Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9980

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
307736 / HA ZA 08-1306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale handelskoop. Verzendingskoop. Uitleg 'cash against documents'-beding in de koopovereenkomst. Weens Koopverdrag (CISG). Artikel 8 CISG. Eigendomsvoorbehoud.

In beginsel levert het onderhavige CAD-beding, vanwege de daarin opgenomen verplichting tot gelijk oversteken, een eigendomsvoorbehoud op, in die zin dat zolang de koper de koopprijs niet heeft voldaan, hij geen eigenaar wordt van de verkochte in het betreffende aan hem overhandigde cognossement belichaamde zaak. Wegens het leverings- c.q. prijsbepalingsbeding CFR (of FOB) en de omstandigheid dat de partijen sojaolie bestemd waren voor aflevering in een ander land dan Argentinië (vestigingsland van de verkoper) of Nederland (vestigingsland van de koper), wist de verkoper bij het aangaan van de koopovereenkomsten dat zij noch de koper vanaf het moment van inlading in het zeeschip feitelijke macht zou hebben over de partijen sojaolie. Die wetenschap was eens te meer aanwezig bij de uitvoering van de koopovereenkomsten toen de verkoper de zeevervoerders de cognossementen aan order liet uitstellen waarop zijzelf “on behalf of’” de koper werd vermeld en een derde als “notify party”. Uit de gedraging van de verkoper door met de “documents” de aldus uitgestelde cognossementen aan haar toe te zenden, terwijl de partijen sojaolie vertrokken naar andere landen, heeft de koper mogen afleiden dat de verkoper stilzwijgend toestemming aan haar gaf om de vanwege het CAD-beding onder eigendomsvoorbehoud geleverde partijen sojaolie aan haar kopers door te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 307736 / HA ZA 08-1306

Vonnis van 2 maart 2011

in de zaak van

de vennootschap naar Argentijns recht

NIDERA S.A.,

gevestigd te Buenos Aires, Argentinië,

eiseres,

advocaat mr. J.G. Princen,

tegen

mr. [gedaagde1]

zowel in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALGEMENE OLIEHANDEL B.V. als in persoon,

kantoorhoudende te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. O.E. Meijer.

Partijen zullen hierna Nidera en [gedaagde1] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 april 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- akte na tussenvonnis van Nidera, met zeven producties

- nadere akte van [gedaagde1], met vijftien producties

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 januari 2010;

- het faxbericht d.d. 16 februari 2010 van de advocaat van [gedaagde1] aan de rechtbank.

2. De verdere beoordeling

2.1. Tijdens de comparitiezitting hebben partijen ingestemd met het volgende, in het proces-verbaal opgenomen, stappenplan ten aanzien van de wijze waarop de onderhavige zaak zal worden behandeld - aangehaald voor zover in dit verband van belang:

“1) eerst zal de rechtbank een beslissing geven over de vraag welk recht van toepassing is ten aanzien van de uitleg van het CAD-beding op zichzelf - afgezien van het door [gedaagde1] gestelde gebruik tussen Nidera en AOH - en ten aanzien van de goederenrechtelijke gevolgen van het uitgelegde CAD-beding […];

2) voor zover de rechtbank in dat tussenvonnis zal concluderen dat ander recht dan het Nederlandse van toepassing is, zal de rechtbank partijen de gelegenheid geven zich vervolgens uit te laten over de wijze waarop dat recht moet worden gevonden;

3) met inachtneming van die uitlatingen van partijen zal de rechtbank vervolgens een beslissing geven op de vraag of het CAD-beding op zichzelf naar het toepasselijke recht de strekking van een eigendomsvoorbehoud heeft; in bevestigend geval zal de rechtbank partijen vervolgens in de gelegenheid stellen, om te beginnen partij [gedaagde1], zich nader uit te laten over de stelling van [gedaagde1] dat door het gebruik tussen AOH en Nidera het eigendomsvoorbehoud geen werking heeft gehad, dan wel haar werking heeft verloren;

4) eerst indien daarna zal zijn beslist dat Nidera ten opzichte van [gedaagde1] per 11 april 2006 (wel) aanspraak op eigendomsvoorbehoud kon doen gelden, zal de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde1] verder aan de orde komen”.

