Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9785

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
206869 / HA ZA 03-2877
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag verjaart door tijdsverloop van vijf jaren nadat eigenaar daadwerkelijk bekend is geworden met het beslag en de daarvoor aansprakelijke persoon.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/124
JA 2011/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206869 / HA ZA 03-2877

Vonnis van 9 maart 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging

BLACK SEA SHIPPING COMPANY,

gevestigd te Odessa, Oekraïne,

eiseres,

advocaat mr. E.A. Bik,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANDELSVEEM B.V., ook h.o.d.n. Handelsveem B.V. C. Steinweg,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging

ALIMENTA COMMODITIES LTD.,

gevestigd te Nassau, Bahama's,

gedaagden,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Eiseres wordt hierna aangeduid als "Blasco", gedaagden afzonderlijk als "Handelsveem", respectievelijk "Alimenta".

1 Het verloop van de procedure

1.1 Blasco heeft bij exploot van 24 september 2003 gedaagden voor deze rechtbank gedagvaard en gevorderd als hierna onder 3 beschreven.

Blasco heeft ter rolle drie producties in het geding gebracht.

Gedaagden hebben een conclusie van antwoord genomen en daarbij zes producties met diverse bijlagen in het geding gebracht.

Blasco heeft een conclusie van repliek genomen onder overlegging van één productie.

Gedaagden hebben een conclusie van dupliek genomen en daarbij vijf producties overgelegd.

Blasco heeft een akte uitlating producties genomen.

Partijen hebben hun zaken door hun advocaten - gedaagden door mr. R. de Haan - doen bepleiten. Blasco heeft bij pleidooi twee producties in het geding gebracht, gedaagden vier met diverse bijlagen. De advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt.

Op 13 januari 2011 hebben de advocaten van partijen aan de rechtbank medegedeeld dat het gerechtshof 's-Gravenhage nog geen beslissing had gegeven in de door Blasco bij dat gerechtshof aanhangig gemaakte procedure in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg gewezen tussen partijen op 24 mei 2006.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

1.2 De rechtbank heeft kennis genomen van bovengenoemde processtukken.

2 De vaststaande feiten

De rechtbank merkt de volgende feiten - voor zover thans van belang - als tussen partijen vaststaand aan, omdat deze enerzijds zijn gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende zijn weersproken, dan wel blijken uit de niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan.

2.1 Op 3 juni 1993 hebben gedaagden, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg, conservatoir beslag laten leggen op het aan Blasco toebehorende zeeschip "Rosa Luxemburg" ter zake van een vordering op eiseressen wegens gestelde transportschade aan enkele partijen grondnoten die met dat schip onder cognossementen waren vervoerd van China naar Vlissingen.

2.2 Dat beslag is op 5 juni 1993 opgeheven tegen de toezegging dat de P&I Club van Blasco vervangende zekerheid zou stellen. Die toezegging is geëffectueerd door de afgifte op 2 juli 1993 van een procesgarantie van de UK P&I Club voor een bedrag van omgerekend US$ 400.000,- (hierna: de Clubgarantie).

2.3 Bij exploot van 24 mei 1994 hebben gedaagden Blasco tezamen met Coreck Maritime GmbH (hierna: Coreck), gevestigd te Hamburg, Duitsland, gedagvaard voor de rechtbank Middelburg en veroordeling gevorderd tot betaling van de gestelde ladingschade. Blasco heeft - al dan niet in overleg tussen partijen - in die procedure verstek laten gaan in afwachting van de uitkomst van de zaak tegen Coreck. Bij vonnis van 15 juli 1998 heeft de rechtbank Middelburg in een alleen ten aanzien van Coreck gewezen vonnis beslist dat Handelsveem niet-ontvankelijk is in haar vordering tegen Coreck en aan Alimenta en Coreck bewijs opgedragen.

2.4 Bij exploten van 14 en 15 oktober 1998 hebben gedaagden hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 juli 1998. Blasco was geen partij in die procedure in hoger beroep. Op 31 januari 2003 is Coreck in staat van faillissement verklaard. In juni 2004 hebben gedaagden het hoger beroep tegen Coreck ingetrokken.

