Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9853

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
AWB 09/3784 WW - T1, AWB 09/3786 WW - T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak (LJN BN7226). Er kan niet zonder meer vastgesteld worden of eiser werkzaamheden heeft verricht die niet gebracht kunnen worden onder de stagewerkzaamheden bij TCE. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende gemotiveerd en onvoldoende onderzocht of er door eiser persoonlijk productieve arbeid is verricht ten behoeve van Worknet4U. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. De rechtbank beschikt ook anderszins niet over voldoende informatie voor een finale beslechting van het geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 09/3784 WW - T1

AWB 09/3786 WW - T1

Uitspraak in de gedingen tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (vestiging Utrecht), verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluiten van 31 maart 2009 (hierna: de bestreden besluiten) waarbij de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 november 2008 (hierna: de primaire besluiten I en II) ongegrond zijn verklaard. Bij het primaire besluit I heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) afgewezen. Bij het primaire besluit II heeft verweerder eisers aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen van WorkNet4U afgewezen. Verweerders standpunt is dat eiser geen werknemer is in de zin van de WW, omdat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, en hij derhalve niet als verzekerde in de zin van de WW kan worden aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2010. Voor eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden A.M.M. Schalkwijk en J. Kouveld, bijgestaan door A.A. de Ronde, werkzaam bij de Belastingdienst Utrecht-Gooi.

Bij tussenuitspraak van 16 september 2010 (LJN BN7226) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.

Bij brief van 8 november 2010 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt en een rapportage met de uitkomst van een onderzoek, alsmede een statusoverzicht overgelegd. Bij brief van 13 januari 2011 heeft eiser zijn reactie op deze rapportage en het statusoverzicht gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

2 Overwegingen

2.1 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestreden besluiten niet zorgvuldig zijn voorbereid en wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komen. De rechtbank heeft voorts beoordeeld of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. In dat kader heeft de rechtbank geconcludeerd dat het geschil zich toespitst op de vraag of eiser verplicht was persoonlijk arbeid te verrichten ten behoeve van WorkNet4U. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, in het licht van hetgeen eiser in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht, onvoldoende onderzoek verricht naar de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger. Verweerder is in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen naar, en rapport uit te brengen over - kort gezegd - de aard en de omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger en, indien verweerder dat wenst, naar aanleiding daarvan nadere besluiten te nemen.

2.2 Verweerder heeft gelet hierop de belastingdienst op 18 oktober 2010 een bedrijfsbezoek laten verrichten bij Training Centrum Eemhaven (TCE). De bevindingen van dit onderzoek zijn blijkens het daarvan opgemaakte rapport als volgt.

2.2.1 TCE is een opleidingscentrum dat onder meer de opleiding tot Beveiliger 2 verzorgt. Hiervoor is een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het ROC Zadkine college.

Het betreft een competentie gerichte opleiding in het kader van de Wet Educatie beroepsopleiding (Ecabo). Om de opleiding te volgen wordt aan de leerling een opleidingsplan uitgereikt. In het opleidingsplan staat vermeld: de cursus opzet/competenties en de samenwerkingsovereenkomst tussen TCE en ROC Zadkine en de huisregels. De opleiding wordt in groepsverband gegeven op het TCE leerpark, locaties Rotterdam (bedrijventerrein Pernis) en Amersfoort (NS terrein Centraal Station). Beide leerparken zijn Ecabo erkend. De opleidingskosten worden betaald door de re-integratiebureaus en eventuele andere opdrachtgevers. Daarnaast ontvangt TCE een bijdrage vanuit Ecabo.

2.2.2 Bij een normaal verloop is de duur van de opleiding circa zes maanden. De opleiding bestaat uit een theorie- en een praktijkgedeelte. Daarnaast dient de cursist opdrachten uit te voeren ten behoeve van zijn portfolio welke wordt beoordeeld door de examinator van de Stichting Vakexamen voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties (SVPB). De opleiding verloopt via een zogenaamd continue rooster gericht op de praktijk. Doel hiervan is dat de cursisten weer (werk)structuur gaan ervaren. Nadat het theoriegedeelte is afgerond volgt er een verplichte stageperiode van 480 uur. De stageperiode gebeurt in een carrouselsysteem. Dat houdt in dat de kandidaten worden ingedeeld op ervaringsniveau. Een beginner (een zogenoemde 1 ster) wordt begeleid door een 2 ster en die wordt op zijn beurt weer begeleid door een 3 ster. Een cursist ontvangt een ster nadat hij opdrachten die uitgevoerd moeten worden ten behoeve van zijn portfolio met een positief resultaat heeft afgerond. Alle stageactiviteiten worden verricht onder toezicht en verantwoordelijkheid van een beroepspraktijkvormingsdocent.

