Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
375040 - KG ZA 11-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag die voorlag bij de beslissing van het gerechtshof was of hier sprake is van illegale kinderontvoering in de zin van artikel 3 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980.

In dit kort geding, dat zich beperkt tot het antwoord op de vraag of het kind verblijf mag houden in Nederland tot in cassatie een beslissing is gegeven, dient het belang van het kind voorop te worden gesteld. De bepalingen van het EVRM en de daaraan ten grondslag liggende beginselen spelen daarbij een rol. Voorts is naast de voormelde juridische bedenkingen tegen de beschikking meegewogen dat het kind in Nederland geworteld is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 375040 / KG ZA 11-240

Vonnis in kort geding van 25 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. P. Garretsen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Veiligheid en Justitie, Directie Control,

Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling juridische

en Internationale Zaken, belast met de taak van

CENTRALE AUTORITEIT als bedoeld in artikel 4

van de Wet van 2 mei 1990 (Uitvoeringswet Haags

Kinderbeschermingsverdrag), waarvan de zetel is

gevestigd te ’s Gravenhage ten Parkette van de

Edelhoogachtbare Heer Procureur-Generaal bij

de Hoge Raad der Nederlanden aldaar, zowel voor

zich als namens [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat der Nederlanden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 7 maart 2011;

- producties zijdens [eiser];

- producties zijdens de Staat der Nederlanden;

- pleitnota van mr. P. Garretsen;

- pleitnota van mr. J. Dijkgraaf.

1.2. Ter zitting van 21 maart 2011 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve standpunten nader toegelicht. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft een affectieve relatie gehad m[A] (hierna: [A]). Uit deze relatie is op 19 maart 2008 te Vla[B]gen [B] (hierna: [B]) geboren.

2.2. [eiser], [A] en [B] hebben de Turkse nationaliteit.

2.3. [A] is sedert 2001 als vluchteling toegelaten in Frankrijk en heeft daar een verblijfstatus. [A] ontvangt in Frankrijk een uitkering van de Franse Autoriteiten.

2.4. [eiser] heeft [B] voor de geboorte erkend in Frankrijk. In Frankrijk heeft

[A] gevraagd om, onder meer, “te bepalen dat de ouderlijke macht gezamenlijk wordt uitgeoefend.”

2.5. Op 28 maart 2008 is deze erkenning als latere vermelding opgenomen in de Nederlandse akte van geboorte van [B]. Naar Nederlands recht oefent de moeder van rechtswege alleen het gezag uit over [B].

2.6. In september 2009 is [A] teruggekeerd naar Frankrijk.

2.7. Op 24 maart 2010 kwam [A] [B] ophalen bij [eiser] in Maassluis.

2.8. [B] is door [eiser] op 3 april 2010 uit Frankijk meegenomen naar Nederland.

[A] heeft terzake een melding kinderontvoering gedaan bij de Franse centrale autoriteit en verzocht [B] terug te geleiden naar Frankijk.

2.9. Op 22 april 2010 heeft de Franse centrale autoriteit zich tot de centrale autoriteit in Nederland gewend. Deze heeft het teruggeleidingsverzoek van de moeder in behandeling genomen.

2.10. Bij brief d.d. 20 mei 2010 is [eiser] door de centrale autoriteit aangeschreven met het verzoek tot minnelijke teruggeleiding.

2.11. Bij beschikking d.d. 27 januari 2011 heeft de Rechtbank ’s-Gravenhage (hierna:

de rechtbank) het teruggeleidingsverzoek van de centrale autoriteit, mede namens [A], afgewezen en hiertoe ondermeer het volgende overwogen:

“……

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vader, door de minderjarige tegen de wil van de moeder in Nederland te houden, weliswaar in strijd met het gezagsrecht van de moeder en daarmee onrechtmatig handelt, doch dat, nu – voor de toepassing van het Verdrag – Nederland als de gewone verblijfplaats van de minderjarige moet worden beschouwd, in het onderhavige geval niet gesproken kan worden van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Immers uit punt 58, bladzijde 443, van het Explanatory Report van Elisa Pérez-Vera bij het Verdrag kan worden afgeleid dat het Verdrag alleen betrekking heeft op kinderen die vanuit de Staat van het gewone verblijfplaats zijn overgebracht naar of worden achtergehouden in een andere Staat, hetgeen hier niet het geval is.

