Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
10/994514-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gasolielek. Overtreding Wet milieubeheer en Arbeidsomstandighedenwet. Gedragingen werknemer toe te rekenen aan de rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/994514-10

Datum uitspraak: 3 februari 2011

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[naam rechtspersoon],

gevestigd te: [vestigingsplaats en adres],

op de terechtzitting vertegenwoordigd door de bepaald gemachtigde [naam vertegenwoordiger], in dienst bij de verdachte rechtspersoon,

raadsman mr. R.A. Fibbe, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Nieuwenhuis heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in de opzetvariant;

- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 15.000,- voor feit 1

en tot een geldboete van € 15.000,- voor feit 2.

GELDIGHEID DAGVAARDING TEN AANZIEN VAN FEIT 1

Door de raadsman is het verweer gevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot feit 1 nietig zou moeten worden verklaard. Hij heeft, zakelijk weergegeven, daartoe het volgende aangevoerd:

a) de dagvaarding is innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk, nu aan de verdachte rechtspersoon wordt verweten dat zij zich heeft gedragen in strijd met artikel 1.1 van de vergunningsvoorschriften, echter zonder dat een feitelijk handelen wordt omschreven waaruit die gedraging zou hebben bestaan en slechts wordt gesproken van een gebeurtenis die zich zou hebben voorgedaan (een emissie van gasolie);

b) de tenlastelegging onder 1 bevat, in strijd met artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet een vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Ad a.

Artikel 1.1 van de voorschriften van de in de tenlastelegging genoemde vergunning luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “De inrichting mag alleen in werking mag zijn overeenkomstig de beschrijving in de aanvraag en de hierna volgende voorschriften. ……….Emissies naar de lucht en bodem, die niet in de aanvraag of voorschriften zijn vermeld, zijn verboden”.

De tenlastelegging ziet met name op deze laatste zin van voorschrift 1.1en moet redelijkerwijs zo worden begrepen dat het verwijt wordt gemaakt, dat er een aan de verdachte rechtspersoon toe te rekenen emissie heeft plaatsgevonden die niet in de vergunningsvoorschriften was voorzien en dat zij zich aldus heeft gedragen in strijd met de vergunningvoorschriften.

Een gedraging zoals zojuist bedoeld kan bestaan uit een handelen en nalaten, doch ook, zoals in dit geval, uit het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis. Niet vereist is dat feitelijk wordt omschreven waardoor de emissie is veroorzaakt.

Aldus bezien kan niet gezegd worden dat hier sprake is van een innerlijk tegenstrijdige, onbegrijpelijk dagvaarding, zoals door de raadsman gesteld.

Ad b.

In de dagvaarding is vermeld dat zich een emissie van gasolie naar de lucht en/of de bodem zou hebben voorgedaan, welke gasolie afkomstig was uit een refluxleiding (LP 2020) van destillatiekolom C201 en/of vat V213. Daarmee voldoet de tenlastelegging aan de eisen van duidelijkheid en bepaaldheid als bedoeld in artikel 261 Sv. Voldoende duidelijk is tegen welk verwijt de verdachte rechtspersoon zich heeft te verweren, zoals bij de behandeling ter zitting overigens ook is gebleken

Het voorgaande leidt ertoe dat het verweer zal worden verworpen.

De dagvaarding is geldig.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op of omstreeks 3 januari 2009 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk,

zich heeft gedragen in strijd met voorschrift 1.1 dat verbonden was aan de

krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 22 december 1993 met kenmerk

DWM/66444 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland aan haar

verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres],

aangezien er een emissie naar de lucht en/of de bodem plaatsvond van gasolie,

afkomstig van/uit de/een refluxleiding (LP 2020) van destillatiekolom C201

en/of vat V213, zijnde een emissie naar de lucht en/of de bodem die niet in

de aanvraag of de voorschriften van genoemde vergunning was vermeld;

2.

zij op of omstreeks 3 januari 2009 te Rotterdam,

als degene die op het perceel [adres] aldaar een inrichting voor de

verwerking en opslag van ruwe olie en aardolieproducten dreef, zijnde een

inrichting als bedoeld in categorie 1.3 en/of 4.3 en/of 5.3 en/of 27.3 en/of

28.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

in elk geval een inrichting als bedoeld in Bijlage I van dat besluit,

al dan niet opzettelijk,

niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te

voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken,

hebbende zij door haar werknemer(s) (naam 1 en/of naam 2 en/of naam 3)

werkzaamheden laten verrichten aan de/een refluxleiding (LP2020) van

destillatietoren C201 en/of vat V213 waarin zich gasolie (boven zijn

zelfontbrandingstemperatuur), in elk geval een brandgevaarlijke stof, bevond,

terwijl,

- bij het verwijderen van water uit die refluxleiding (LP 2020) niet de

(interne) werkinstructie watervrij drainen 502FRC025 (volledig) is gevolgd

en/of

- was aangevangen met het lokaliseren van een verstopping in en/of het

ontstoppen van die refluxleiding (LP 2020) terwijl geen inventarisatie van de

risico's had plaatsgevonden en/of geen plan van aanpak was gemaakt en/of

- onvoldoende daadwerkelijk toezicht werd uitgeoefend op de werkzaamheden van

en/of het volgen van (een) werkinstructie(s) en/of procedure(s) door het

bedienend personeel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken. In het bijzonder wordt hier opgemerkt dat, anders dan de officier van justitie, de rechtbank het ten laste gelegde opzet bij feit 1 niet bewezen acht.