2.2.3 De stageactiviteiten vinden geheel en alleen plaats op de leerparken van TCE. In feite is er sprake van een beschermde omgeving waarbinnen de opleiding plaatsvindt. Er wordt gepoogd om de realiteit na te bootsen met dien verstande dat men fouten mag maken omdat men immers aan het leren is. Door TCE worden geen uren gefactureerd aan de op het leerpark (bedrijventerrein) gevestigde private ondernemingen. Er wordt voor de stageactiviteiten aan de cursisten geen vergoeding betaald. Dat is een wezenlijk verschil met commerciële beveiligingsbedrijven. Die bedrijven dienen de stagiairs conform de CAO Beveiligingsbedrijven een ‘stageloon’ te betalen. TCE beschikt over de BD Certificering (bedrijfsbeveiliging 1007) voor niet commerciële bedrijven. Zij mag daarmee cursisten niet commercieel wegzetten. TCE valt evenmin onder de CAO Beveiligingsbedrijven. Na afronding van de opleiding en een met goed gevolg afgelegd examen kan de cursist aan de slag als beveiliger. Zonder diploma kan men niet als beveiliger werken.

2.2.4 Na afronding van de opleiding heeft TCE geen bemoeienis meer met de cursist en is het de verantwoordelijkheid van het re-integratiebureau om de begeleiding naar arbeid verder vorm te geven. TCE biedt cursisten wel de mogelijkheid om stage te blijven lopen als er bijvoorbeeld nog een herexamen moet worden afgenomen. Deze mogelijkheid wordt door TCE geboden omdat het meestal gaat om herexamens voor praktijkexamens.

2.2.5 Meer specifiek voor eiser heeft verweerder aangegeven dat uit het statusoverzicht niet blijkt dat er door eiser werkzaamheden zijn verricht anders dan in het kader van zijn opleiding. Er blijkt immers alleen van een opleiding/stage bij TCE, zodat er feitelijk geen sprake is van werkzaamheden. Eiser heeft in mei 2008 zijn diploma gehaald. Op dat moment waren de activiteiten van Worknet4U al gestaakt.

2.3 Eiser heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat hij in het kader van een arbeidsovereenkomst tussen hem en WorkNet4U een opleiding tot beveiliger bij TCE heeft gevolgd en dat hij gedurende en na de opleiding productieve arbeid heeft verricht.

2.4 De rechtbank overweegt dat uit de bevindingen van het bedrijfsbezoek bij TCE, zoals hiervoor weergegeven, met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger tot het behalen van zijn diploma, zijn verricht als onderdeel van de opleiding tot beveiliger. Het praktijkgedeelte van die opleiding bestond uit het lopen van een stage, met andere woorden het in de praktijk verrichten van werkzaamheden als beveiliger. Uit het bedrijfsbezoek blijkt dat deze stagewerkzaamheden werden verricht in een continu rooster en waren gericht op de praktijk.

2.5 Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij na het behalen van zijn opleiding productieve arbeid heeft verricht overweegt de rechtbank als volgt. In de rapportage van de belastingdienst van 18 oktober 2010 wordt onder ‘bevindingen versus casus’ vermeld dat eiser in mei 2008 is geslaagd. Nu echter uit het dossier blijkt en ter zitting - onweersproken door verweerder - is verklaard dat eiser zijn diploma als beveiliger heeft gehaald op 16 april 2008, acht de rechtbank het aannemelijk dat in de rapportage van de belastingsdienst een onjuiste datum is vermeld.

Eiser heeft gesteld dat hij na zijn opleiding ook werkzaamheden heeft verricht, maar uit het dossier blijkt niet duidelijk tot wanneer hij deze werkzaamheden dan heeft verricht. Eiser heeft immers bij de aanvraag om overname betalingsverplichtingen zelf aangegeven dat zijn laatste werkdag 3 mei 2008 is geweest, maar op de vragenlijst Worknet4U heeft hij aangegeven tot en met juli 2008 productieve arbeid te hebben verricht. Dat past ook binnen de overeenkomst die met Worknet4U is gesloten, immers deze is gesloten voor de duur van 12 maanden vanaf 1 november 2007. De stelling van eiser dat hij na zijn opleiding ook werkzaamheden heeft verricht wordt ook gesteund door de door hem bij brief van 13 juli 2009 overgelegde salarisspecificaties van april tot half september 2008. Uit die specificaties blijkt ook van aanzienlijk meer verloonde uren dan de in het kader van de stage vereiste aantallen uren.

2.6 Gegeven het voorgaande kan niet zonder meer vastgesteld worden of eiser werkzaamheden heeft verricht die niet gebracht kunnen worden onder de stagewerkzaamheden bij TCE. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende gemotiveerd en onvoldoende onderzocht of er door eiser persoonlijk productieve arbeid is verricht als bedoeld onder 2.1.

2.7 De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. De rechtbank beschikt ook anderszins niet over voldoende informatie voor een finale beslechting van het geschil.

2.8 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 966,--, aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de bestreden besluiten,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 82,-- (2 x € 41,--) vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,--. te betalen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 31 maart 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op:

NB. In deze uitspraak zijn de beroepen (deels) gegrond verklaard en zijn de bestreden besluiten vernietigd. Als de rechtbank daarbij gronden van het beroep en/of (een deel van) de grondslag van de bestreden besluiten uitdrukkelijk heeft verworpen en belanghebbende en/of verweerder daarin niet wil(len) berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.