Het verzoek van de Centrale Autoriteit dient derhalve te worden afgewezen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft daarmee geen bespreking meer.

……”

Van voornoemde beslissing is de centrale autoriteit, mede namens de moeder, in hoger beroep gegaan.

2.12. Bij beschikking in hoger beroep van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage (hierna: het gerechtshof) d.d. 9 maart 2011 - onder zaaknummer: 200.082.059/01 - heeft het gerechtshof de teruggeleiding, op uiterlijk 13 maart 2011, van [B] naar de plaats van zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk gelast (hierna: de beschikking).

In deze beschikking heeft het Hof - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“……

7. Tussen partijen is in geschil of de vader van de minderjarige op 3 april 2010 ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het HKOV heeft overgebracht naar Nederland.

8. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de centrale autoriteit overgelegde stukken en haar stellingen ter terechtzitting te weinig aanknopingspunten opleveren om tot de conclusie te komen dat de minderjarige – in ieder geval voorafgaand aan 19 maart 2010 – de gewone verblijf-plaats in Frankrijk had. Weliswaar heeft de moeder kopieën overgelegd van verschillende officiële papieren, zoals haar Franse identiteitsbewijs en verblijfsvergunning en die van de minderjarige, en van andere papieren, zoals een kopie van een inschrijvingsbewijs van een Franse school en een bewijs van verzekering tegen ziektekosten van de moeder en de minderjarige in Frankrijk, maar hieruit blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de minderjarige in de periode voorafgaand aan 19 maart 2010 zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk had. Uitgaande van de door de vader overgelegde stukken waaronder kopieën van de verslaglegging van de verloskundige, met name de data die voortvloeien uit het groeiboekje van de minderjarige van het Consultatiebureau en de informatie van de huisarts, alsmede de verklaring van de vader ter terechtzitting bij het hof, acht het hof het aannemelijk dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in ieder geval tot 19 maart 2010 in Nederland had.

9. Het hof is - gelet op het voorgaande en op artikel 3 van het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (Haags Kinder-beschermingsverdrag, 5 oktober 1961) - van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de moeder naar Nederlands recht van rechtswege alleen het gezag uitoefent over

de minderjarige. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne.

10. Uit het voorgaande volgt dat de moeder als enige gezaghebbende ouder de minderjarige op of omstreeks 19 maart 2010 heeft meegenomen naar Frankrijk, hetgeen zij naar het oordeel van het hof ook mocht doen gezien haar gezagsrecht. Immers, ingevolge artikel 2, onder 9, van de Verordening 2201/2003/27 november 2003/EG van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel IIbis) houdt ‘gezagsrecht’ in het bijzonder in: het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen (vlg. artikel 5, aanhef en onder a, HKOV).

11. De vader wist dat de moeder op of omstreeks 19 maart 2010 met de minderjarige is vertrokken naar Frankrijk. Uit de schriftelijke informatie van de huisarts blijkt dat de minderjarige ingevolge een mededeling van de vader, dat de ouders uit elkaar zijn gegaan en het kind nu bij de moeder in Frankrijk woonde, op 1 april 2010 is uitgeschreven door de huisarts. Toen evenwel bleek dat de moeder niet met de minderjarige wenste terug te keren naar Nederland, zoals de vader wilde, en zij niet meer wilde dat de vader contact met haar en de minderjarige zou opnemen, heeft de vader, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting, contact opgenomen met grootvader van moederszijde. Deze heeft – zo blijkt ook uit de verklaring van de moeder opgenomen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2010 bij de rechtbank – de moeder verzocht om met de minderjarige naar de vader in Nederland terug te keren. De moeder heeft dit geweigerd. De vader is vervolgens op 3 april 2010 ’s nachts de minderjarige met twee mannelijke familieleden bij de moeder in Frankrijk gaan ophalen. Volgens de moeder met overmacht en tegen haar wens.

12. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat ten tijde dat de vader de minderjarige weer heeft meegenomen, deze inmiddels zijn gewone verblijfplaats bij de moeder in Frankrijk had

verkregen. De eerste grief van de centrale autoriteit slaagt derhalve.

