Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ0992

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
339833 / HA ZA 09-2791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over omvang (gevolg)schade door aanvaringen met motorjachten. Diverse schadeposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 339833 / HA ZA 09-2791

Uitspraak: 30 maart 2011

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VDL PARTICIPATIE B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VDL INDUSTRIAL MODULES B.V.,

beide gevestigd te Eindhoven,

eiseressen tot verificatie,

advocaat mr P.W.H.M. Dijkmans;

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEO KEMP B.V.,

gevestigd te Bemmel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEO KEMP II B.V.,

gevestigd te Bemmel,

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

verweerders tot verificatie,

advocaat mr O.E. Meijer.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken

- proces-verbaal van de op 10 september 2009 gehouden verificatievergadering inzake de

procedure tot beperking van de aansprakelijkheid van verweerders (zaak-/rekestnummer

260414 / HA RK 06-65);

- conclusie van eis van eiseressen tot verificatie, met producties;

- conclusie van antwoord tot verificatie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 april 2010, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 juni 2010 met de daaraan

gehechte brieven.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 19 april 2001 heeft zich in Waalwijk een aanvaring voorgedaan waarbij betrokken waren het binnenschip Waalwijk en een aantal motorjachten: Tityre, Excalibur, Millennium en Wilro, die achter elkaar over stuurboord afgemeerd lagen aan een steiger.

2.2

De Waalwijk is uit koers geraakt en heeft eerst de bakboordzijde van de Tityre geschampt en heeft vervolgens de bakboordachterzijde van de Excalibur geraakt. De Excalibur is hierdoor opgeduwd tegen de achterzijde van de Millennium, die op haar beurt werd opgeduwd en een walkraan en de achterzijde van de Wilro raakte.

2.3

Verweerders 1 en 2 (hierna samen: Neo Kemp) waren toen eigenaar van de Waalwijk en zijn aangesproken voor de schade aan de Excalibur en de Millennium. Belanghebbenden bij de Waalwijk hebben aansprakelijkheid erkend en hebben ter zake van materiële schade aan de Excalibur en de Millennium een bedrag betaald van € 203.462,32.

[gedaagde3] is later eigenaar geworden van de Waalwijk.

2.4

VDL Participatie B.V. (voorheen genaamd M.W. Investments B.V., hierna: MW) en Hoeven Investments B.V. (thans genaamd VDL Industrial Modules B.V., hierna: Hoeven) hebben voor de rechtbank Breda Neo Kemp aangesproken tot betaling van gevolgschade:

€ 474.052,- wegens de aanvaring met de Excalibur en € 986.872,- wegens de aanvaring met de Millennium, te vermeerderen met rente en kosten, terwijl ten aanzien van [gedaagde3] werd gevorderd hem te verplichten om het verhaal op de Waalwijk te gehengen en gedogen.

Bij vonnis van 5 juli 2006 heeft de rechtbank Breda de vorderingen tot schadevergoeding slechts toegewezen tot een bedrag van in totaal € 30.000,-. Van dat vonnis is hoger beroep ingesteld, op welk hoger beroep nog niet is beslist.

2.5

Verweerders hebben in mei 2006 bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend tot beperking van hun aansprakelijkheid ter zake van de aanvaringen in april 2001. Nadat de rechtbank het beperkingsbedrag had bepaald en verweerders fonds hadden gesteld, zijn data bepaald voor het indienen van de vorderingen en verweerschriften en voor de verificatievergadering. Eiseressen hebben vorderingen ingediend, die door verweerders zijn betwist. Op 10 september 2009 heeft de rechter-commissaris partijen ter zake van dit geschil verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure.

3. De vordering

3.1

Eiseressen concluderen tot verificatie van hun vorderingen op het beperkingsfonds

a. voor € 474.052,- met rente vanaf 30 juni 2004 wegens de schade ontstaan door de aanvaring met de Excalibur,

b. voor € 986.872,- met rente vanaf 30 juni 2004 wegens de schade ontstaan door de aanvaring met de Millennium,

c. voor de buitengerechtelijke kosten van eiseressen (inschakelen advocaat en expert),

d. voor de kosten van deze procedure.