2.2. Partijen twisten over de uitleg van het CAD-beding in tien koopovereenkomsten tussen Nidera en AOH betreffende partijen sojaolie, waarvan de eerste is gesloten op 12 juli 2005 en de tiende op 21 februari 2006, en over de rechtsgevolgen van dat beding, waarbij Nidera de koopdocumenten toezond aan AOH, maar AOH de koopprijzen niet volledig betaalde.

Volgens Nidera is het CAD-beding afkomstig uit de Engelse rechtssfeer en wordt dit beding wereldwijd eenduidig uitgelegd, namelijk in die zin dat de eigendom van de documenten, waaronder het de verkochte goederen belichamende cognossement, bij de verkoper blijft zolang de koper niet heeft betaald, derhalve een eigendomsvoorbehoud. [gedaagde1] heeft een en ander gemotiveerd betwist. Primair voert hij aan dat het CAD-beding geen eigendomsvoorbehoud behelst, maar slechts het moment van betaling regelt. Subsidiair voert [gedaagde1] aan dat het CAD-beding tussen Nidera en AOH niet de strekking van een eigendomsvoorbehoud had wegens het bestaande gebruik dat AOH met medeweten van Nidera al over de documenten beschikte voordat zij aan Nidera betaalde. Nidera wist immers dat zij betaald kreeg uit de door AOH gerealiseerde opbrengsten, aldus [gedaagde1].

2.3. Het CAD-beding waar het in deze zaak om gaat, luidt als volgt:

“Payment: CAD”

“Payment condition: Cash against documents”.

Niet in geschil is dat dit beding is opgenomen in alle bevestigingen door AOH en Nidera van hun koopovereenkomsten die ten grondslag liggen aan de vorderingen van Nidera. Naast het CAD-beding bevatten al die bevestigingen leveringsbedingen, zoals “cost and freight”, “CFR” en “free on board”. Gesteld noch gebleken is dat de koopovereenkomsten andere relevante bedingen bevatten.

2.4. Op de koopovereenkomsten tussen Nidera en AOH is van toepassing het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 (Weens Koopverdrag of CISG), nu beide partijen - verkoper en koper - gevestigd zijn in verschillende staten - Argentinië respectievelijk Nederland - die beide partij zijn bij het verdrag (artikel 1 lid 1 onder a CISG) en gesteld noch gebleken is dat partijen door middel van een rechtskeuze toepasselijkheid van de CISG op hun koopovereenkomsten hebben uitgesloten (zie artikel 6 CISG).

2.5. De CISG bevat in Hoofdstuk I van deel I regels inzake de uitleg van de bepalingen van de koopovereenkomst. Voor de toepasselijkheid van deze uitlegregels is niet van belang of de aan uitleg onderworpen bepalingen van de koopovereenkomst (mede) onderwerpen betreffen die niet worden beheerst door de CISG. De omstandigheid dat de CISG geen betrekking heeft op eigendomsoverdracht en derhalve geen regels bevat over de goederenrechtelijke aspecten van een eigendomsvoorbehoud staat niet in de weg aan de toepasselijkheid van de CISG op de verbintenisrechtelijke uitleg van het CAD-beding.

Het bovenstaande betekent dat het CAD-beding moet worden uitgelegd aan de hand van de CISG en dat voor de toepasselijkheid van nationaal intern recht, zoals het Argentijnse recht, geen ruimte meer is. Voor zover Nidera zich op het standpunt stelt dat het CAD-beding een rechtskeuze inhoudt voor Engels recht omdat dit beding afkomstig is uit de Engelse rechtssfeer, gaat dit standpunt om dezelfde reden niet op.