13. Het hof is van oordeel dat de vader, door de minderjarige tegen de wil van de moeder mee te nemen naar Nederland en tegen haar wil in Nederland te houden, in strijd met het gezagsrecht van

de moeder handelde en handelt en de minderjarige derhalve ongeoorloofd heeft overgebracht naar Nederland en niet doen terugkeren in de zin van artikel 3 van het HKOV. Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat de moeder reeds op 13 april 2010 een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar zijn verblijfplaats bij haar in Frankrijk heeft ingediend bij de Franse centrale autoriteit hetgeen naar het oordeel van het hof de stelling van de vrouw, dat zij zich met de overbrenging van de minderjarige niet kon en kan verenigen, bevestigt. Dit oordeel wordt niet anders indien ervan uit gegaan zou moeten worden dat – wat daar ook van zij – naar Frans recht, gelet op de inmiddels gewone verblijfplaats van de minderjarige in Frankrijk, de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over de minderjarige zouden hebben nu, tegenover de betwisting van de moeder, de vader geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat de overbrenging gebeurde met haar toestemming.

14. De vader heeft zich beroepen op de uitzonderingsgronden van artikelen 12 tweede lid en 13 eerste lid onder a en onder b van het HKOV. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

De uitzonderingsgrond van artikel 12 HKOV doet zich niet voor, daar de moeder binnen een jaar na de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland een verzoek tot teruggeleiding heeft ingediend.

Ten aanzien van de grond in artikel 13 eerste lid sub a HKOV overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat sprake zou zijn van een instemming van de moeder aan de vader om blijvend voor de minderjarige te zorgen. Uit het overzicht van de huisarts blijkt, hetgeen ook door de vader is bevestigd dat de minderjarige ook na oktober 2009 nog in Frankrijk heeft verbleven.

Ten aanzien van de grond in artikel 13 eerste lid sub b HKOV overweegt het hof dat geenszins is komen vast te staan dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk en/of geestelijk gevaar dan wel hij op enigerlei wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De moeder heeft de door de vader hiertoe aangevoerde gronden ontkend. Verder staat vast dat de minderjarige, voorafgaande aan 19 maart 2010, telkens, voor een kortere dan wel een langere periode, in Frankrijk bij de moeder heeft verbleven, hetgeen tot dan toe kennelijk de instemming van de vader heeft gehad. Daarenboven zijn partijen in de vaststellings-overeenkomst overeen gekomen dat de minderjarige, in het geval zijn teruggeleiding naar Frankrijk niet zal worden gelast, in de zomervakantie zes weken bij de moeder zal verblijven, hetgeen zich aan de zijde van de vader niet verdraagt met zijn stelling dat alsdan een ernstig risico voor de minderjarige bestaat zoals hiervoor is aangeduid.

15. Nu er geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12, eerste lid, HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige. Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en de terugkeer van de minderjarige naar Frankrijk wordt gelast.

16. Het hof zal, conform het bepaalde in artikel 13, vijfde lid, Uitvoeringswet, de afgifte van de minderjarige aan de moeder bevelen voor het geval de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar Frankrijk en wel uiterlijk op zondag 13 maart 2011.

……”

Op grond van artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet Verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen is de onderhavige beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

2.13. [eiser] heeft tegen voornoemde beschikking van het gerechtshof tijdig een verzoek tot cassatie ingediend bij de Hoge Raad der Nederlanden.

2.14. [eiser] heeft een verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling van [B] ingediend bij de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam. Dit verzoek zal op 28 maart 2011 door de kinderrechter ter zitting worden behandeld.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat het de voorzieningenrechter moge behagen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en alle dagen en uren, de Staat te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof te

’s-Gravenhage van 7 maart 2011 (zaaknummer: 200.082.059/01) voor zover die beschikking betrekking heeft op de teruggeleiding van de mind[B]ige [B], totdat op het onderhavige geschil tussen partijen door de Hoge Raad der Nederlanden is beslist, althans met zodanige voorziening als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

3.2. De Staat der Nederlanden voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis of, zoals hier, een executabele beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2. [eiser] heeft aangevoerd dat het gerechtshof - in strijd met artikel 8 EVRM - ten onrechte de toetsing en belangenafweging bezien vanuit het kind zelf bij zijn beoordeling niet heeft betrokken (zie ook EHRM, 6 juli 2010, nr. 41615/07), zoals de familiaire omstandigheden van het kind en de omgeving waarbinnen het kind functioneert in samen- hang bezien met de leeftijd, gedragsstructuur en emotionele ontwikkeling van het kind. Ook heeft het gerechtshof niet op de juiste wijze rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiser] naar Frans recht (mede) het gezag heeft over [eiser].

