragen kan de thans ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen worden voortgezet.

4.4 De rapportage van [D] (en het daarin aangenomen medisch causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker]) zal als uitgangspunt kunnen dienen voor de buitengerechtelijke afwikkeling van de schade van [verzoeker], indien partijen er naar het oordeel van de deelgeschilrechter ernstig rekening mee moeten houden dat een bodemrechter, indien deze over het geschil over het causaal verband zou moeten oordelen, het causaal verband bewezen zou achten op grond van het deskundigenbericht. De kantonrechter stelt voorop dat de waarde die in een eventuele bodemprocedure aan het deskundigenbericht zal worden toegekend ter discretie staat van de feitenrechter. De bodemrechter zal dan met name acht slaan op het volgende. Het rapport dient antwoord te geven op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechter aan de hand daarvan een oordeel kan vellen over de juridische causaliteit. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn rapport dient evenwel deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert.

4.5 Partijen hebben op 2 november 2009 gezamenlijk opdracht gegeven tot een medische expertise, waarbij overeenstemming bestond over de persoon van de deskundige en de vraagstelling. Door de gezamenlijk aangewezen deskundige is vervolgens onderzoek gedaan en gerapporteerd op dezelfde wijze als het geval zou zijn geweest indien de rechter op verzoek van één van beide partijen een voorlopig deskundigenbericht had gelast. De kantonrechter gaat er, bij gebreke van een andersluidende indicatie, van uit dat beide partijen bij de totstandkoming van de opdracht aan [D] en het daarop volgende onderzoek werden bijgestaan door deskundige raadslieden ([verzoeker] door zijn huidige gemachtigde en [verweerster sub 1] door mr. E. Gerritsen van Andriessen&Geurst). Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de overeenstemming die ten grondslag ligt aan de totstandkoming van de rapportage van [D] mede de inhoud van de tussen partijen geldende procesorde bepaalt in die zin dat een zodanige rapportage op één lijn kan worden gesteld met een door de rechter opgedragen deskundigenbericht. Indien een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de bodemrechter, op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de bodemrechter het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen.

4.6 Van de partij die een deskundigenbericht bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door partijen benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechter besluiten dat hij een dergelijk bericht naast zich neerlegt.

4.7 Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat de rapportage van [D] voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een voorlopig deskundigenonderzoek op basis van de wet. Het rapport van [D] van 12 maart 2010 is voldoende concreet en de relevante feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate betrokken in het onderzoek. [D] heeft duidelijk aangegeven waarop zijn conclusie is gebaseerd, waarbij hij de oordelen van de medici die betrokken zijn geweest bij de behandeling van [verzoeker] heeft meegewogen en heeft verwezen naar de literatuur. Bovendien hebben partijen de gelegenheid gehad naar aanleiding van het rapport aanvullende vragen te stellen, waarop [D], zoals onder meer blijkt uit hetgeen hiervoor onder 2.9 is overwogen, voldoende gemotiveerd heeft gereageerd in het tweede rapport op 14 september 2010. De rapportage is dan ook deugdelijk tot stand gekomen en voldoet in die zin aan de hiervoor onder 4.4 weergegeven criteria.

4.8 Met de bezwaren van [B] tegen de inhoud van de rapportage van [D], zoals weergegeven in zijn adviezen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan het hiervoor onder 4.6 weergegeven criterium voldaan. Hoewel aan de kennis van [B] als voormalig orthopedisch chirurg niet behoeft te worden getwijfeld, kan zijn oordeel, gelet op zijn hoedanigheid van medisch adviseur van [verweerster sub 1], niet als onafhankelijk worden aangemerkt. Bovendien staan tegenover de bezwaren van [B] de oordelen van medisch adviseurs [C] en [E]. In die omstandigheden had het op de weg van [verweerster sub 1] gelegen haar bezwaren tegen de rapportage van [D] nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van een rapport van een andere neuroloog, waarin wordt geoordeeld dat [D] in redelijkheid niet tot zijn conclusies had kunnen en mogen komen. Dat de behandelend neurologen van [verzoeker] niet tot dezelfde conclusie zijn gekomen als [D] is in dat kader, mede gelet op de verklaring die [D] daarvoor heeft gegeven, onvoldoende. Nu een deugdelijke onderbouwing van de inhoudelijke kritiek ontbreekt, is in zoverre geen sprake van voldoende zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de rapportage van [D].

4.9 Voor zover [B] zich - anders dan [D] - op het standpunt stelt dat MRI-onderzoek ook in het huidige stadium nog zinvol is om restafwijkingen als gevolg van doorgemaakt letsel te kunnen aantonen, heeft hij onweersproken gesteld dat die visie is bevestigd door een met name genoemde radioloog. In zoverre is van een deugdelijke onderbouwing van het bezwaar dus wel sprake. De kantonrechter ziet evenwel ook dit in aanmerking nemend desondanks geen aanleiding er ernstig rekening mee te houden dat de bodemrechter de rapportage van [D] terzijde zal stellen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat, nadat partijen hebben gediscussieerd over een eventuele nadere vraagstelling aan [D] in dit kader, die discussie niet is voortgezet. In de brief van 29 november 2010 heeft [verzoeker] verzocht om een nadere onderbouwing van het standpunt van [B] op dit punt en een voorstel gedaan voor een nadere vraagstelling aan [D]. Het had op de weg van [verweerster sub 1] gelegen daarop nader in te gaan. Dat zij dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Daarentegen is wel gebleken dat [verweerster sub 1] vervolgens eenzijdig [D] heeft benaderd en, nadat [D] kenbaar had gemaakt in verband met het bezwaar van [verzoeker] niet tot beantwoording van de nadere vraag te zullen overgaan, niet meer (inhoudelijk) heeft gereageerd op het verzoek van [verzoeker] tot nader overleg.

