Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP7069

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
10/700293-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen poging gekwalificeerde doodslag. Vijf jaar gevangenisstraf voor de rol van verdachte bij de gewelddadige overval op een juwelierszaak, waarbij de slachtoffers vastgetaped en ernstig gewond zijn achtergelaten in de kelder van hun winkel. De rechtbank legt daarnaast ambtshalve (derhalve zonder onderliggende vordering benadeelde partij ter zake, red.) hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ad €183.800 op, ter zake het niet verzekerde deel van het bedrag aan schade van de weggenomen en niet teruggevonden sieraden en juwelen. Voor het opleggen van deze maatregel is niet vereist dat die mogelijkheid ter zitting aan de orde is geweest (HR 20 november 2007, NJ 2007, 646). (Gedeeltelijke) toewijzing vorderingen van de benadeelde partijen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/700293-09

Datum uitspraak: 10 februari 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel,

raadsman mr. H. Durdu, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010 en 27 januari 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Solingen heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek

van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 ten laste gelegde is, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 7 december 2010, en nogmaals ter terechtzitting van 27 januari 2011, verklaard dat hij met twee medeverdachten van plan was de juwelierszaak te overvallen. Twee medeverdachten zouden de winkel binnen gaan en daaruit spullen meenemen. De verdachte zou in de vluchtauto wachten. De verdachte is tijdens de overval uit de auto gegaan, de winkel in en heeft spullen uit de winkel meegenomen. Hij is, zoals hij ook ter terechtzitting heeft verklaard, de overvaller die op de camerabeelden te zien is als degene die als derde de winkel binnen komt.

Uit de camerabeelden blijkt dat deze persoon in beeld verschijnt nadat het geweld tegen de [slachtoffers], hierna te noemen de slachtoffer(s), heeft plaatsgevonden en nadat de slachtoffers door de medeverdachten naar de kelder zijn gebracht. Uit deze beelden en de overige inhoud van het dossier kan geconcludeerd worden dat de verdachte zelf geen geweldshandelingen jegens de slachtoffers heeft gepleegd, noch dat hij daarvan getuige is geweest. Vraag is dan ook of de verdachte medeverantwoordelijk is voor het door zijn medeverdachten gepleegde geweld in die zin dat hem de ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden aangerekend.

Van medeplegen van een strafbaar feit is sprake wanneer er een nauwe en bewuste samenwerking is. Het opzet van de betrokkenen moet gericht zijn op zowel de samenwerking als het beoogde strafbare feit. Om tot een bewezenverklaring te komen van het medeplegen van de ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag moet het opzet van de verdachte gericht zijn geweest op de dood van de slachtoffers alsmede op het oorsprongsfeit, namelijk de diefstal met braak.

De verdachte wist dat het de bedoeling was een overval te plegen. Hij is met zijn twee medeverdachten naar de winkel gereden, heeft aanvankelijk buiten op hen gewacht en heeft later spullen uit de winkel meegenomen. Hieruit volgt buiten redelijke twijfel dat de verdachte opzet heeft gehad op de samenwerking met de twee medeverdachten gericht op de overval.

De rechtbank ziet in dit geval echter geen grond voor het oordeel dat aan de verdachte het opzet om de slachtoffer(s) te doden, al dan niet in voorwaardelijke zin, kan worden toegerekend. Hiertoe is redengevend dat niet is gebleken dat van te voren is afgesproken om geweld te gebruiken. De verdachte was niet aanwezig in de winkel toen zijn medeverdachten geweld gebruikten. Wel heeft de verdachte bij binnenkomst in de winkel bloed gezien en, naar eigen zeggen, geconcludeerd dat dit van de slachtoffer(s) moest zijn.

Hoewel van te voren niet over het eventuele gebruik van geweld is gesproken, had verdachte er rekening mee moeten houden dat door zijn medeverdachten bij de overval geweld gebruikt zou worden, wanneer de slachtoffer(s) zich zouden verzetten. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt echter niet dat verdachte rekening moest houden met het hevige geweld dat door zijn medeverdachten is gebruikt, in die zin dat hij er rekening mee moest houden dat dit zou kunnen leiden tot de mogelijke dood van een van de slachtoffers.

Het feit dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd toen hij de winkel binnenkwam, is in dit geval onvoldoende om de onder 1 ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte dient dan ook van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 30 juli 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zijn mededaders met dat opzet

- (onverhoeds) die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (van achteren) vastgepakt en (gedurende lange(re) tijd) vastgehouden en

- (met kracht) meermalen, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] tegen het hoofd en het gezicht en het (boven)lichaam (met geschoeide voet) geschopt en geslagen en

- (met kracht) die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van een trap gesleept en/of gesleurd

- de armen en handen en de mond van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met tape (vast)gebonden;

3.

hij op 30 juli 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid sieraden en juwelen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het (met kracht)

- meermalen, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] tegen het hoofd en/ het gezicht en het (boven)lichaam (met geschoeide voet) schoppen en slaan en

- op de rug van die [slachtoffer 2] te springen en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van een trap slepen en/of sleuren ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

ten aanzien van feit 2

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en evenmin blijkt dat hij heeft ingestemd met de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ook van andere omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat tussen de verdachte en beide medeverdachten sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking kan niet blijken.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

Medeplegen veronderstelt nauwe en bewuste samenwerking. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten. Intensieve samenwerking kan ook blijken uit voorafgaande/stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan.