Het gerechtshof heeft louter op formele gronden het hoger beroep van de centrale autoriteit tegen de beschikking d.d. 27 januari 2011 van de meervoudige kamer van de rechtbank beoordeeld. Wil een deugdelijke belangenafweging mogelijk zijn, dan dienen eerst de relevante feiten te zijn verzameld en vastgesteld, zo stelt [eiser]. Moeder komt voortdurend met nieuwe variaties op eerder ingenomen stellingen. Onder deze omstandigheden en bezien vanuit het belang van het kind dient deze tenuitvoerlegging te worden geschorst.

Daar komt bij dat het door [eiser] tegen de beschikking van het Hof ingestelde cassatie

reeds vanwege het belangcriterium dreigt te stranden, indien [B] voor die tijd wordt teruggeleid naar Frankrijk. Dit zou een onaanvaardbare doorkruising van artikel 6 EVRM met zich meebrengen (zie ook Voorzieningenrechter Rechtbank ’s-Gravenhage, 13-01-2011, 383955/KG ZA 10-1654, waarin de voorzieningenrechter oordeelt dat de onverwijlde tenuitvoerlegging door de Staat zonder het cassatieberoep af te wachten een onaanvaardbare doorkruising van artikel 6 EVRM met zich zou brengen). Het zou misbruik van bevoegdheid opleveren indien de Staat der Nederlanden desondanks tot tenuitvoerlegging zou willen overgaan.

4.3. De Staat der Nederlanden heeft betoogd dat er geen sprake is van een klaar-blijkelijke misslag van het Hof in de haar gewezen beschikking of van een - op basis van na de beschikking van het Hof aan het licht gekomen feiten - ontstane noodtoestand.

Het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (hierna: HKOV) dient immers restrictief te worden uitgelegd. Dit geldt in het bijzonder voor artikel 13, lid 1 onder b HKOV (“Er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht”).

In het geval dat een ongeoorloofde overbrenging wordt vastgesteld, zoals in casu het geval, wordt teruggeleiding in het perspectief van het HKOV altijd in het belang van het kind geacht, extreme situaties - zoals bijvoorbeeld kindermishandeling - daargelaten. Daarvoor zijn in casu geen aanwijzingen. [eiser] kan bovendien zijn zorg uiten, die dan wordt doorgeleid naar de Franse autoriteiten, want het is aan de staat waar het kind naar terug wordt geleid beschermende maatregelen te treffen (zie artikel 11, lid 4 van de Brussel II bis-Verordening). Nu het Hof heeft vastgesteld dat [eiser] zonder toestemming van [A] en in weerwil van het gezagsrecht van [A] [B] heeft overgebracht naar Nederland, heeft het Hof hiermee geoordeeld dat geen van de in het HKOV genoemde weigeringsgronden voor teruggeleiding aan de orde zijn.

Nu artikel 8 EVRM in het licht van artikel 3 van het HKOV dient te worden uitgelegd, kan een beroep op artikel 8 EVRM [eiser] niet baten. Bovendien beschermt artikel 8 EVRM ook het belang van het gezinsleven van de moeder en het kind. Uiteindelijk is het geven van een beslissing over het gezag en dus de definitieve verblijfplaats van [B] voorbehouden aan de rechter in Frankrijk. Het door [eiser] gedane verzoek tot ondertoezichtstelling van [eiser] maakt dit niet anders, nu dit niet een na de beschikking aan het licht gekomen feit betreft, dat klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan.

4.4. Ter zitting heeft [eiser] aangegeven geen beroep te doen op het ontstaan van een noodtoestand, zodat hetgeen de Staat der Nederlanden hierover heeft aangevoerd onbesproken zal blijven.

4.5. De vraag die voorligt is of in casu sprake is van een juridische of feitelijke misslag, althans of de Staat der Nederlanden misbruik maakt van zijn bevoegdheid door de beschikking van het gerechtshof nu ten uitvoer te leggen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.5.1. Artikel 1 van het HKOV ziet op de terugkeer van kinderen naar de plek waar zij gewoon waren te verblijven. Bovendien volgt uit de doelstelling van het HKOV - te weten herstel van de vroegere situatie van het kind - dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd. Blijkens paragraaf 112 van de Toelichting bij het HKOV en blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 20461, vergaderjaar 1987-1988, nr. 3) staat het HKOV niet in de weg aan de toepassing van Mensenrechtenverdragen.