Voor wat betreft feit 2 gaat de rechtbank er vanuit dat de woorden “al dan niet opzettelijk” bij vergissing zijn opgenomen in de tenlastelegging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte rechtspersoon het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN FEIT 2

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte rechtspersoon van het onder 2 onder het 1e gedachtestreepje ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Het gedrag van haar werknemer [naam 1], waarbij hij eigenmachtig, in afwijking van de (interne) werkinstructie watervrij drainen 502FRC025 een ringsleutel in de afsluiter van de drain van de refluxleiding (LP2020) heeft gestoken, kan redelijkerwijs niet aan de verdachte rechtspersoon worden toegerekend.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Op 3 januari 2009 hebben drie in dienst zijnde werknemers (operators) van de verdachte rechtspersoon, onder wie hoofd procesoperator [naam 1], in opdracht van de verdachte rechtspersoon werkzaamheden verricht aan de refluxleiding (LP2020). Daarbij heeft [naam 1] op enig moment een ringsleutel in de afsluiter van de drain gestoken, ten einde een verstopping in de leiding te lokaliseren. Ten gevolge hiervan heeft een verboden emissie van gasolie plaatsgevonden.

De vraag die hierbij wordt opgeroepen en beantwoord moet worden is of het gedrag van [naam 1] zo uitzonderlijk is binnen de bedrijfsvoering van de verdachte rechtspersoon dat dit gedrag redelijkerwijs niet aan haar kan worden toegerekend.

[Naam 1] heeft met betrekking tot de gang van zaken op 12 januari 2009 als getuige verklaard dat hij, nadat het uitvloeien van vloeistof was gestopt, met een schroevendraaier heeft geprobeerd om te voelen waar zich ongeveer de verstopping bevond. Omdat hij niets voelde was deze kennelijk te kort. Hierna is zijn collega [naam 2], voorafgaande aan het steken met de ringsleutel, op eigen initiatief op zoek gegaan naar een lang stuk (beton)ijzer om te kunnen voelen in de drain.

[Naam 2] heeft als getuige verklaard dat het drainen van een refluxleiding tot de standaard operationele werkzaamheden behoort. Hij heeft gezien dat [naam 1] een schroevendraaier in de drain stak, kennelijk om te controleren of de afsluiter open stond. Het is bij de operators gebruikelijk om dit op deze wijze te doen gelet op de staat van de afsluiters bij de verdachte rechtspersoon. Omdat [naam 2] wist wat [naam 1] wilde doen is hij op eigen initiatief op zoek gegaan naar een langer stuk ijzerdraad. In het op 30 september 2009 opgemaakte proces-verbaal van [naam inspecteur], inspecteur van de Arbeidsinspectie, merkt deze verbalisant in een noot op dat het doorsteken van een verstopping in een leiding door middel van een schroevendraaier of een ander voorwerp onder operators niet ongebruikelijk is. De vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon heeft ter terechtzitting verklaard dat het steken van voorwerpen door operators wel wordt gedaan, zij het dan in geblokte installaties.

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het beschreven handelen van [naam 1] dat heeft geleid tot de verboden emissie van gasolie, welk handelen plaatsvond in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden, niet van zo uitzonderlijke aard is in de dagelijkse praktijk van de bedrijfsvoering binnen de verdachte rechtspersoon, dat dit gedrag redelijkerwijs niet aan de verdachte rechtspersoon zou kunnen worden toegerekend. Derhalve levert dit een aan de verdachte rechtspersoon strafrechtelijk toe te rekenen overtreding op van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet.

STRAFBAARHEID FEITEN

Door de raadsman is voorts bij pleidooi aangevoerd dat genoemd vergunningsvoorschrift 1.1 strijdig is met het systeem van de wet en dat overtreding ervan geen strafbaar feit oplevert. Hij stelt daartoe het volgende, zakelijk weergegeven.

Dit vergunningsvoorschrift komt inhoudelijk overeen met bepalingen uit de Wet milieubeheer waarop de vergunning gebaseerd is. In een vergunning mogen slechts die voorschriften worden opgenomen die in aanvulling op de wet nodig zijn.

Bovendien behelst voorschrift 1.1 slechts een beginselverklaring en heeft het geen inhoudelijke betekenis.