2.5 Op 9 juni 2004 heeft Blasco het verstek gezuiverd in de procedure bij de rechtbank Middelburg. Bij vonnis van 24 mei 2006 heeft de rechtbank Middelburg verworpen het beroep van Blasco op onbevoegdheid wegens een arbitraal beding, Handelsveem in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard, overwogen dat Alimenta ondanks haar niet actief vervolgen van de rechtsvordering tegen Blasco deze niet heeft verwerkt en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door Alimenta en Blasco.

2.6 Blasco is bij exploot van 23 augustus 2006 bij het gerechtshof 's-Gravenhage in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 24 mei 2006. Op 23 februari 2010 heeft het gerechtshof een tussenarrest gewezen met betrekking tot het beroep van Blasco op onbevoegdheid wegens het arbitraal beding. Op 13 januari 2011 was in die procedure in hoger beroep nog geen beslissing gegeven.

2.5 In ieder geval bij brief van 1 juli 2002 heeft Blasco bij gedaagden bezwaar gemaakt tegen de voortdurende kosten van de Clubgarantie. Op 24 december 2002 heeft de verzekeraar van gedaagden een procesgarantie gesteld voor aansprakelijkheid ter zake van schade wegens het beslag op de "Rosa Luxemburg" c.q. de kosten van de door Blasco gestelde Clubgarantie.

3 De beoordeling

3.1 Blasco vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

(a) voor recht zal verklaren dat het op 3 juni 1993 op de "Rosa Luxemburg" gelegde beslag onrechtmatig was en dat gedaagden daarom aansprakelijk zijn voor de door het beslag en de daaruit voortvloeiende procedure veroorzaakte schade, zoals de kosten van de vervangende zekerheid;

(b) voor recht de verklaren dat Handelsveem ook los daarvan onrechtmatig heeft gehandeld onder andere door na te laten de vordering in te trekken en de garantie terug te geven toen bleek dat zij haar vordering niet deugdelijk kon onderbouwen en in rechte geen kans van slagen had;

(c) Handelsveem zal veroordelen om deze schade, op te maken bij staat, aan Blasco te vergoeden;

met veroordeling van Handelsveem in de proceskosten.

3.2 Daartoe stelt Blasco - kort gezegd - het volgende.

(a) Wegens het arbitraal beding dat ook op de vorderingen onder de betreffende cognossementen van toepassing is, is de Nederlandse rechter is onbevoegd om van de vordering van gedaagden wegens ladingschade kennis te nemen. Gedaagden hebben nagelaten om tijdig arbitrage aanhangig te maken.

(b) Gedaagden hebben van Blasco niets te vorderen, zodat zij geen grond hadden voor het leggen van beslag, evenmin om slechts tegen zekerheidstelling door middel van de Clubgarantie in opheffing van het beslag te bewilligen.

(c) In ieder geval heeft Handelsveem niets te vorderen van Blasco, zoals in het vonnis van de rechtbank Middelburg van 24 mei 2006 is beslist.

(d) Gedaagden hebben onredelijk lang getalmd in de procedure betreffende hun vordering tot vergoeding van ladingschade.

(e) Gedaagden, maar in ieder geval Handelsveem zijn ten onrechte niet bereid de Clubgarantie terug te geven.

(f) Blasco lijdt schade bestaande uit onder meer (jaarlijkse) kosten van de Clubgarantie.

3.3 De conclusie van gedaagden strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Blasco in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het meest verstrekkende verweer komt erop neer dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard.

Dat verweer behandelt de rechtbank eerst

3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat op de vorderingen van Blasco Nederlands recht van toepassing is. Met recht, want ingevolge de artikelen 31 en 32 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 (Rome II-Vo) is die Verordening in dit geval niet van toepassing; ingevolge artikel 3 lid 1 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is Nederlands recht van toepassing.

3.5 De vordering tot vergoeding van de door het beslag op de "Rosa Luxemburg" en de daaruit voortvloeiende procedure veroorzaakte schade, zoals de kosten van het stellen en in stand houden van de Clubgarantie, betreft een vordering tot schadevergoeding in de zin van artikel 3:310 BW, zodat van toepassing is de vijfjarige verjaringstermijn.

3.6 Partijen twisten over de vraag op welke datum of data de verjaringstermijn ging lopen en de vragen (a) of gedaagden afstand hebben gedaan van (een beroep op) verjaring, althans hun recht daartoe hebben verwerkt en (b) of het door gedaagden gedane beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.7 Ingevolge artikel 3:310 BW gaat de verjaringstermijn in een geval als het onderhavige lopen bij aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon daadwerkelijk bekend is geworden (zie HR 9 juli 2010, LJN BM1688 en HR 9 oktober 2009, LJN BJ4850).