4.5.2. Vooropgesteld wordt dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat de werkelijke verblijfplaats van [B] voorafgaand aan 19 maart 2010 Nederland was doch dat, op het moment dat [eiser] zijn zoon meenam, die verblijfplaats - in de zin van het HKOV - in Frankrijk was.

4.5.3. De vraag die voorlag bij de beslissing van het gerechtshof was of hier sprake is van illegale kinderontvoering in de zin van artikel 3 HKOV. Het HKOV berust op het uitgangspunt dat het onttrekken van een kind aan een over hem uitoefenend gezagsrecht en permanente verwijdering uit zijn vertrouwde omgeving strijdig is met het belang van het kind. Als eenmaal wordt aangenomen dat de verblijfplaats in Frankrijk was, (anders is er in het geheel geen sprake van kinderontvoering) heeft, blijkens artikel 3 onder 1 HKOV, ook het Franse recht te gelden op het punt van het gezag over [B]. Nu op basis van de feiten onder 2.4. en de stellingen van [eiser] bezien in het licht van het Franse recht (Code Civil boek I artt. 316 jo. 371-1 jo. 373-2) bepaald niet valt uit te sluiten dat de ouders naar Frans recht gezamenlijk het gezag hebben valt niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, in te zien hoe het gerechtshof zonder meer kon oordelen dat het meenemen van [B] dus onttrekking aan het gezag was.

De mededeling aan het slot van rechtsoverweging 13 van het gerechtshof (zie 2.12.), dat niet aannemelijk is gemaakt dat [A] instemde met het meenemen, is daartoe niet voldoende. Enerzijds ligt voor de hand dat de “bewijslast” (waarbij dit woord in ruime zin wordt gebruikt) aangaande de gezagsonttrekking bij de Staat der Nederlanden rust, zodat het niet aan [eiser] was om zijn stelling aannemelijk te maken. Anderzijds is onduidelijk, en door het gerechtshof ook niet toegelicht en/of onderzocht, waarom het van oordeel is dat, als de ouders het niet eens waren over de verblijfplaats, het - naar Frans recht - onrechtmatig was dat [eiser] [B], zoals aangekondigd, meenam naar het land waar hij vrijwel zijn hele leven had gewoond. Als - ook - [eiser] het gezag had is dat immers niet zonder meer evident.

4.5.4. In dit kort geding, dat zich beperkt tot het antwoord op de vraag of [B] verblijf mag houden in Nederland tot in cassatie een beslissing is gegeven, dient het belang van [B] voorop te worden gesteld. De bepalingen van het EVRM en de daaraan ten grondslag liggende beginselen spelen daarbij een rol. Naar voorlopig oordeel maakt de Staat der Nederlanden misbruik van bevoegdheid door de beschikking ten uitvoer te leggen.

Daarbij is behalve met voormelde juridische bedenkingen tegen de beschikking, meegewogen dat [B], die net 3 jaar is geworden, een groot deel van zijn leven in Nederland bij zijn vader heeft gewoond en sinds het meenemen uit Frankrijk al weer ruim 11 maanden in Nederland woont en dat het - mede gelet op de onrust die teruggeleiding, hernieuwde aanpassing en worteling zou meebrengen - wenselijk is dat [B] de uitspraak in cassatie in Nederland kan afwachten. De voorzieningenrechter zal daarom de beschikking van het gerechtshof voor zover deze verplicht tot teruggeleiding schorsen tot in cassatie is beslist. Naar ter zitting bleek is een dergelijke beslissing op een termijn van circa 6-10 maanden te verwachten.

4.6. De Staat der Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- vast recht 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.164,81

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt de Staat der Nederlanden om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 maart 2011 (zaaknummer:

200.082.059/01), voor zover deze beschikking betrekking heeft op de teruggeleiding van [B], totdat op het onderhavige geschil tussen partijen door de Hoge Raad der Nederlanden is beslist;

5.2. veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.164,81;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten in tegenwoordigheid van

mr. H.C. Fraaij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.

1862/106?