3.2

Eiseressen hebben aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

(a) MW is eigenaar van de Millennium en Hoeven is (of was) eigenaar van de Excalibur;

(b) door de aanvaring hebben zij behalve de materiële schade ook gevolgschade geleden; wat betreft de Excalibur is dat € 138.775,- wegens renteschade, € 117.340,- wegens afschrijving, € 204.491,- wegens waardevermindering en € 13.446,- wegens verkoopprovisie, in totaal € 474.052,-;

wat betreft de Millennium is dat € 358.897,- wegens wettelijke rente, € 118.500,- wegens afschrijving, € 448.175,- wegens waardevermindering, € 15.900,- wegens derving huurpenningen en € 45.400,- wegens verkoopprovisie, in totaal € 986.872,-;

(c) Neo Kemp is tevens aansprakelijk voor deze gevolgschade.

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure.

4.2

Verweerders hebben daartoe ten eerste de vorderingsgerechtigdheid van MW en Hoeven betwist en hebben verder de verschillende schadeposten en de hoogte daarvan gemotiveerd bestreden; zij voeren tevens aan dat MW en Hoeven hebben nagelaten de schade zoveel mogelijk te beperken; er was sprake van een extreem lange reparatieperiode en eiseressen hebben zich niet voldoende ingespannen om de schepen te verkopen.

5. De beoordeling

inleiding

5.1

Blijkens de door partijen genomen conclusies is de onderhavige renvooiprocedure in feite een herhaling van de procedure bij de rechtbank Breda, waarbij in de renvooiprocedure kennelijk nauwelijks nieuwe standpunten worden ingenomen of van belang zijnde nieuwe producties in het geding zijn gebracht.

Volgens mededeling van partijen is de tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 5 juli 2006 ingestelde appèlprocedure aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze renvooiprocedure.

uitgangspunt

5.2

Bij de beoordeling van de vorderingen van eiseressen geldt als uitgangspunt dat de eiser die schade heeft geleden die het gevolg is van de aanvaringen zoveel mogelijk wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien de aanvaringen niet zouden hebben plaatsgevonden. Daarbij wordt in beginsel zoveel mogelijk rekening gehouden met de concrete omstandigheden.

Bij aanvaringsschade gaat het in de eerste plaats om vergoeding van de waardevermindering van het aangevaren schip, die in het algemeen wordt gesteld op de reparatiekosten. Daarnaast kunnen gevolgschade, zoals bedrijfsschade, en verschillende kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Tussen aanvaring en de betreffende schadepost dient voldoende causaal verband te bestaan, in die zin dat de schadepost als een gevolg van de aanvaring aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

Vaststaat dat de materiële aanvaringsschade is gerepareerd en dat de kosten daarvan zijn vergoed. Het gaat nu alleen nog om andere schadeposten dan deze reparatiekosten.

vorderingsgerechtigdheid

5.3

Kennelijk stond Hoeven in het kadastrale register geregistreerd als eigenaar van de Excalibur, totdat dit schip in februari 2008 werd verkocht (vgl. conclusie van dupliek in de Bredase procedure onder 4 en de mededelingen bij de comparitie op 8 juni 2010).

Kennelijk stond en staat MW (VDL Participatie B.V.) in het kadastrale register geregisteerd als eigenaar van de Millennium (vgl. mededelingen bij de comparitie op 8 juni 2010).

In het vonnis van de rechtbank Breda wordt onder 3.4 melding gemaakt van diverse stukken die blijkbaar het standpunt van eiseressen ondersteunen dat zij eigenaar waren van de schepen. Deze stukken zijn in deze renvooiprocedure niet overgelegd en Neo Kemp is daarop niet nader ingegaan.

De rechtbank gaat er gelet op het vorenstaande van uit dat in april 2001 en in de periode daarna de Excalibur eigendom was van Hoeven en de Millennium van MW.

5.4

De schades waarvan eiseressen nu vergoeding vorderen zullen naar haar aard worden geleden door de eigenaar van de aangevaren schepen. Verweerders opperen dat deze schade kan zijn verzekerd en dat deze kan zijn vergoed. Concrete aanwijzingen dat dit het geval is geweest ontbreken echter. Blijkbaar waren deze ook niet te vinden in de hiervoor bedoelde stukken in de Bredase procedure, die mede betrekking hadden op de verzekering van de schepen.

De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij en beschouwt eiseressen als vorderingsgerechtigd.

waardevermindering

5.5

Eiseressen vorderen ten aanzien van beide schepen een vergoeding van waardevermindering op basis van een vergelijking van een gestelde waarde die de schepen zonder de aanvaringen zouden hebben gehad ten tijde van de (gestelde) oplevering na reparatie in september 2002 enerzijds en de gestelde werkelijke waarde in oktober 2002 anderzijds, ten bedrage van

€ 448.175,- (Millennium) en € 204.491,- (Excalibur).

