Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP9372

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
361210 / HA ZA 10-2553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, aansprakelijkheid, medische behandeling, medische fout, stuitbreuk bij bevalling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 361210 / HA ZA 10-2553

Vonnis van 2 maart 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. L.J. van Rooijen te Rotterdam,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam ERASMUS MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Capelle aan den IJssel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en EMC genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 augustus 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord van 17 november 2010;

- het vonnis van 1 december 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van 27 december 2010 van mr. Van Rooijen, met een productie;

- de brief van 4 januari 2011 van mr. A.M. den Hertog-de Visser (EMC), met producties;

- de brief van 7 januari 2011 van mr. Den Hertog, met een productie;

- het faxbericht van 11 januari 2011 van mr. Den Hertog, met een productie;

- het proces-verbaal van de op 18 januari 2011 gehouden comparitie van partijen;

- het faxbericht van 31 januari 2011 van mr. Den Hertog.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

[eiseres] is van 8 februari 2005 tot 10 februari 2005 opgenomen geweest op de afdeling verloskunde van EMC. Tijdens de opname, op 8 februari 2005 is [eiseres] bevallen van een dochter. De bevalling heeft plaatsgevonden onder leiding van[X], destijds als arts-assistent werkzaam bij EMC.

De opname ten behoeve van de bevalling was geïndiceerd vanwege adipositas (overgewicht), zwangerschapsdiabetes en een intra-uteriene vruchtdood in de voorgeschiedenis.

Het medisch dossier vermeldt voorts onder meer het volgende:

- op 25 april 2005 heeft [eiseres] bij een nacontrole bij een gynaecoloog in het ziekenhuis medegedeeld dat zij enkele weken na de bevalling last heeft gekregen van haar stuit;

- op 29 april 2005 is een röntgenfoto gemaakt waarop een mogelijke fractuur van het staartbeen zichtbaar is;

- [eiseres] heeft pijnklachten gehouden, maar operatieve behandeling is haar door een orthopedisch chirurg afgeraden in verband met een zeer hoog complicatierisico en een geringe kans op goed resultaat.

Bij brief van 14 januari 2009 van haar (toenmalig) advocaat heeft [eiseres] EMC aansprakelijk gesteld voor schade die het gevolg is van een door [eiseres] opgelopen breuk in het stuitbeen. Bij die brief heeft [eiseres] onder andere vrijwel gelijkluidende verklaringen gevoegd van haar echtgenoot ([Y]) en haar schoonzus ([Z]). De verklaring van 7 september 2008 van [Z] luidt als volgt:

"(...) Nadat het vruchtwatervlies was gebroken zijn wij [eiseres], haar man [Y] en ik naar het ziekenhuis gegaan. Omdat [eiseres] niet veel weeën had, kwamen er geen zusters langs omdat het nog lang zou duren. Naderhand kwamen de weeën vaker en uiteindelijk kwam de dokter langs en werd [eiseres] verplaatst naar de verloskamer. De dokter had aangegeven dat het nog een paar uur zou duren voor de bevalling en was daarna vertrokken. De sluiting had de 10 cm bereikt, en nog vond de dokter het nog te vroeg voor de bevalling. De dokters hielden zogenaamd alles onder controle gedurende de gehele bevalling achter de spiegeldeur.

Nadat ze hadden gezien dat het hoofd van de baby bijna eruit kwam, kwam de dokter als een speer de verloskamer binnen en wilde hij de onderkant van de verlostafel verlagen door met de voet op het hendel te drukken. Maar omdat de dokter met paniek binnen kwam drukte hij te hard op het hendel, waardoor de onderkant van de verlostafel naar beneden zakte. Hierdoor glee [eiseres] ook naar beneden. Wij (haar man en ik) hielden [eiseres] vast bij armen en trokken haar terug. Als wij haar niet hadden terug getrokken, was zij op haar achterste gevallen samen met de baby, en zou de baby het misschien niet hebben overleefd.