3.8 De schade waarvan Blasco vergoeding vordert bestaat uit de schade wegens het beslag op de "Rosa Luxemburg", de kosten voortvloeiende uit de door haar ter opheffing van dat beslag gestelde Clubgarantie en de kosten van de uit het beslag voortvloeiende procedure.

Blasco liet de Clubgarantie stellen ter vervanging van de zekerheid die de gedaagden hadden verkregen door het beslag op het schip. Blasco liet die zekerheid stellen ter beperking van de bedrijfsschade die zij leed doordat zij het schip wegens het beslag niet kond exploiteren. De in dezen relevante schade is daarom die bedrijfsschade, die na enkele dagen beslag is teruggebracht tot de kosten van de Clubgarantie. De gebeurtenis waardoor die schade is ontstaan was, derhalve, het beslag op de "Rosa Luxemburg". Nu dat schip door Blasco gereed werd, mag men aannemen dat zij dadelijk bij de beslaglegging door de deurwaarder op 3 juni 1993 daadwerkelijk met dat beslag bekend is geworden. Vast staat dat het beslag op 5 juni 1993 op verzoek van Blasco - tegen het aanbod van vervangende zekerheid - is opgeheven, zodat Blasco in ieder geval op die datum met de schadebrengende gebeurtenis bekend was.

Blasco werd met de uit het beslag voortvloeiende procedure bekend door de betekening aan haar van de dagvaarding van 24 mei 1994. Uit hetgeen in de punten 8 en 9 van de dagvaarding die de onderhavige procedure inleidde wordt gesteld, blijkt dat Blasco in ieder geval vóór de eerstdienende dag, 12 oktober 1994 met de inhoud van de dagvaarding van 24 mei 1994 bekend was. Daarom neemt de rechtbank als datum waarop Blasco daadwerkelijk bekend werd met (het begin van) de (doorlopende) kosten van die uit het beslag voortvloeiden procedure: 12 oktober 1994.

3.9 Blasco is gelijktijdig met de beslaglegging, althans ten tijde van de opheffing van het beslag op 5 juni 1993 daadwerkelijk bekend geworden met de voor de beslaglegging verantwoordelijke persoon, te weten de gedaagden die in de beslagstukken als verzoeksters stonden vermeld. Nu de Clubgarantie ten gunste van gedaagden is gesteld, was Blasco in ieder geval op 2 juli 1993 met de voor de bedrijfsschade en de kosten van de Clubgarantie aansprakelijke personen bekend.

Omdat Blasco dezelfde personen, namelijk gedaagden, aansprakelijk houdt voor de kosten van de uit het beslag voortvloeiden procedure, was zij (reeds op 2 juli 1993, maar in ieder geval) op 12 oktober 1994 daadwerkelijk bekend met de voor die schade aansprakelijke personen.

3.10 Voor zover (een van) de vorderingen van Blasco zou(den) moeten worden aangemerkt als een vordering ter opheffing van een onrechtmatige toestand in de zin van artikel 3:314 BW, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Blasco kon vanaf de beslaglegging opheffing daarvan vorderen, respectievelijk kon vanaf het moment van het stellen van de Clubgarantie op 2 juli 1993 teruggave daarvan vorderen. Blasco, die er klaarblijkelijk voor heeft gekozen eerst verstek te laten gaan in de procedure tot vergoeding van ladingschade, kon in die procedure verschijnen en maatregelen nemen ter beëindiging of beperking van haar kosten voortvloeiende uit die procedure.

3.11 Gesteld noch gebleken is dat Blasco niet daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen vanaf die momenten van haar bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke personen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand of teruggave van de Clubgarantie. Blasco voert weliswaar aan dat zij in de periode dat het hoger beroep liep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 15 juli 1998 in die eerste aanleg het verstek niet kon zuiveren, maar die omstandigheid belette haar niet toen een procedure als de onderhavige tegen gedaagden in te stellen.