5.6

Vaststaat dat de beide schepen na de aanvaringen vakkundig en met zorg zijn gerepareerd.

Volgens eiseressen waren de schepen echter niet geheel onzichtbaar hersteld, waarbij zij verwijzen naar het rapport van Den Drijver Experts B.V. d.d. 6 juli 2004 (prod. 10 bij conclusie van eis; pag. 2/3), waarin staat dat hij bij inspectie van de schepen in december 2003 een aantal, door hem genoemde afwijkingen heeft geconstateerd waaraan was te zien dat schadeherstel had plaatsgevonden.

Verweerders hebben dit tegengesproken, onder verwijzing naar een brief van Expertise-bureau Doorn bv d.d. 25 november 2004 (prod. G2 bij conclusie van antwoord) en een rapport van CV Sander Doeve Jachtmakelaardij en DSA Holland d.d. 1 oktober 2005

(prod. G6 bij conclusie van antwoord).

In de brief van Doorn staat dat hij samen met collega Vos van D. Touw Expertise- en Ingenieursbureau B.V. (ingeschakeld door de belanghebbenden bij de Millennium en de Excalibur) de reparatie heeft gevolgd en besprekingen gevoerd, waarbij zij gezamenlijk een 8-tal inspecties hebben uitgevoerd, en dat tijdens besprekingen over de reparatiemethode altijd werd gekozen voor een wijze waarop absoluut geen waardevermindering zou kunnen optreden. Doorn vermeldt dat hij aan het einde van de reparatie met tegenexpert Vos heeft vastgesteld dat de reparatie goed geslaagd was en dat er h.i. geen waardevermindering was opgetreden.

Eisers hebben geen nadere stukken overgelegd - zoals een verklaring van expert Vos - ten aanzien van het al dan niet onzichtbare herstel direct na de reparaties. In het rapport van

Den Drijver en in diens latere brief van 21 december 2004 wordt aan de door deze expert genoemde afwijkingen geen bedrag wegens waardevermindering verbonden.

Mede in aanmerking genomen dat de door Den Drijver genoemde afwijkingen van (duidelijk) ondergeschikte betekenis lijken, acht de rechtbank een concrete, op geld gewaardeerde waardevermindering doordat de schade niet geheel onzichtbaar was hersteld onvoldoende onderbouwd.

5.7

Daarnaast zijn partijen het erover oneens of ook bij een vakkundige en onzichtbare reparatie sprake is van waardevermindering wegens het schadeverleden van het schip, als "psychologische schade". Volgens eiseressen was dit hier inderdaad het geval. Dat is betwist door verweerders, die daarbij nog verwijzen naar een bericht van J. de Bruin (van ANWB d.d. 26 mei 2004, prod. 13 bij conclusie van eis).

5.8

De rechtbank Breda heeft het bestaan van een dergelijke waardevermindering aannemelijk geacht en deze voor elk van beide schepen geschat op een bedrag van € 15.000,-.

Daarbij werd aansluiting gezocht bij hetgeen was vermeld in de voornoemde brief van Doorn dat de gerepareerde schade een psychologische waardevermindering ten gevolge kon hebben, welke bij een eventuele verkoop van de schepen maximaal € 15.000,- zou zijn voor beide schepen. Doorn vermeldt dat dit bedrag ook door Doeve werd genoemd.

Noch in het rapport en de brief van Den Drijver, noch in de overgelegde stukken van Jachtmakelaardij De Valk B.V. Loosdrecht wordt enig (ander) bedrag genoemd wegens waardevermindering in verband met het enkele schadeverleden van de schepen.

Ook eiseressen stellen geen concrete bedragen.

Gelet hierop sluit de rechtbank zich aan bij de hiervoor genoemde schatting van deze waardevermindering door de rechtbank Breda van tweemaal € 15.000.-.