2.6. Artikel 8 CISG luidt als volgt:

1. Voor de toepassing van dit Verdrag dienen verklaringen afgelegd door en andere gedragingen van een partij te worden uitgelegd in overeenstemming met haar bedoeling, wanneer de andere partij die bedoeling kende of daarvan niet onkundig kon zijn.

2. Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, dienen verklaringen afgelegd door, dan wel andere gedragingen van een partij te worden uitgelegd overeenkomstig de zin die een redelijk persoon van gelijke hoedanigheid als de andere partij in dezelfde omstandigheden hieraan zou hebben toegekend.

3. Bij het bepalen van de bedoeling van een partij of de zin die een redelijk persoon daaraan zou hebben toegekend, dient naar behoren rekening te worden gehouden met alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de onderhandelingen, eventuele handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn, gewoonten en alle latere gedragingen van partijen.

2.7. De rechter die moet oordelen over de uitleg van bepalingen van een overeenkomst is daarbij in beginsel niet gebonden aan de door partijen verdedigde wijzen van uitleg; hij mag deze bepalingen ook op een andere wijze uitleggen, tenzij partijen hebben betoogd dat slechts uit de door hen verdedigde interpretaties gekozen mag worden, dan wel dat beide partijen een bepaalde uitleg hebben uitgesloten (zie HR 23 juni 1995, rov. 3.4.3; LJN ZC1770; NJ 1996, 566). Geen van deze uitzonderingen doet zich hier voor.

2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat met de woorden “cash against documents”, waarvan “CAD” de (gebruikelijke) afkorting is, uitdrukking wordt gegeven aan de verplichting van de koper om de overeengekomen koopprijs te betalen ten tijde en ter plaatse van de overhandiging aan hem van de de verkochte goederen betreffende documenten, waaronder het cognossement, en de verplichting van de verkoper om ten tijde en ter plaatse van de betaling van de overeengekomen koopprijs die documenten te overhandigen aan de koper, kort gezegd: gelijk oversteken. Nu het hier, zoals bij documentenkoop overigens gebruikelijk, een transactie betreft waarbij verkoper en koper (in verschillende landen gevestigd zijn en) elkaar niet ontmoeten om de prestaties gelijk over te steken en vast staat dat Nidera de documenten telkens aan AOH heeft toegezonden en dat AOH niet telkens op hetzelfde tijdstip dat Nidera de documenten aan haar toezond de betreffende koopprijs aan Nidera betaalde, dient tegen die achtergrond aan de hand van de maatstaven van artikel 8 CISG de vraag beantwoord te worden welke verbintenissen voor ieder van partijen uit het CAD-beding voortvloeien. Een van de maatstaven van artikel 8 CISG houdt in dat bij de uitleg acht moet worden geslagen op alle feiten en omstandigheden van het geval.

2.9. Ten behoeve van deze uitleg stelt de rechtbank de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende betwist.

2.10. Bij de onderhavige koopovereenkomsten gaat het steeds om contracten waarbij Nidera partijen sojaolie aan AOH verkocht met als leverings- of prijsbepalingsbedingen de Incoterms “CFR”, “cost and freight” of “free on board”, met vermelding van een andere plaats dan de vestigingsplaatsen van Nidera of AOH. Het betreft daarom, daarover zijn partijen het ook eens, overeenkomsten van documentenkoop waarbij Nidera en AOH overeenkwamen dat Nidera de verkochte zaken aan boord diende te brengen van het door Nidera (bij free on board: door AOH, dan wel door Nidera ten behoeve en voor rekening van AOH) geboekte zeeschip ten vervoer naar de tussen Nidera en AOH overeengekomen bestemming. Het gaat dus steeds om aflaadcontracten.

