Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ0459

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
274703 / HA ZA 06-3441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van in België gelegen woning wegens inbreuk op eigendomsrecht. Rechtbank onbevoegd op grond van art. 22 EEX-Vo. Vordering heeft geen betrekking op testamenten en erfenissen als bedoeld in artikel 1, lid 2 onder a EEX-Vo, zodat EEX van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 274703 / HA ZA 06-3441

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats]

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M. Elmers,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.W. de Haij.

Gedaagde in conventie, eiser in reconventie, blijft hierna aangeduid als [gedaagde].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 april 2010,

- de conclusie na tussenvonnis, tevens akte schorsing rechtsgeding, van [X] (hierna: moeder) d.d. 19 mei 2010,

- de conclusie na tussenvonnis van [gedaagde] d.d. 2 juni 2010,

- brief van de griffier (namens de rolrechter) d.d. 17 juni 2010,

- dagvaarding d.d. 8 september 2010 aan de zijde van eisers, waarbij [gedaagde] is opgeroepen het geding te hervatten,

- brief van de griffier (namens de rechtbank) d.d. 14 februari 2011.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank de conclusie na tussenvonnis van [gedaagde] d.d. 2 juni 2010 beschouwd te zijn genomen na hervatting van de procedure.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

in conventie

Bij tussenvonnis van 7 april 2010 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie aan de zijde van moeder teneinde zich uit te laten over hetgeen in 7.4 en 7.5 van het tussenvonnis is overwogen. Die overwegingen luiden:

7.4 De vordering in conventie tot ontruiming van de woning is gegrond op een naar de stelling van moeder onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht. Deze vordering strekt ertoe de rechthebbende (moeder) van de aan haar titel (eigendom) verbonden bevoegdheden (exclusiviteit) te verzekeren en betreft om die reden een vordering waarop artikel 22 EEX-Vo van toepassing is. Voor de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat geldt dat om vast te kunnen stellen of moeder recht heeft op vergoeding van schade, welke naar zij heeft gesteld het gevolg is van de door [gedaagde] gemaakte inbreuk op haar eigendomsrecht, de rechtbank dient te onderzoeken of de inbreuk heeft plaatsgevonden. Die bevoegdheid komt de rechtbank niet toe. Ten aanzien van de vordering tot benoeming van een Belgische makelaar geldt hetzelfde. Deze vordering is slechts toewijsbaar indien de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht komt vast te staan en [gedaagde] op die grond gehouden is de woning te verlaten.

7.5 Bij het voorgaande dient nog in aanmerking te worden genomen dat de beslissing van de rechter in deze zaak effect zal moeten sorteren ter plaatse van ligging van de woning. De beslissing zal aldaar voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar moeten zijn.

In de conclusie na tussenvonnis is zijdens moeder aangevoerd dat de EEX-Vo niet van toepassing is, omdat de onroerende zaak tot de huwelijksgoederengemeenschap van moeder en haar vooroverleden echtgenoot [Y] (hierna: vader) behoorde, de betreffende onroerende zaak na het overlijden van vader en moeder tot hun onverdeelde nalatenschap behoort en over de verdeling van die nalatenschap een andere procedure bij deze rechtbank loopt.

[gedaagde] heeft betwist dat het onderhavige geschil van toepassing van de EEX-Vo is uitgesloten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1, lid 2 onder a EEX-Vo zijn de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen van toepassing van de EEX-Vo uitgesloten. In de rechtspraak is uitgemaakt dat onder het uitgezonderde onderwerp testamenten en erfenissen onder andere kwesties over de formele geldigheid en de inhoud van het testament, de berekening der erfdelen, de legitieme en kwesties rond inbreng en inkorting van door de erflater gedane schenkingen, uitkering van legaten en lasten (ongeacht hun aard), geschillen over de boedelscheiding, benoeming van onzijdige personen ( art. 3:181 BW), benoeming van een vereffenaar van een onbeheerde nalatenschap (art. 4:204 lid 1 sub a BW) en geschillen over de successierechten vallen, alsmede geschillen tussen erfgenamen onderling over een door één van hen aan een derde verkocht goed dat in de onverdeelde nalatenschap valt. Geschillen tussen erfgenamen enerzijds en een derde koper anderzijds over de door de erfgenamen gezamenlijk (of door één van hen met toestemming van de andere erfgenamen) verkochte goederen zijn niet uitgezonderd. Evenmin zijn uitgezonderd geschillen tussen erfgenamen en de koper over een koopovereenkomst die de erflater vóór zijn overlijden is aangegaan, ook niet als die koper eveneens erfgenaam is.

De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van voormelde onderwerpen die van toepassing van de EEX-Vo zijn uitgesloten. Moeder heeft ontruiming, schadevergoeding en benoeming van een makelaar gevorderd. Deze vorderingen zijn gegrond op onrechtmatige daad. Moeder heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] de woning en de zich daarin bevindende zaken zonder haar toestemming onder zijn beheer heeft genomen en dat hij de woning zonder recht of titel bewoont. Weliswaar was moeder enig erfgenaam van vader en maakte de woning ten tijde van het instellen van de vordering door moeder deel uit van de nalatenschap van vader, doch deze omstandigheden brengen op zichzelf noch in onderlinge samenhang mee dat de vordering het testament of de erfenis van vader betreft als bedoeld in artikel 1 EEX-Vo. [gedaagde] heeft zijn verweer evenmin gegrond op een erfrechtelijke aanspraak op (een deel van) de nalatenschap van vader. Hij heeft betwist dat hij zonder instemming van zijn ouders de woning bewoont en heeft daarbij een beroep gedaan op een vóór het overlijden van vader met vader gesloten koopovereenkomst. Dat ook moeder inmiddels is overleden en dat eisers - als (drie van de vier) erfgenamen van moeder - op eigen naam de procedure tegen (de vierde erfgenaam) [gedaagde] hebben voortgezet doet aan het voorgaande niet af.

De omstandigheid dat over de verdeling van de nalatenschap van vader en moeder een procedure bij deze rechtbank aanhangig is, creëert op zichzelf geen rechtsmacht voor de Nederlandse rechter voor het onderhavige geschil.

Het voorgaande betekent dat het geschil niet van toepassing van de EEX-Vo is uitgesloten en dat artikel 22 EEX-Vo dus onverkort van toepassing is. Zoals in het tussenvonnis is overwogen komt aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren van het geschil kennis te nemen.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 248,00

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.830,00

in (voorwaardelijke) reconventie

De voorwaarde waaronder [gedaagde] de vordering heeft ingesteld is niet vervuld. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling daarvan.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van verweerders worden begroot op nihil.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen,

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.830,00,

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van verweerders tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.