Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9889

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
RK 11/325
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beoordeling bezwaarschrift ex artikel 208 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat artikel 316, derde lid, Sv niet verder strekt dan te bepalen dat, indien een onderzoekshandeling wordt verricht, deze wordt verricht overeenkomstig de (procedure)voorschriften van het gerechtelijk vooronderzoek. Artikel 316 Sv zou zinledig worden, indien iedere verwijzing naar de rechter-commissaris, hoe ook geformuleerd, de verdediging de mogelijkheid biedt van de rechter-commissaris elke onderzoekshandeling te verlangen die zij wenselijk acht. Een dergelijke wetsuitleg zou er toe leiden dat zodra enig onderzoek door de rechter-commissaris wordt verricht, beslissingen van de zittingsrechter om enige verzochte onderzoekshandeling niet te verrichten zonder meer zouden kunnen worden gepasseerd. Dit strijdt met het stelsel van de wet, zoals dat onder andere blijkt uit artikel 322, vierde lid, Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer [parketnummer]

Raadkamernummer: 11/325

De rechtbank heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift ex artikel 208 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend ter griffie van deze rechtbank op 3 maart 2011 namens verdachte:

[verdachte],

geboren te Rotterdam op [geboortedatum] 1950,

wonende te [adres]

gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, om over te gaan tot diverse onderzoekshandelingen.

Procedure

De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige besloten raadkamer op 25 maart 2011, alwaar door de rechtbank zijn gehoord de officier van justitie en de advocaten van de verdachte, mrs. E. Benhaim en H.W.A.A. de Jong.

Door de officier van justitie is geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

Inhoud van het bezwaarschrift

De advocaten hebben - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende gesteld. De rechter-commissaris is schriftelijk verzocht uitlevering te vorderen van verslagen die zich onder Rabobank Nederland bevinden van gesprekken tussen de verdachte en [getuige], alsmede [getuige] als getuige te horen. De rechter-commissaris heeft bij brief van 18 februari 2011 dit verzoek afgewezen. Dit is, gelet op artikel 208 en 210 Sv, onjuist. Door deze weigering is de verdachte rechtstreeks in zijn verdedigingsbelang geschaad.

De verdachte verzoekt de rechtbank de rechter-commissaris opdracht te geven tot de uitvoering van de gevraagde onderzoekshandelingen.

Beoordeling van het bezwaarschrift

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juli 2010 blijkt dat de meervoudige kamer voor economische strafzaken van deze rechtbank het onderzoek op de terechtzitting heeft geschorst en de zaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van negen getuigen. Het verzoek tot het horen van zes andere getuigen, onder wie [getuige], is door de rechtbank afgewezen.

De verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden op de voet van artikel 316 Sv. Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, duidt de rechtbank het onderwerp van het onderzoek aan en, zo nodig, de wijze waarop dit zal zijn in te stellen. Ingevolge het derde lid van dat artikel geldt het onderzoek als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt het overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en achtste afdeling van de derde titel van het tweede boek Sv gevoerd.

De kern van artikel 316 Sv is in het eerste lid neergelegd: de rechter-commissaris verricht zijn onderzoek in opdracht van de rechtbank. Het is ook de rechtbank die het onderwerp van onderzoek aanduidt en, indien nodig, de wijze waarop het onderzoek zal plaatsvinden.

Met name die laatste bepaling zou zinledig worden, indien iedere verwijzing naar de rechter-commissaris, hoe ook geformuleerd, de verdediging de mogelijkheid biedt van de rechter-commissaris elke onderzoekshandeling te verlangen die zij wenselijk acht. Een dergelijke wetsuitleg zou er toe leiden dat zodra enig onderzoek door de rechter-commissaris wordt verricht, beslissingen van de zittingsrechter om enige verzochte onderzoekshandeling niet te verrichten zonder meer zouden kunnen worden gepasseerd. Dit strijdt met het stelsel van de wet, zoals dat onder andere blijkt uit artikel 322, vierde lid, Sv.

Voorts merkt de rechtbank op dat, waar het criterium om alsnog getuigen te horen in de loop van het proces steeds zwaarder wordt van wenselijkheid in een ‘gewoon’ gerechtelijk vooronderzoek, via verdedigingsbelang tot noodzakelijkheid voor en op de terechtzitting het in strijd is met het stelsel van de wet om via een terugwijzing naar de rechter-commissaris weer terug te vallen op het lichte criterium van de enkele wenselijkheid.

De bewoordingen van de het derde lid van artikel 316 Sv sluiten goed aan bij de hiervoor gegeven uitleg van het eerste lid van dat artikel. De wetgever heeft in artikel 316 Sv immers gekozen voor de bewoordingen ‘geldt als’ een gerechtelijk vooronderzoek, in plaats van een directe van overeenkomstige toepassing verklaring van bepaalde afdelingen of artikelen. Dit duidt erop dat in juridische zin ook geen sprake is van een gerechtelijk vooronderzoek.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank, anders dan de verdediging van oordeel dat artikel 316, derde lid, Sv niet verder strekt dan te bepalen dat, indien een onderzoekshandeling wordt verricht, deze wordt verricht overeenkomstig de (procedure)voorschriften van het gerechtelijk vooronderzoek.

Het gegeven, zoals namens de verdachte gesteld, dat nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die het gevraagde onderzoek een verdedigingbelang geven maakt een en ander niet anders. Zo al sprake zou zijn van nieuwe feiten en/of omstandigheden bestaat voor de verdediging de mogelijkheid de gewenste onderzoeksvragen bij de officier van justitie en zo nodig bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting voor te leggen aan de zittingsrechter en is het uiteindelijk aan deze om daarover een beslissing te nemen.

Ten slotte moet worden opgemerkt dat ook het argument van proceseconomie het geschetste systeem van de wet niet kan ombuigen.

De rechter-commissaris heeft derhalve terecht geconstateerd dat de verzochte onderzoekshandelingen buiten de verwijzing vallen. Gelet op het hierboven overwogene, is de beslissing om te weigeren deze handelingen te verrichten juist.

Het bezwaarschrift is ongegrond.

BESLISSING

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus gedaan in raadkamer op 30 maart 2011 door

mr. Janssen, voorzitter,

mrs. Verweij en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van H.M. Terpstra-Bos, griffier.