De rechtbank merkt op dat Nidera in haar bevestigingen steeds “CFR” als prijsbepalings- c.q. leveringsbeding heeft vermeld, maar AOH soms “cost and freight” – dat hetzelfde is – en soms “free on board” Uit de (alle als productie 1 door Nidera) overgelegde koopdocumenten valt af te leiden dat Nidera telkens op basis CFR heeft gefactureerd en de cognossementen dienovereenkomstig (“freight prepaid”) heeft doen opmaken. Voor zover het verschil tussen FOB en CFR al een rol zou kunnen spelen, lijkt zich dat in de onderhavige zaak niet voor te doen.

In alle gevallen lag de overeengekomen en op de cognossementen vermelde bestemmingshaven (Luanda, Angola; Tema, Ghana; St. George’s, Grenada) niet in Argentinië of in Nederland.

2.11. Partijen gaan ervan uit dat elk van de litigieuze cognossementen aan order is uitgesteld; de rechtbank volgt hen daarin. Telkens staat in de cognossementen als afzender (“shipper”) vermeld: “Nidera S.A. on behalf of Algemene Oliehandel B.V.”. De in de cognossementen vermelde ‘Notify Party’ is een andere partij dan Nidera of AOH, namelijk een in het betreffende bestemmingsland gevestigde partij.

2.12. Nidera heeft ter voldoening aan haar verbintenissen onder de tien koopovereenkomsten tien sets documenten, waaronder de cognossementen, aan AOH verzonden via DHL Express (productie 1 van Nidera); de set onder de eerste koopovereenkomst op of omstreeks 2 december 2005, onder de tiende op of omstreeks 3 april 2006. Gesteld noch gebleken is dat een of meer van deze verzendingen op een vergissing berust(en).

Nidera ontving niet gelijktijdig met, of dadelijk na haar verzending van de set documenten onder de eerste koopovereenkomst op 2 december 2005 betaling van de betreffende koopprijs. Daarna hebben partijen drie koopovereenkomsten gesloten, de achtste tot en met de tiende, terwijl AOH niet was overgegaan tot betaling van de volledige koopprijs onder de eerste koopovereenkomst (kennelijk heeft AOH deelbetalingen verricht).

2.13. Met inachtneming van het bovenstaande gaat de rechtbank hierna over tot een uitleg van het onderhavige CAD-beding.

2.14. De zin die een redelijk persoon die actief is in de goederenhandel onder de genoemde omstandigheden bij documentenkoop aan het CAD-beding zou hebben toegekend komt erop neer dat AOH in ieder geval vanaf het moment van ontvangst van de documenten verplicht werd om de betreffende koopprijs te betalen. Die verplichting werd niet anders door de enkele omstandigheid dat - zoals [gedaagde1] stelt - AOH niet steeds (dadelijk en volledig) betaalde en Nidera (desondanks) documenten betreffende verkochte goederen aan AOH toezond.

Verklaringen of gedragingen van Nidera en AOH die een andere uitleg rechtvaardigen zijn niet gesteld.

2.15. In beginsel levert het onderhavige CAD-beding, vanwege de daarin opgenomen verplichting tot gelijk oversteken, een eigendomsvoorbehoud op, in die zin dat zolang de koper de koopprijs niet heeft voldaan, hij geen eigenaar wordt van de verkochte in het betreffende aan hem overhandigde cognossement belichaamde zaak.

2.16. Wegens het leverings- c.q. prijsbepalingsbeding CFR (of FOB) en de omstandigheid dat de partijen sojaolie bestemd waren voor aflevering in een ander land dan Argentinië of Nederland, wist Nidera bij het aangaan van de koopovereenkomsten dat zij noch AOH vanaf het moment van inlading in het zeeschip feitelijke macht zou hebben over de partijen sojaolie. Die wetenschap was eens te meer aanwezig bij de uitvoering van de koopovereenkomsten toen Nidera de zeevervoerders de cognossementen aan order liet uitstellen waarop zijzelf “on behalf of’” AOH werd vermeld en een derde als “notify party”.