Tijdens de val schrok [eiseres] en waren de weeën gestopt, waardoor het hoofd van de baby was gekneld bij de vagina. Door adem te kort bij de knelling raakte de baby bond en blauw, waarna de baby direct onder controle werd gehouden. Na de bevalling had [eiseres] aangegeven dat ze een erge pijn had aan haar stuitje, waarop ze een antwoord kreeg dat het van bevalling was. Ze hebben de pijn niet serieus genomen. Na 2 dagen verblijf in het ziekenhuis werd ze ontslagen.

Deze pijn bleef een paar weken aan de gang en besloot [eiseres] om naar de huisarts te gaan. Daar heeft ze te horen gekregen dat het een breuk bleek te zijn. (...)"

Het geschil

[eiseres] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat EMC jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van de stuitbreuk die bij de bevalling op 8 februari 2005 is ontstaan, met veroordeling van EMC om aan [eiseres] die schade te vergoeden, op te maken bij staat, alsmede om EMC te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op de schade en een bedrag van € 1.934,46 ter zake van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand, genoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en met veroordeling van EMC in de kosten van de procedure.

EMC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[eiseres] grondt haar vorderingen op een tekortkoming van de zijde van EMC bij de uitvoering van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst inzake geneeskundige behandeling (artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek; BW) en op aansprakelijkheid van EMC als bezitter van een gebrekkige (hulp)zaak (artikel 6:173 BW). [eiseres] stelt daartoe tegen de achtergrond van de vaststaande feiten - kort weergegeven - het volgende. De behandelend arts heeft kort voor de uitdrijving de achterzijde van de verlostafel weg laten klappen. Het onderlichaam van [eiseres] is daardoor naar beneden geklapt als gevolg waarvan [eiseres] een stuitbreuk heeft opgelopen. Het gebruikte verlosbed was gebrekkig omdat dit klaarblijkelijk de mogelijkheid had van het plotseling wegklappen van het achterste gedeelte van het bed. Dit levert bijzonder gevaar voor personen op. De bezitter van die zaak, EMC, is voor de schade die hierdoor ontstaat aansprakelijk.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7:453 BW moet de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.

De aard van de rechtsverhouding tussen partijen brengt mee dat op EMC een verzwaarde stelplicht rust. Van EMC mag worden verwacht dat zij haar betwisting van de stellingen van [eiseres] deugdelijk motiveert en dat zij de op de medische behandeling betrekking hebbende informatie aan [eiseres] verstrekt teneinde haar aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering met betrekking tot de gestelde medische fout. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] haar stelling dat EMC niet aan deze verplichting heeft voldaan onvoldoende heeft gemotiveerd. Immers, EMC heeft de beschikbare medische informatie aan [eiseres] ter beschikking gesteld. Voorts heeft EMC onder andere een gebruiksaanwijzing en technische omschrijving van het gebruikte verlosbed overgelegd, alsmede schriftelijke verklaringen van de behandelend arts ([X]) en de begeleide[A]).

[X] heeft op 4 januari 2011 de volgende verklaring afgelegd:

"Mij is gevraagd om verslaglegging te doen van de partus bij mevrouw [eiseres].

Ik ben gedurende 2 jaar werkzaam geweest als arts assistent gynaecologie/obstetrie in het ErasmusMC in de periode 2002-2004. Ik kan mij weinig partussen dusdanig herinneren dat ik aan het gestelde verzoek om van de desbetreffende partus verslag te doen, dit na al jaren een andere professie te beoefenen, gevolg kan geven. Ik kan niet inschatten hoeveel partussen ik in mijn jaren als assistent gynaecologie/obstetrie, in de diverse ziekenhuizen alwaar ik deze functie heb bekleed, heb begeleid (2000-2005). Ongetwijfeld is dit in de database van het ErasmusMC terug te vinden. De partussen in het ErasmusMC waarvan ik mij nog enkele details kan herinneren zijn beperkt tot die gevallen waarvan de uitkomst als passend bij gecompliceerde casuïstiek behoren. De partus van mevrouw [eiseres] behoort hier niet toe.