4.10 Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter geen aanleiding om te verwachten dat een bodemrechter zou oordelen dat de rapportage van [D] met de daarin genoemde conclusies buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het primaire verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat de rapporten van 12 maart 2010 en 14 september 2010 van [D] als bindend uitgangspunt voor [verweerster sub 1], [verweerster sub 2] en [verzoeker] dienen te gelden voor de verdere schaderegeling is daarmee toewijsbaar. Aan de subsidiaire verzoeken komt de kantonrechter niet toe.

4.11 Het voorgaande leidt voorts tot de conclusie dat het tegenverzoek van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] niet toewijsbaar is. Dat oordeel sluit aan bij de onder zaaknummer 1199918 VZ VERZ 11-254 gewezen beschikking, waarin is geoordeeld dat het verzoek van [verweerster sub 1] tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek door een orthopedisch chirurg afstuit op de eisen van een goede procesorde respectievelijk dat [verweerster sub 1] in de gegeven omstandigheden in redelijkheid geen gebruik kan maken van de bevoegdheid een voorlopig deskundigenbericht te verlangen.

4.12 Tenslotte dient de rechter op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking moeten worden genomen. In de memorie van toelichting (31518, nr. 3, p. 4) is op dit punt vermeld dat de deelgeschilprocedure zozeer is verbonden met een afwikkeling buiten rechte, dat de daarvoor gemaakte kosten ook mogen worden beschouwd als kosten van buitengerechtelijke afwikkeling. Het gevolg daarvan is dat deze kosten in beginsel, mits in redelijkheid gemaakt, voor volledige vergoeding door de aansprakelijke partij in aanmerking komen. De rechter dient de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.13 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] de kosten in beginsel in redelijkheid gemaakt. Voldoende gebleken is immers dat tussen partijen een impasse was ontstaan en dat de onderhandelingen zonder een oordeel van de rechter niet zouden kunnen worden voortgezet.

4.14 Ten aanzien van de hoogte van het te hanteren redelijke uurtarief heeft te gelden dat eerst getoetst moet worden of er voorafgaand aan het deelgeschil dat ter beslissing wordt voorgelegd buitengerechtelijke kosten zijn betaald door een aansprakelijke partij. Als dat het geval is dan is er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding om in het kader van de begroting van de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv af te wijken van in dat kader gevorderde en door de aansprakelijke partij geaccepteerde tariefstellingen. Door [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is hierop een beroep gedaan, maar niet gesteld tegen welk tarief eventuele voorafgaand aan het deelgeschil ontstane buitengerechtelijke kosten zijn voldaan. [verzoeker] heeft zich daarover evenmin uitgelaten, zodat de kantonrechter in dit kader geen handvat heeft om tot een redelijk uurtarief te komen.

4.15 De kantonrechter ziet in het voorgaande aanleiding aansluiting zoeken bij het advies van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (verder: ASP-advies). Het door de gemachtigde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief van € 487,30 inclusief kantoorkosten en BTW is, conform het ASP-advies, mede gebaseerd op het veronderstelde financiële belang van de zaak, terwijl daarover nog geen duidelijkheid bestaat. Conform punt 1.4 van bijlage 1 bij het ASP-advies zal de kantonrechter, nu de voorlopige schadeomvang niet vaststaat, het basis uurtarief van € 198,00, vermenigvuldigd met (specialisatie)factor 1,5, vermenigvuldigen met factor 0,8. Dat komt neer op een uurtarief van € 237,60. Vermeerderd met 6% kantoorkosten en 19% BTW levert dat een uurtarief van € 299,71 op, welk uurtarief naar het oordeel van de kantonrechter als redelijk moet worden beschouwd.

4.16 Het door de gemachtigde van [verzoeker] genoemde aantal aan de zaak bestede uren is als volgt opgebouwd:

- opstellen verzoekschrift en correspondentie: 6 uur en 35 minuten;

- opstellen aanvullend verzoekschrift: 1 uur en 30 minuten;

- doornemen verweerschrift, inwinnen van medisch advies en vervaardigen pleitaantekeningen: 4 uur;

- bijwonen zitting: 3 uur.

De kantonrechter zal, conform voorgaande specificatie, die onweersproken is gebleven, uitgaan van een redelijk aantal uren van 12 uur en 5 minuten. Nu de kosten voor het bijwonen van de zitting reeds in de beschikking op het door [verweerster sub 1] ingestelde verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek (conform liquidatietarief) zijn toegewezen, is het niet redelijk die kosten in deze procedure nogmaals mee te nemen. Overigens heeft, anders dan door [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] is aangevoerd, te gelden dat in deze procedure sprake is van afzonderlijke kosten die afzonderlijk kunnen worden begroot.

4.17 Aldus zullen de kosten van de behandeling van het verzoek worden begroot op een bedrag van € 3.621,50, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de onweersproken gestelde kosten voor het medisch advies van [E] ad € 461,53 en het griffierecht ad

€ 71,00.

4.18 Door [verzoeker] is veroordeling van [verweerster sub 1] in voornoemde kosten gevraagd. Nu artikel 1019aa lid 3 Rv bepaalt dat artikel 289 Rv niet van toepassing is, kan de kantonrechter tot die verzochte veroordeling niet overgaan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat de rapporten van 12 maart 2010 en 14 september 2010 van [D] als bindend uitgangspunt voor [verweerster sub 1], [verweerster sub 2] en [verzoeker] dienen te gelden voor de verdere schaderegeling;

begroot de kosten die aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van zijn verzoek zijn gemaakt op € 4.154,03;

wijst het tegenverzoek van [verweerster sub 1] en [verweerster sub 2] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en uitgesproken ter openbare terechtzitting.