3.12 Derhalve zijn vijfjarige verjaringstermijnen gaan lopen (a) ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding wegens het beslag en de kosten van de Clubgarantie daags na de beslaglegging op 3 juni 1993, althans na de opheffing van het beslag op 5 juni 1993, maar in ieder geval na het stellen van de Clubgarantie op 2 juli 1993 en (b) ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding wegens de uit het beslag voortvloeiende procedure daags na 12 oktober 1994.

3.13 Anders dan Blasco betoogt, is het voor het aanvangen van de verjaringstermijn niet vereist dat (in een al dan niet onherroepelijke rechterlijke of arbitrale beslissing) is vastgesteld dat de gedaagden als beslagleggers niets van Blasco te vorderen hebben, dan wel dat om andere reden hun eis in de hoofdzaak (tot vergoeding van ladingschade) niet dient te worden toegewezen. Blasco heeft van meet af aan zelf kunnen beoordelen of de beslaglegging op de "Rosa Luxemburg" terecht was, zodat zij toen reeds de vordering tot opheffing daarvan, tot teruggave van de Clubgarantie of tot schadevergoeding kon instellen (vgl.: HR 9 april 2010, LJN BL1118; NJ 2010, 215).

Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (zie Hoge Raad 13 april 2003, LJN AF2841; NJ 2003, 440). Degene die een beslag legt handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. De beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd is aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degeen op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (zie Hoge Raad 13 januari 1995, LJN ZC1608, NJ 1997, 366). Derhalve - anders dan Blasco betoogt - verwordt het beslag niet van een rechtmatige daad tot een onrechtmatige door de beslissing over de eis in de hoofdzaak, dan wel over de beslaglegging, maar wordt het geacht van meet af aan onrechtmatig te zijn indien het achteraf blijkt ten onrechte te zijn gelegd. De beslissing over de eis in de hoofdzaak, dan wel over de beslaglegging heeft daarom geen werking ten aanzien van de aanvang van de verjaringstermijn.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde onrechtmatige daad in de vorm van de door gedaagden ingestelde procedure tot vergoeding van ladingschade.

3.14 Voor zover Blasco betoogt dat telkens een (nieuwe) rechtsvordering tot schadevergoeding ontstaat wanneer zij (nieuwe) kosten van de Clubgarantie te betalen krijgt, of nieuwe kosten moet maken in de procedure die met de dagvaarding van 24 mei 1994 werd ingeleid, ziet zij eraan voorbij dat in dit geval sprake is van voortdurende schade veroorzaakt door één gebeurtenis, te weten het beslag op de "Rosa Luxemburg", respectievelijk het aanhangig maken van genoemde dagvaarding (en niet van zelfstandige schadeposten of van een periodieke vordering in de zin van artikel 3:308 BW).

3.15 Derhalve zijn de vijfjarige verjaringstermijnen gaan lopen als hiervoor in 3.12 overwogen. Handelingen ter stuiting van die verjaringstermijnen uiterlijk op 2 juli 1998, respectievelijk 12 oktober 1999 zijn gesteld noch gebleken. Blasco voert diverse feiten en omstandigheden aan betreffende de (al dan niet tegen een ander dan Blasco en al dan niet in arbitrage aanhangig te maken) vordering van gedaagden tot vergoeding van ladingschade, maar geen betreffende haar vorderingen tot schadevergoeding. Aan die feiten of omstandigheden komt daarom geen stuitende werking toe ten aanzien de vorderingen van Blasco tot schadevergoeding.

Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat de vorderingen van Blasco tot schadevergoeding zijn verjaard, behoudens de vragen (a) of gedaagden afstand hebben gedaan van (een beroep op) verjaring, althans hun recht daartoe hebben verwerkt en (b) of het beroep van gedaagden op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.16 Blasco stelt dat gedaagden afstand van (een beroep op) verjaring hebben gedaan in § 24 van hun conclusie van antwoord en door, toen Blasco bij brief van 1 juli 2002 verzocht om zekerheid voor haar vordering tot schadevergoeding te stellen, een garantie te stellen zonder beroep op verjaring te doen. Gedaagden betwisten dat zij afstand van (een beroep op) verjaring hebben gedaan.

Afstand van verjaring kan slechts rechtsgeldig worden gedaan door degene die de verjaring kan inroepen en wanneer de verjaring is voltooid, aldus artikel 3:322 leden 2 en 3 BW. Waar het om afstand van een recht gaat, dient de mededeling voldoende duidelijk te zijn.

