Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1529

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
365275 / HA ZA 10-3152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oproeping in vrijwaring. Dagvaarding niet binnen door rechtbank bepaalde termijn. Gevolgen. Ratio vrijwaringsprocedure. Afweging van belangen. Compensatie proceskosten hoewel één partij geheel ongelijk krijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 365275 / HA ZA 10-3152

Vonnis in incident van 6 april 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1],

2. [eiser sub 2],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2],

4. [eiser sub 4],

allen wonende of gevestigd te Panningen,

eisers in vrijwaring,

verweerders in het incident,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CORPORATE FINANCE THE PERFECT MATCH B.V.,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende of gevestigd te Breda,

gedaagden in vrijwaring,

eisers in het incident,

advocaat mr. M. Burgers,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AGAATH VENTURE FUND B.V.,

4. [gedaagde sub 4],

beiden wonende of gevestigd te Deurne,

gedaagden in vrijwaring,

niet verschenen.

Partijen in het incident zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding d.d. 19 oktober 2010, met producties;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- incidentele conclusie van antwoord, met productie;

- akte in het incident, met producties;

- antwoordakte in het incident.

1.2 Tot de producties bij de dagvaarding behoort ook het vonnis van deze rechtbank d.d. 12 mei 2010 in de zaak 344641 / HA ZA 09-3636 (hierna: de hoofdzaak). Bij dit vonnis heeft de rechtbank onder meer aan [eisers] toestemming verleend [gedaagden] in vrijwaring op te roepen tegen de roldatum van 9 juni 2010.

2. Het geschil in het incident

2.1 in het incident vordert [gedaagden] dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vordering in vrijwaring kennis te nemen. Daaraan legt [gedaagden] ten grondslag de opvatting dat de onderhavige procedure niet kan worden beschouwd als vrijwaringsprocedure, nu hij niet in overeenstemming met de instructie van de rechtbank in het onder 1.2 bedoelde vonnis is opgeroepen tegen de roldatum van 9 juni 2010 maar pas is gedagvaard tegen de roldatum van 27 oktober 2010. Op dat moment was het recht om [gedaagden] in vrijwaring op te roepen vervallen. Waar van een vrijwaringsprocedure geen sprake is, kan de dagvaarding hooguit als een gewone dagvaarding worden gezien waarmee dus een afzonderlijke procedure is begonnen. Dat betekent dat de gewone bevoegdheidsregels van toepassing zijn. Toepassing van die regels brengt mee dat niet de rechter te Rotterdam maar die te Breda bevoegd is.

2.2 [eisers] heeft de vordering gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

3. De beoordeling in het incident

3.1 Vast staat dat [eisers] zich niet aan de instructie van de rechtbank in het in 1.2 bedoelde vonnis heeft gehouden. Pas ruim vier maanden later heeft hij [gedaagden] opgeroepen. Tussen partijen staat ter discussie wat hiervan de gevolgen behoren te zijn.

3.2 Op grond van artikel 210 lid 3 Rv bepaalt de rechtbank in het vonnis waarbij de oproeping in vrijwaring wordt toegestaan de datum waarop zowel de hoofdzaak als de zaak in vrijwaring op de rol zullen komen. Op het ongebruikt laten verstrijken van die datum stelt de wet geen sanctie. Onder het tot 1 januari 2002 geldende recht was dat anders, zij het dat de wet toen niet meer bepaalde dan dat in een dergelijk geval onverwijld in de hoofdzaak moest worden voort geprocedeerd. De rechtbank stelt dan ook voorop dat noch onder het oude recht, noch onder het huidige recht de wet op het ongebruikt laten passeren van de door de rechtbank bepaalde oproepingsdatum de sanctie stelt dat in dat geval het recht om een ander in vrijwaring op te roepen definitief is komen te vervallen. Van een fatale termijn is dus geen sprake, zoals [eisers] terecht heeft betoogd.

3.3 [gedaagden] heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 133 lid 4 Rv. Op grond van die bepaling vervalt het recht een bepaalde proceshandeling te verrichten indien zij niet binnen de door de rechter bepaalde termijn is verricht en evenmin uitstel kan worden verkregen. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank echter niet rechtstreeks op de onderhavige kwestie van toepassing. Artikel 133 Rv ziet op de voortgang van een al lopende procedure. Dat blijkt niet alleen uit de tekst ervan, maar ook uit de plaatsing van dit artikel temidden van bepalingen inzake de comparitie na antwoord, conclusies van re- en dupliek en het pleidooi. In het onderhavige geval gaat het echter niet om een al lopende procedure, maar om het (al dan niet tijdig) aanvangen van een nieuwe procedure. Voor een dergelijke situatie is artikel 133 Rv niet bedoeld. Het ongebruikt laten passeren van de oproepingsdatum leidt dus niet reeds op grond van artikel 133 Rv tot het verval van het recht om een vrijwaringsprocedure aanhangig te maken. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [eisers] kennelijk niet voor de door de rechtbank bepaalde oproepingsdatum de rolrechter om uitstel heeft verzocht.