5.9

Voor zover de gevorderde waardevermindering niet ziet op de eigenlijke, al dan niet "psychologische" aanvaringsschade, zoals hiervoor bedoeld, maar op een waardevermindering die de schepen zouden hebben ondergaan tijdens en door de reparatieperiode, gaat het kennelijk (vgl. conclusie van eis onder 25) om afschrijving. Daarvoor wordt verwezen naar wat hieronder wordt overwogen onder 5.16.

verkoop Millennium

5.10

Eiseressen hebben gesteld - en verweerders hebben gemotiveerd betwist - dat de Millennium op 19 april 2001, vlak vóór de aanvaring, was verkocht aan [persoon1]. Ten bewijze daarvan legden eiseressen een brief over van [persoon1] d.d. 27 april 2001 (prod. 4 bij conclusie van eis). Daarin legt [persoon1] naar zijn zeggen de gang van zaken omtrent de geplande aankoop van de Millennium vast. In het kort staat er dat [persoon1] zoekende was naar een vervangend schip voor zijn eigen jacht, de Equinox Star, dat een maand geleden op zee verloren ging, dat hij vervolgens op 19 april 2001 een proefvaart op de Millennium heeft gemaakt en enthousiast raakte over dit schip en dat hij vervolgens met [persoon2] van VDL Shipyards een koopprijs overeenkwam van NLG 3.750.000,-; toen hij enkele uren later over de aanvaring hoorde, had [persoon1] meegedeeld dat hij zich niet langer gebonden achtte aan de principe-overeenkomst die zij eerder die dag sloten.

Nadat verweerders erop hadden gewezen dat de Millennium op 19 april 2001 niet door de sluis in Waalwijk was gegaan, zodat geen sprake kon zijn geweest van een proefvaart, hebben eiseressen een nadere brief van [persoon1] overgelegd (uit 2005 ?; prod. 16 bij conclusie van eis) waarin staat dat hij de Millennium al kende van een eerdere proefvaart die hij destijds maakte van IJmuiden naar Waalwijk.

Niet is vermeld, noch is door eiseressen gesteld wanneer deze eerdere proefvaart had plaatsgevonden. In hun pleitnota in de Bredase procedure (onder 22) verwijzen verweerders naar een verslag van Dirk Peeters waaruit zou blijken dat die eerdere proefvaart al twee jaar eerder had plaatsgevonden (dat verslag is overigens in deze renvooiprocedure niet overgelegd). Verweerders hebben verder nog een kadastraal bericht overgelegd waaruit blijkt dat de Equinox Star op 23 december 2005 nog steeds stond geregistreerd op naam van [persoon1].

5.11

Het vorenstaande roept de vraag op of werkelijk op 19 april 2001 de gestelde koopovereenkomst met betrekking tot de Millennium is totstandgekomen. Eiseressen hebben in deze renvooiprocedure echter geen nadere informatie gegeven, met name niet ten aanzien van de door verweerders genoemde punten. In het licht daarvan acht de rechtbank de stellingname van eiseressen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat leidt ertoe dat eiseressen niet zullen worden toegelaten tot bewijslevering en dat de rechtbank ervan uitgaat dat de Millennium niet aan [persoon1] was verkocht.

renteschade

5.12

Eiseressen vorderen ten aanzien van beide schepen vergoeding van wettelijke rente over de gestelde verkoopwaarde van de schepen over de periode van april 2001 tot september 2004, ten bedrage van € 358.897,- (Millennium) en € 138.775,- (Excalibur), nog verder te vermeerderen met rente. Als enige toelichting hierop wordt gesteld (conclusie van eis onder 34) dat eiseressen dit renteverlies [deze rente] derven doordat beide schepen als gevolg van de onrechtmatige daad zijdens verweerders tot op heden niet zijn verkocht.

5.13

Indien eiseressen daarmee willen stellen dat de schepen zonder de aanvaringen al in april 2001 zouden zijn verkocht, moet dit standpunt worden verworpen. Als hiervoor vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de Millennium niet aan [persoon1] was verkocht. Dat de Excalibur in april 2001 was of zou worden verkocht is niet gesteld.

Kennelijk is de Millennium nu nog steeds niet verkocht en is de Excalibur pas in 2008 verkocht. Niet is toegelicht, noch is aannemelijk dat de schepen niet konden worden verkocht als gevolg van de aanvaringen. Dat geldt ook voor de periode tussen de aanvaringen en de voltooiing van de reparaties, reeds omdat onvoldoende concrete feiten zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat eiseressen de schepen in die periode te koop hadden willen aanbieden en - zonder de aanvaringen en de reparaties - daadwerkelijk te koop zouden hebben aangeboden. In dat verband is mede van belang dat niet aan de hand van concrete feiten aannemelijk is gemaakt dat eiseressen de schepen na de reparatieperiode actief te koop hebben aangeboden.