Een dwarsbed wordt gemaakt als het dorsaal flecteren van het hoofd in vulva niet genoeg gevolg geeft aan de proximale cq. ventrale schouder. Het ontstaan van deze situatie is niet altijd in een vroeg stadium te onderkennen. Naar ik begreep heb ik in de status verslaglegging gedaan van een lastige schouderontwikkeling. Indien complicaties in het vroege postpartum tijdperk zouden zijn voorgevallen, dan zou ik meer informatie hebben opgeschreven. Ik ben dan ook van mening dat de verrichting in casu door mij lege artis is verricht. Mocht dit tot klachten bij patiënte hebben geleid dan is dit mijns inziens niet te voorkomen geweest om de gezondheid van haar kind te kunnen waarborgen.

(...)"

[A] heeft op 4 januari 2011 de volgende verklaring afgelegd:

"Mijn naam is [A]. Van 2004 tot 2009 ben ik als gespecialiseerd verpleegkundige werkzaam geweest op de afdeling verloskunde van het Erasmus MC Sophia.

Gemiddeld begeleidde ik als verpleegkundige op de afdeling ongeveer 35 bevallingen per jaar. Bevallingen waarbij zich een incident met moeder en/of kind heeft voorgedaan zijn mij in de loop der jaren wel bijgebleven.

Van een bevalling waarbij iemand van het verlosbed gevallen zou zijn, ken ik mij echter niks herinneren. Dergelijke, voor mij forse, incidenten zouden mij zeker bij gebleven zijn en zouden door mij en mijn collega's gerapporteerd worden in het partusverslag en de algemene patiënten rapportage.

De bevalling van mw. [eiseres] kan ik mijzelf op geen enkele wijze herinneren. Ook de door mij geschreven verpleegkundige rapportage van de partus komt op geen enkele wijze overeen met datgene wat volgens mw. [eiseres] is voorgevallen.

Voor de volledigheid van deze verklaring wil ik kort afsluiten met het omschrijven hoe het voeteneinde van een verlosbed naar beneden zakt en in welke gevallen dit gebeurt.

Vaak wordt een dwarsbed gemaakt als de bevalling niet volgens planning verloopt en de arts de bevalling moet bespoedigen. Op een handmatige manier kan je het voeteneinde van het bed laten zakken, om het daarna onder het bed te schuiven. Dit om meer ruimte te creëren voor arts, verloskundige en verpleegkundige. Door twee handgrepen aan het voeteneinde in te knijpen en het voeteneinde iets op te lichten kan dit gedeelte van het bed naar beneden worden geduwd om daarna onder het bed te worden geschoven. Deze handeling verloopt redelijk snel.

Ik kan mij niet herinneren dat een patiënt tijdens deze handeling ooit gevallen is of vanaf het bed op de grond is geschoven."

De rechtbank wijst erop dat het feit dat de behandelend arts en de begeleidend verpleegkundige zich de onderhavige bevalling van 8 februari 2005 niet meer herinneren, niet de conclusie rechtvaardigt dat EMC niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan. EMC kan niet meer informatie verstrekken dan de informatie die zij heeft. Dat zij meer informatie behoorde te hebben, kan uit hetgeen is gesteld en gebleken niet worden afgeleid. Gelet op het tijdsverloop en het oordeel van de behandelend arts en de begeleidend verpleegkundige dat zich tijdens de bevalling geen opmerkelijke bijzonderheden hadden voorgedaan, is het goed voorstelbaar dat zij zich na verloop van jaren de onderhavige bevalling niet meer herinneren.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] in het licht van de gemotiveerde betwisting door EMC niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat er op 8 februari 2005 sprake is geweest van een medische fout als gevolg waarvan [eiseres] een stuitbreuk heeft opgelopen. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