In § 24 van hun conclusie van antwoord stellen gedaagden: "Pas indien bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing - dat kan theoretisch dus zelfs na terugverwijzing door de Hoge Raad zijn - de vordering van Alimenta en Handelsveem tegen Black Sea afgewezen zou zijn, komt de vraag van de al dan niet rechtmatigheid van het beslag aan de orde". De rechtbank kan Blasco niet volgen in haar stelling dat in de aangehaalde passage afstand van (een beroep op) verjaring is verwoord. Bewoordingen die op het begrip "afstand" duiden zijn daarin niet gebezigd. Uit de bewoordingen valt niet anders af te leiden dan dat pas inhoudelijk kan worden bepaald of het beslag op de "Rosa Luxemburg" onrechtmatig was wanneer het lot van de vordering waarvoor het beslag is gelegd zal zijn bepaald. Dat zegt iets over een behandelingsvolgorde, maar houdt geen afstand van (een beroep op) verjaring in.

In de brief van 1 juli 2002 aan de advocaat van gedaagden (bijlage 32 bij productie 2 zijdens gedaagden) stelt de advocaat van Blasco voor zover in dezen relevant het volgende:

"Als de procedure [tot vergoeding van ladingschade; rechtbank] nog lang gaat duren hebben mijn cliënten wel behoefte aan een tegenzekerheid. Er is immers sprake van een beslag gelegd op naam van Alimenta en Handelsveem gezamenlijk, en als de vordering uiteindelijk wordt afgewezen is dat beslag dus onrechtmatig geweest. Aan het doen stellen en gedurende vele jaren in stand houden van garanties zijn uiteraard kosten verbonden (ook als het om een Club garantie gaat). In deze zaak gaat het (als ik het goed zie) om een garantie van USD 400.000.

Ik hoor graag van u of u bereid bent het punt van tegenzekerheid te bespreken; is dat niet zo dan zal ik mij (bij gebreke aan bekende verhaalsmogelijkheden tegen Alimenta) tot Handelsveem moeten wenden. Ik heb dat ook in andere zaken gedaan, en in één zaak ben ik zelfs zover gegaan dat Handelsveem is gedagvaard, waarna de vordering wegens onrechtmatig beslag (door verzekeraars) is betaald. Het stellen van zekerheid (mogelijk in de vorm van een verzekeraarsgarantie, als het om eersteklas verzekeraars gaat) is een praktische weg om gesteggel te voorkomen zolang de zaak nog onder de rechter is."

Gedaagden hebben daarop gereageerd door op 24 december 2002 een garantie te laten stellen door hun aansprakelijkheidsverzekeraar op basis van het Rotterdams Garantieformulier 2000. In die garantie is bepaald dat deze is gesteld "without any prejudice whatever to the question of liability or to the amount involved or to any other matter in issue".

Uit de aangehaalde tekst van de brief van 1 juli 2002 noch uit de tekst van de garantie valt af te leiden dat gedaagden geen beroep op verjaring zouden (gaan) doen. Afstand van (een beroep op) verjaring valt daarin niet te lezen.

Nu geen andere gronden voor afstand van (een beroep op) verjaring zijn gedaan, slaagt dat verweer tegen het beroep op verjaring niet.

3.17 Over het betoog van Blasco dat gedaagden met hun in 3.16 genoemde handelswijze hun beroep op verjaring hebben verwerkt overweegt de rechtbank het volgende. Gedaagden betwisten dat betoog.

Wil van rechtsverwerking sprake zijn, dan dient aangetoond te worden dat de betreffende partij zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop is daartoe onvoldoende.

De door Blasco gestelde feiten kunnen haar beroep op rechtsverwerking niet dragen. Het betoog van Blasco komt erop neer dat gedaagden, niet door enige verklaring of enig handelen, maar door niet mede te delen dat zij (later) beroep op verjaring gaan doen, hun recht daartoe hebben verwerkt. Gelet op de aard van het beroep op verjaring, gaat dat betoog niet op. In beginsel staat het een partij vrij om een beroep op verjaring te doen. Geen rechtsregel schrijft voor dat een schuldenaar zijn schuldeiser ervoor dient te waarschuwen dat hij (later) beroep op verjaring zal doen. Het was aan Blasco zelf om tijdig de stuiting van de verjaring van haar vorderingen tot schadevergoeding ter hand te nemen.