Uit de gedraging van Nidera door met de “documents” de aldus uitgestelde cognossementen aan haar toe te zenden, terwijl de partijen sojaolie vertrokken naar andere landen, heeft AOH mogen afleiden dat Nidera stilzwijgend toestemming aan haar gaf om de vanwege het CAD-beding onder eigendomsvoorbehoud geleverde partijen sojaolie aan haar kopers door te leveren.

2.17. Het gaat tot zover uitsluitend om een verbintenisrechtelijke aangelegenheid; de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde goederenrechtelijke gevolgen van deze toestemming (afspraak) dienen beoordeeld te worden aan de hand van het daarop ingevolge de Wet conflictenrecht goederenrecht (WCG) toepasselijke recht.

2.18. Partijen zijn het erover eens dat ten aanzien van de documenten, waaronder de originele cognossementen, de volgende driedeling kan worden aangebracht:

1. documenten die AOH vóór de faillissementsdatum (dat is de datum van het uitspreken van de surseance) heeft ontvangen en AOH vervolgens heeft verhandeld;

2. documenten die AOH vóór de faillissementsdatum heeft ontvangen en [gedaagde1] vervolgens heeft verhandeld; dat zijn de cognossementen met kenmerken BUED0904041, 850491808, BUED09040, 850705644 en 8507055645 (in kopie overgelegd bij productie 1 van Nidera);

3. documenten die na de faillissementsdatum bij AOH zijn binnengekomen en die [gedaagde1] vervolgens heeft verhandeld; dat zijn de cognossementen met kenmerken MSCUBS923643 en CBUETEM500807 (in kopie overgelegd bij productie 1 van Nidera).

2.19. De stilzwijgende toestemming bedoeld in rov. 2.16 betreft in ieder geval de documenten genoemd in de eerste categorie.

2.20. Voor zover de vordering van Nidera betrekking heeft op de documenten bedoeld in de eerste categorie, behoudt Nidera haar rechten voor, maar stelt zij voor dit gedeelte om redenen van proceseconomie voorlopig buiten beschouwing te laten. [gedaagde1] moet geacht worden, gelet op haar proceshouding tijdens de comparitiezitting, daarmee te hebben ingestemd. De rechtbank laat dat aspect daarom verder rusten.

2.21. Aan de orde zijn thans dus slechts de cognossementen bedoeld in de tweede categorie en de derde categorie.

2.22. De hierboven in rov. 2.16 bedoelde stilzwijgende toestemming van Nidera aan AOH om te beschikken over de in eigendom voorbehouden partijen sojaolie teneinde deze te kunnen doorverkopen aan haar kopers vindt haar begrenzing in het moment dat AOH niet meer tot betaling aan Nidera in staat is, omdat AOH vanaf dat moment niet meer in staat is om door middel van haar beschikkingsmacht over de partijen sojaolie betaling van haar kopers te verkrijgen ten behoeve van betaling aan Nidera.

2.23. Daarom dient onderzocht te worden vanaf welk moment de stilzwijgende toestemming geacht moet worden te zijn vervallen: vanaf de datum van de surseance van AOH, dan wel vanaf de datum van het vonnis waarbij het faillissement werd uitgesproken. Partijen hebben zich daarover nog niet uitgelaten, althans niet in het licht van de in dit vonnis gegeven uitleg. Daarom zal de zaak naar de rol worden verwezen teneinde partijen, eerst Nidera, in de gelegenheid te stellen zich over dit aspect uit te laten en, desgewenst, teneinde hun stellingen aan te passen.

2.24. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 30 maart 2011 voor het nemen van een akte door Nidera als vermeld in rov. 2.23; [gedaagde1] zal vervolgens een antwoordakte kunnen nemen als vermeld in rov. 2.23;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door W.P. Sprenger en in aanwezigheid van de griffier

mr. J.F. de Heer in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.?

901/1928