[eiseres] heeft ter comparitie van partijen medegedeeld dat zij tijdens de bevalling op een plat (horizontaal) uit twee stukken bestaand verlosbed lag. Het gedeelte van het verlosbed waarop haar benen lagen, ging als gevolg van een handeling van de behandelend arts naar beneden. Daardoor gleed zij een stukje naar beneden, maar doordat zij bij de armen werd gepakt door haar man en schoonzus is zij niet van het verlosbed afgevallen. Hoe niettemin een stuitbreuk heeft kunnen ontstaan, heeft [eiseres] niet kunnen verklaren. [eiseres] veronderstelt dat zij met haar stuit op het randje van het verlosbed is terecht gekomen. De rechtbank acht het ontstaan van de stuitbreuk als gevolg van het een stukje naar beneden glijden op het verlosbed echter onaannemelijk, nu het verlosbed geheel is bekleed met een kussen. Daar komt bij dat [eiseres] destijds ook niet direct pijn in haar stuit voelde, hetgeen in de rede had gelegen indien zij als gevolg van een harde klap haar stuit had gebroken. [eiseres] heeft ter comparitie echter verklaard dat zij ook nadat de baby was geboren niet heeft gemerkt dat zij pijn aan haar stuit had. Wel was heel haar lichaam pijnlijk, maar dat schreef zij toe aan de bevalling. Ook gedurende de resterende duur van haar verblijf in het ziekenhuis voelde zij wel pijn, maar niet aan haar stuit. Dat [eiseres] niettemin haar stuit tijdens het een stukje naar beneden glijden op het verlosbed moet hebben gebroken, leidt zij af uit het feit dat zij pijnklachten heeft gehouden sedert de bevalling en dat zij nergens anders is gevallen. Haars inziens is er derhalve geen andere gelegenheid geweest waarbij zij haar stuit kan hebben gebroken, terwijl later wel is vastgesteld dat er een keer een breuk van de stuit heeft plaatsgevonden waarvan zij thans nog immer klachten ondervindt.

Uit de door EMC overgelegde medische informatie blijkt dat een bevalling één van de bekende oorzaken is van een stuitbreuk. Dit is door [eiseres] ook niet weersproken. Dat enige tijd na de bevalling de diagnose van een stuitbreuk is gesteld, rechtvaardigt derhalve niet de door [eiseres] getrokken conclusie dat de stuitbreuk het gevolg is van enigerlei tekortschieten van EMC en/of van de behandelend arts. Reeds de bevalling op zich zou de oorzaak kunnen zijn geweest van een stuitbreuk. De visie van [eiseres] dat het aan EMC is om aan te tonen dat de stuitbreuk ook zonder de verweten gedraging zou zijn ontstaan, is onjuist. De norm die de behandelend arts in de visie van [eiseres] heeft geschonden, is de algemene norm van artikel 7:453 BW (goed hulpverlenerschap). Deze norm beoogt niet tegen een specifiek gevaar te beschermen. Uiteraard kan men die algemene norm op dit geval toespitsen door te stellen dat men het achterste gedeelte van een verlosbed niet plotseling behoort te laten zakken teneinde te voorkomen dat de daarop met de benen liggende patiënt een stuitbreuk zal oplopen, doch dat een dergelijke specifieke norm bestaat, is niet voldoende gemotiveerd gesteld, noch gebleken. De zogenoemde omkeringsregel waarop [eiseres] zich beroept, is hier niet van toepassing. De rechtbank is bovendien van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het een stukje naar beneden glijden op het verlosbed het risico van stuitbreuk in het leven heeft geroepen. Voor het aannemen van voorshands bewijs van causaal verband tussen dat gestelde naar beneden glijden en de stuitbreuk bestaat dan ook geen aanleiding.

Ook de stelling van [eiseres] dat het verlosbed ondeugdelijk was, heeft zij in het licht van de gemotiveerde betwisting door EMC niet voldoende gemotiveerd gehandhaafd. Dat het voeteneinde van het verlosbed betrekkelijk snel naar beneden kan worden geduwd en onder het bed kan worden geschoven, brengt niet mee dat het verlosbed ondeugdelijk is. Het ligt in de rede dat een dergelijke handeling snel behoort te kunnen worden uitgevoerd indien dit wenselijk is om de gynaecoloog en/of verloskundige en/of verpleegkundige meer ruimte te bieden bij het begeleiden van de bevalling. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in een situatie waarin sprake is van een lastige schouderontwikkeling, welke situatie zich volgens het medisch dossier bij de onderhavige bevalling voordeed.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] bij gebreke van een voldoende onderbouwing zullen worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van EMC bepaald op € 314,00 aan vast recht en op € 904,00 aan salaris voor de advocaat,

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.