De renteschade is niet toewijsbaar.

afschrijving

5.14

Eiseressen vorderen ten aanzien van beide schepen een vergoeding wegens afschrijving over de periode van april 2001 tot september 2002 (het gestelde einde van de reparaties), ten bedrage van € 118.500,- (Millennium) en € 117.340,- (Excalibur). Ter toelichting hierop is ten aanzien van de Millennium gesteld dat dit schip in april 2001 verkocht was en dat, indien deze koop niet was ontbonden, deze kosten niet voor rekening van eiseressen waren gekomen (vgl. conclusie van eis onder 21 en 38). Ten aanzien van beide schepen is aangevoerd dat gedurende de reparatieperiode afschrijvingskosten zijn gemaakt, dat de waarde van de schepen in die tijd is verminderd, zoals door veroudering en dat, indien de schepen waren verkocht en de koopsom was ontvangen, er geen afschrijving was geweest (vgl. conclusie van eis onder 35 t/m 38).

5.15

Uit het voorgaande blijkt dat bij de begroting van de schade geen rekening behoort te worden gehouden met een verkoop van (één van) de schepen in de betreffende periode.

Bij gebreke van verkoop zouden de lasten van de schepen - waaronder een eventuele afschrijving - ook zonder de aanvaringen voor rekening van eiseressen zijn gekomen.

5.16

Voor zover het bij de gestelde afschrijving gaat om een gewone vermindering van de waarde van een schip in de periode tussen de aanvaringen en de oplevering na reparatie, dus kennelijk door louter tijdsverloop, onafhankelijk van het gebruik dat eventueel van het schip wordt of had kunnen worden gemaakt, is niet duidelijk waarom deze vorm van waardevermindering zou zijn veroorzaakt doordat de schepen werden gerepareerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze waardevermindering dan ook niet worden beschouwd als het gevolg van de aanvaringen, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daaruit volgt dat de duur van de reparatieperiode niet van belang is voor de omvang van de schadevergoeding. Niettemin wordt daarover nog het volgend opgemerkt.

5.17

Ten aanzien van de duur van de reparatieperiode bestaat tussen partijen geschil over de vraag of eiseressen de schade zo snel mogelijk hebben laten repareren en aan wie het is toe te rekenen dat het ruim een jaar heeft gekost voordat de reparaties waren uitgevoerd (partijen zijn het erover eens dat deze niet duurden tot september 2002 maar tot mei/juni 2002).

Het lag op de weg van eiseressen om te zorgen voor reparatie van de aanvaringsschade.

Uit hetgeen in de procedure over en weer is aangevoerd en aan stukken is overlegd kan worden opgemaakt dat in april 2001 een offerte werd verkregen van The Shipbuilding Company in Waalwijk die de schepen zou repareren. Deze werf is echter niet met het werk begonnen en heeft de opdracht in november 2001 teruggegeven. Niet duidelijk is waarom dat pas in november 2001 gebeurde. Toen moest worden omgezien naar een andere reparatiewerf. Eerst werd Moonen Shipyards benaderd, die begin december 2001 een begin maakte met het werk, doch op verzoek van de expert van Neo Kemp is aan enkele andere werven offerte gevraagd. De offerte van Engelaer Scheepsbouw B.V. van 17 december 2001 is door eiseressen niet geaccepteerd omdat er sprake van was dat deze werf haar bedrijf zou gaan staken. Vervolgens is het werk toch uitgevoerd door Moonen, zij het als "stopwerk" waardoor de reparatie langer duurde. Vaststaat dat de werf van Engelaer - die het werk in 56 dagen zei te kunnen uitvoeren - pas in 2003 is gesloten. Eiseressen hebben niet voldoende onderbouwd dat zij terecht hebben afgezien van Engelaer vanwege een reëel risico dat deze haar verplichtingen uit de reparatieopdracht niet zou nakomen.

De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank Breda (onder 3.8) dat eiseressen de lange reparatieduur aan zichzelf te wijten hebben en dat deze niet kan worden toegerekend aan Neo Kemp. Daaraan doet niet af dat de expert van Neo Kemp in december 2001 wenste dat nadere offertes zouden worden gevraagd, noch dat deze zou hebben ingestemd met reparatie door Moonen als "stopwerk".

5.18

Voor zover eiseressen bij hun vordering het oog mochten hebben op vergeefs gemaakte kosten of het missen van het gebruik van de schepen (vgl. conclusie van eis onder 102) kan het volgende worden overwogen.