3.4 Het instrument van de vrijwaring dient primair het belang van een efficiënte civiele procesvoering. Een oproeping in vrijwaring heeft immers in beginsel tot gevolg dat de gedaagde in de hoofdzaak tegelijk met zijn veroordeling in die hoofdzaak een executoriale titel tegen de waarborg verkrijgt (artikel 215 Rv). Bovendien wordt met een vrijwaringsprocedure bereikt dat, zo nodig met opzij zetten van de gewone bevoegdheidsregels (artikel 216 Rv), hoofdzaak en vrijwaring door dezelfde rechtbank worden beslist, waarmee tegenstrijdige vonnissen kunnen worden voorkomen. Tegen deze achtergrond moet naar het oordeel van de rechtbank ook het voorschrift van artikel 210 lid 3 Rv worden begrepen, inhoudende dat de rechter bij toewijzing van de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring een datum bepaalt waarop zowel de hoofdzaak als de vrijwaring op de rol zullen komen.

3.5 Het belang gemoeid met een efficiënte procesvoering is niet verdwenen als hoofdzaak en vrijwaring om welke reden ook niet (meer) gelijk oplopen. Artikel 215 Rv voorziet daar uitdrukkelijk in voor het geval beide procedures niet gelijktijdig in staat van wijzen zijn. Ook dan resteert immers nog altijd het belang dat hoofdzaak en vrijwaring in beginsel door dezelfde rechter worden beslist. In geval geen van beide procedures al in staat van wijzen is, maar de ene zaak wel al verder is gevorderd dan de andere, komt daarbij nog dat toekomstige processuele verwikkelingen kunnen meebrengen dat het verschil tussen beide procedures weer wordt goed gemaakt. Dit laatste is relevant voor de onderhavige zaak. De hoofdzaak is immers, zoals [gedaagden] terecht heeft opgemerkt, al gevorderd tot in de tweede schriftelijke ronde. Uit het hiervoor overwogene volgt echter dat dit enkele feit er niet aan afdoet dat er nog altijd belang bij bestaat de onderhavige zaak als vrijwaring te beschouwen.

3.6 Waar de proceseconomie aldus nog onverminderd gediend is met de behandeling van de hoofdzaak en de onderhavige zaak door dezelfde rechter, rijst de vraag of sprake is van belangen aan de zijde van [gedaagden] die zodanig zwaarwegend zijn dat zij het belang van de proceseconomie in de schaduw stellen. De rechtbank heeft die belangen niet in de stukken van [gedaagden] kunnen vinden. Aan de orde is weliswaar het in algemene zin veronderstelde belang van de gedaagde dat zijn zaak wordt behandeld door de rechter van zijn woonplaats, maar dat belang, mede gezien de relatief korte afstand tussen Breda en Rotterdam, is in zijn algemeenheid onvoldoende zwaarwegend. [gedaagden] heeft geen feiten gesteld die maken dat in dit concrete geval aan dat algemene belang bijzonder gewicht toekomt. Andere belangen heeft [gedaagden] niet gesteld. Dat het voor [eisers] ook mogelijk is de zaak tegen [gedaagden] bij een andere dan deze rechtbank aan te brengen, maakt nog niet dat er een rechtens te respecteren belang bestaat bij verwijzing naar die andere rechtbank. In dit verband kan ook worden verwezen naar de ratio van artikel 220 Rv (verwijzing wegens verknochtheid).

3.7 Het voorgaande brengt mee dat de in de onderhavige zaak uitgebrachte dagvaarding moet worden beschouwd als dagvaarding in vrijwaring. Nu de hoofdzaak bij deze rechtbank aanhangig is, leidt artikel 216 Rv ertoe dat deze rechtbank ook in de onderhavige zaak bevoegd is. De incidentele vordering zal dus worden afgewezen.

3.8 Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het volgende. In de onderhavige zaak zijn nog twee partijen betrokken, die evenwel niet zijn verschenen. Zij hebben (dus) geen beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank, zodat de rechtbank bij de huidige stand van zaken ten aanzien van die gedaagden relatief bevoegd is. Uit de inleidende dagvaarding moet worden afgeleid dat de vorderingen jegens alle gedaagden feitelijk met elkaar samenhangen. Op grond van artikel 107 Rv is de rechtbank daarom in beginsel ook bevoegd in het geding tussen [eisers] en [gedaagden] Verwijzing van de zaak tussen deze partijen naar een andere rechtbank, zou ertoe leiden dat de in feitelijk opzicht samenhangende zaken tegen [gedaagden] en de andere gedaagden door verschillende rechters worden behandeld. Ook daarmee is de proceseconomie niet gebaat.

3.9 Het voorgaande betekent dat [gedaagden] in het ongelijk gesteld wordt. Deze beoordeling laat echter onverlet dat [eisers] de incidentele vordering van [gedaagden] in zekere zin zelf heeft veroorzaakt door zich niet te houden aan de instructie van de rechtbank inzake de oproepingsdatum. De rechtbank wijst erop dat [eisers] geen verklaring heeft gegeven voor de (forse) termijnoverschrijding. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [gedaagden] de proceskosten van [eisers] niet behoeft te vergoeden. Iedere partij zal de eigen kosten moeten dragen.

3.10 De zaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

4. De beslising

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 mei 2011 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en uitgesproken in het openbaar.

1980/1729