3.18 Voor haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid doet Blasco naast de onder 3.16 en 3.17 genoemde omstandigheden beroep op de vertraging die gedaagden in de procedure tot vergoeding van ladingschade hebben laten ontstaan. Gedaagden bestrijden dat beroep van Blasco.

De rechter dient bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige de nodige terughoudendheid te betrachten.

In beginsel staat het een partij vrij om een beroep op verjaring te doen.

Met Blasco kan worden geoordeeld dat gedaagden niet voortvarend hebben geprocedeerd in hun zaak tot vergoeding van ladingschade, zoals beschreven onder 2.3 tot en met 2.5 hierboven. Echter, die omstandigheid belette Blasco niet een vordering tot schadevergoeding in te stellen of op andere wijze de verjaring van haar vorderingen te stuiten. Dat geldt eens te meer met betrekking tot de vordering van Blasco tegen Handelsveem ten aanzien van welke partij de rechtbank Middelburg in het vonnis van vonnis van 15 juli 1998 - dus nog voor afloop van de verjaring - beslist had dat zij niet-ontvankelijk is in haar vordering tegen Coreck, terwijl Blasco het standpunt inneemt dat Handelsveem om dezelfde reden van haar niets te vorderen heeft. Bovendien stelt Blasco dat zijzelf bewust lange tijd verstek heeft laten gaan, ook nog toen gedaagden een nader oproepingsexploot hadden laten uitbrengen. De aan gedaagden toe te rekenen vertraging maakt hun beroep op verjaring in de onderhavige zaak niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De omstandigheid dat namens Handelsveem is medegedeeld - zoals Blasco stelt onder verwijzing naar haar producties 5 en 6, maar gedaagden betwisten - dat de verjaringstermijn van de vordering tot schadevergoeding pas zou gaan lopen na de beslissing over de eis in de hoofdzaak c.q. over de rechtmatigheid van het beslag doet dat evenmin, omdat het hier een dwaling over het recht betreft. Daar komt nog bij dat, indien zodanige mededeling al namens Handelsveem is gedaan, het een mededeling betreft door een ander dan Handelsveem zelf of haar advocaat in deze zaak, zodat Handelsveem in deze zaak niet zonder meer aan zodanige mededeling is gebonden.

De onder 3.16 en 3.17 genoemde omstandigheden maken het beroep op verjaring in de onderhavige zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid evenmin onaanvaardbaar, om mutatis mutandis dezelfde redenen als in die rechtsoverwegingen genoemd.

3.19 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vorderingen van Blasco tot schadevergoeding zijn verjaard.

3.20 Voor zover gedaagden bedoelen te betogen dat ook verjaard zijn de vorderingen tot de verklaringen voor recht genoemd in 3.1 onder (a) en (b), overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat hier om vorderingen als bedoeld in artikel 3:302 BW. Ten aanzien daarvan geldt de algemene twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:306 BW, omdat de specifieke verjaringstermijnen van de artikelen 3:307 tot en met 3:311 BW daarop niet van toepassing zijn. Nu de vorderingen tot verklaringen voor recht zien op het beslag op de "Rosa Luxemburg" van 3 juni 1993 en de nasleep daarvan, moet de conclusie zijn dat die vorderingen niet zijn verjaard.

3.21 Omdat de eis in de hoofdzaak ingesteld na het conservatoir beslag op de "Rosa Luxemburg", namelijk de vordering van gedaagden tot vergoeding van ladingschade, nog aanhangig is - thans bij het gerechtshof 's-Gravenhage - en behalve de bevoegdheid van de aangezochte rechter en de vertraging in die hoofdzaak geen bijzondere omstandigheden gesteld zijn die dat beslag of het niet teruggeven van de Clubgarantie onrechtmatig maken, kan de rechtbank de vorderingen tot verklaringen van recht nog niet beoordelen.

3.22 Omdat de vorderingen tot de verklaringen voor recht de kennelijke strekking hebben de basis te vormen voor de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat en laatstbedoelde vordering is verjaard, zal de rechtbank partijen, om te beginnen Blasco, verzoeken zich uit te laten op welke wijze zij voorstellen de onderhavige procedure voort te zetten.

3.23 De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 april 2011 voor uitlating door partijen bij akte, om te beginnen door eiseres, op welke wijze zij voorstellen deze procedure voort te zetten;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.