Uit hetgeen door eiseressen naar voren is gebracht blijkt dat de Millennium en de Excalibur waren gebouwd op een aan MW en Hoeven gelieerde werf, VDL Shipyards en/of The Schipbuilding Company te Waalwijk, alsmede dat de Millennium sporadisch werd gebruikt als promotie-/demonstratieschip op een beurs (boat-show in IJmuiden en Düsseldorf; om te laten zien wat de werf kon bouwen) en daarnaast (zeer) incidenteel voor privé-gebruik door de familie Van der Leegte. Kennelijk werden de schepen voor het overige niet gebruikt.

Ten aanzien van de Excalibur is ter comparitie verklaard dat Hoeven het schip van de werf had gekocht, zodat de werf daar geld voor kreeg en verder kon.

Niet is gesteld of gebleken dat MW en Hoeven de schepen van de bouwwerf hadden gekocht om deze te gebruiken - afgezien van het hiervoor aangeduide incidentele gebruik. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat eiseressen door de aankoop van de schepen uitgaven hebben gedaan om de schepen tijdens de bedoelde reparatieperiode te kunnen gebruiken en dat zij dit gebruik als gevolg van de aanvaringen moesten missen.

Eiseressen hebben evenmin feiten aangevoerd waaruit blijkt dat zij tijdens die periode kosten hebben moeten maken ter vervanging van die gebruiksmogelijkheden.

5.19

Een en ander leidt ertoe dat de gestelde afschrijvingskosten niet kunnen worden beschouwd als vermogensschade die aan verweerders kan worden toegerekend als gevolg van de aanvaringen. Deze kosten zijn daarom niet toewijsbaar.

derving huurpenningen

5.20

Ter zake van de aanvaring van de Millennium vordert MW wegens gederfde huurpenningen een bedrag van € 15.900,-. Daartoe heeft zij gesteld dat de Millennium op 27 februari 2001 voor onbepaalde tijd was verhuurd aan [persoon3] namens VDL Groep, zoals blijkt uit een voor akkoord ondertekende brief van die datum (productie 3 bij conclusie van eis).

5.21

In deze brief staat - kort samengevat - dat VDL Groep de Millennium minimaal zes weken per jaar zou huren voor NLG 5.000,- per week en dat de betreffende weken tijdig in onderling overleg zouden worden vastgesteld.

Vaststaat dat op 19 april 2001 nog niet duidelijk was wanneer het schip door VDL Groep zou worden gebruikt. VDL Groep behoort tot dezelfde groep van vennootschappen als MW. MW heeft niet weersproken dat de brief is opgesteld om fiscale redenen.

5.22

Eiseressen hebben - ondanks de gemotiveerde betwisting door verweerders, die onder meer betwijfelden dat werkelijk sprake was van een huurovereenkomst en gederfde huurpenningen - geen enkele nadere informatie verstrekt, met name ten aanzien van het gebruik dat VDL Groep van de Millennium wilde gaan maken. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank deze schadepost onvoldoende onderbouwd, zodat deze niet toewijsbaar is.

verkoopprovisie

5.23

Eiseressen vorderen ten aanzien van beide schepen een verkoopprovisie voor de makelaar over een verkoopwaarde van de schepen, ten bedrage van € 45.400,- (Millennium) en

€ 13.446,- (Excalibur). Ter toelichting is gesteld dat inschakeling van een makelaar noodzakelijk was geworden gezien de teruggelopen vraag naar luxe motorjachten.

5.24

Deze schadeposten zijn niet toewijsbaar, reeds omdat niet nader is toegelicht en ook niet aannemelijk is dat als gevolg van de aanvaringen en de reparaties inschakeling van een makelaar voor de verkoop van de schepen noodzakelijk was geworden en dat daartoe ook werkelijk is overgegaan.

buitengerechtelijke kosten

5.25

Eiseressen maken aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, echter zonder deze nader te specificeren en te onderbouwen. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

slotsom

5.26

Geconcludeerd moet worden dat de rechtbank zich in zoverre verenigt met het oordeel van de rechtbank Breda in haar vonnis van 5 juli 2006 dat de vordering van ieder van de eiseressen op Neo Kemp niet meer bedraagt dan € 15.000,-. Alleen wordt de ingangsdatum van de wettelijke rente over deze abstract begrote schadeposten gesteld op 19 april 2001.

Nu eiseressen in deze renvooiprocedure grotendeels in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna te vemelden.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart dat de vordering van ieder van de eiseressen op Neo Kemp een bedrag beloopt van € 15.000,- met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2001;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10/1278