Het voorgaande dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging ter zake het onder 1 ten laste gelegde feit, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Vergunningsvoorschrift 1.1 is niet in strijd met het systeem van de wet, nu dit voorschrift is gebaseerd op de Wet milieubeheer, welke wet geen algemene bepaling kent die emissies verbiedt. Derhalve komt dit vergunningsvoorschrift, anders dan door de verdediging is betoogd, inhoudelijk niet overeen met enige van de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Vergunningsvoorschrift 1.1 bevat, gelet op de laatste zinsnede van dit voorschrift, een algemene verbodsbepaling. Niet valt in te zien dat overtreding van dit voorschrift niet een strafbaar feit kan opleveren.

Nu ook anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, is het onder 1 ten laste gelegde feit strafbaar.

De bewezen feiten leveren op:

1.

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon;

2.

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE RECHTSPERSOON

De verdachte rechtspersoon is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte rechtspersoon worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte rechtspersoon heeft in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende milieuvergunning gehandeld doordat er in een door haar gedreven inrichting een uitstoot van gasolie, afkomstig uit refluxleiding (LP 2020) van destillatiekolom C201 en vat V213, naar de lucht plaatsvond. Een dergelijke uitstoot van gasolie kan schade opleveren voor het milieu en de volksgezondheid. De verdachte rechtspersoon heeft een aantal van haar werknemers drainage-

werkzaamheden laten verrichten aan voornoemde refluxleiding, waarin zich gasolie boven zijn zelfontbrandingstemperatuur bevond, waarbij niet de (interne) werkinstructie watervrij drainen 502FRC025 (volledig) is gevolgd. Bij de uitvoering van genoemde werkzaamheden heeft een van haar werknemers namelijk een ringsleutel in de geopende afsluiter van de drain gestoken. De verdachte rechtspersoon heeft aldus niet alle maatregelen getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

De rechtbank houdt enerzijds rekening met het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van de verdachte rechtspersoon d.d. 30 december 2010, waarop meerdere overtredingen van milieuvoorschriften voorkomen, wellicht mede te verklaren door de grootte en de diverse bedrijfsactiviteiten van de verdachte rechtspersoon. Anderzijds wil de rechtbank aannemen dat de verdachte rechtspersoon veel belang hecht aan een goede reputatie en de nodige moeite doet om overtredingen als deze te voorkomen.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van de hierna te noemen twee geldboetes passend en geboden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen

23, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 onder 3°, 1a onder 1°, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 5, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, zoals deze golden ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro) voor het onder 1 bewezen verklaarde feit;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro) voor het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Franken en Blagrove, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lemm, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van [naam rechtspersoon]:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 3 januari 2009 te Rotterdam,

al dan niet opzettelijk,

zich heeft gedragen in strijd met voorschrift 1.1 dat verbonden was aan de

krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 22 december 1993 met kenmerk

DWM/66444 door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland aan haar

verleende vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres],

aangezien er een emissie naar de lucht en/of de bodem plaatsvond van gasolie,

afkomstig van/uit de/een refluxleiding (LP 2020) van destillatiekolom C201

en/of vat V213, zijnde een emissie naar de lucht en/of de bodem die niet in

de aanvraag of de voorschriften van genoemde vergunning was vermeld;

[artikel 18.18 Wet milieubeheer];

2.

zij op of omstreeks 3 januari 2009 te Rotterdam,

als degene die op het perceel [adres] aldaar een inrichting voor de

verwerking en opslag van ruwe olie en aardolieproducten dreef, zijnde een

inrichting als bedoeld in categorie 1.3 en/of 4.3 en/of 5.3 en/of 27.3 en/of

28.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

in elk geval een inrichting als bedoeld in Bijlage I van dat besluit,

al dan niet opzettelijk,

niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te

voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken,

hebbende zij door haar werknemer(s) (naam 1 en/of naam 2 en/of naam 3)

werkzaamheden laten verrichten aan de/een refluxleiding (LP2020) van

destillatietoren C201 en/of vat V213 waarin zich gasolie (boven zijn

zelfontbrandingstemperatuur), in elk geval een brandgevaarlijke stof, bevond,

terwijl,

- bij het verwijderen van water uit die refluxleiding (LP 2020) niet de

(interne) werkinstructie watervrij drainen 502FRC025 (volledig) is gevolgd

en/of

- was aangevangen met het lokaliseren van een verstopping in en/of het

ontstoppen van die refluxleiding (LP 2020) terwijl geen inventarisatie van de

risico's had plaatsgevonden en/of geen plan van aanpak was gemaakt en/of

- onvoldoende daadwerkelijk toezicht werd uitgeoefend op de werkzaamheden van

en/of het volgen van (een) werkinstructie(s) en/of procedure(s) door het

bedienend personeel;

[artikel 6 Arbeidsomstandighedenwet en/of 8.40 Wet milieubeheer juncto artikel

5 Besluit risico's zwaren ongevallen 1999]