De verdachte wist dat het plan was om in ieder geval spullen uit de winkel weg te nemen. Op het moment dat de verdachte de winkel in kwam was daar slechts één medeverdachte aanwezig. De verdachte wist dus dat tenminste de eigenaar van de winkel en één medeverdachte zich ergens anders bevonden. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij op het moment dat hij de winkel binnenkwam bloed op de grond zag, en dat hij hieruit heeft geconcludeerd dat dit dan wel van de eigenaar moest zijn. Op de foto’s in het dossier is te zien dat het om een grote hoeveelheid bloed gaat. Gelet op deze omstandigheden had de verdachte moeten weten dat de eigenaar tegen zijn zin ergens werd vastgehouden en dat er geweld was gebruikt tegen de eigenaar. Doordat de verdachte zich op dat moment niet van deze situatie heeft gedistantieerd, maar de sieraden en juwelen naar buiten heeft gebracht, heeft hij de handelingen van zijn medeverdachten aanvaard in die zin dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Dat de rol van de verdachte bij de feiten geringer is geweest dan die van zijn medeverdachten doet hier niet aan af.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Voortgezette handeling van:

2. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

3. medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING STRAF EN MAATREGEL

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige roofoverval op een juwelierszaak, gedreven door een ouder echtpaar. De slachtoffers zijn herhaaldelijk geschopt en geslagen door de mededaders. Hierna zijn de slachtoffers door de mededaders van de trap af gesleept naar de kelder. In de kelder zijn de armen en handen van de slachtoffers vastgebonden met tape en kregen zij ook tape over hun mond geplakt. Eén van de mededaders is teruggekeerd naar boven en heeft daar diverse vitrines en kastjes opengebroken. Hieruit is een grote hoeveelheid sieraden en juwelen buit gemaakt. De verdachte heeft geholpen de buitgemaakte juwelen en sieraden naar buiten te brengen. De verdachte en zijn mededaders zijn vertrokken, zonder zich verder nog te bekommeren om de slachtoffers die - vastgebonden en beiden ernstig gewond - in de kelder zijn achtergelaten.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich bij het plegen van dit delict uitsluitend laten leiden door hun verlangen naar geldelijk gewin en hebben zich op geen enkele manier bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Roofovervallen zijn voor de slachtoffers zeer schokkend en angstaanjagend.

Uit de door het vrouwelijk slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat dit de veertiende keer was dat het echtpaar met een overval te maken kreeg. Zo heftig als deze keer hadden zij het echter nog nooit meegemaakt, en dat kwam omdat de daders zich ontzettend gewelddadig gedroegen. De daders hebben geen blijk gegeven van enig inlevingsvermogen. Ter terechtzitting van 27 januari 2011 heeft de verdachte zijn spijt betuigd maar gezien zijn respectloze houding bij de zitting van 7 december 2010 komt deze spijtbetuiging weinig oprecht over.

Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de slachtoffers nog dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van de overval. Door dergelijke feiten worden de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Tevens is in aanmerking genomen dat de rol van de verdachte bij de andere twee feiten kleiner is dan die van zijn medeverdachten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Schadevergoedingsmaatregel

Bij de diefstal is een grote hoeveelheid sieraden en juwelen weggenomen. Deze sieraden en juwelen zijn tot op heden niet teruggevonden. Uit de stukken blijkt dat de geraamde schade tenminste € 320.000,- betrof. Nu de slachtoffers voor een bedrag van € 136.200,- verzekerd waren tegen overvallen, resteert een schade door verlies van sieraden en juwelen van (tenminste) € 183.800,-. Niet is gebleken dat deze schade op andere wijze is gecompenseerd.

Nu is vast komen te staan dat aan de slachtoffers als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreekse schade is toegebracht ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding om naast de opgelegde gevangenisstraf ook de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor het bedrag van € 183.800,- ten behoeve van de eigenaren van Juwelierszaak [naam] ([slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) op te leggen. Voor het opleggen van deze maatregel is niet vereist dat die mogelijkheid ter zitting aan de orde is geweest (HR 20 november 2007, NJ 2007,646).

Nu de verdachte het strafbare feit ten aanzien waarvan de maatregel zal worden opgelegd samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de eigenaren betalen is de verdachte in zoverre jegens de [slachtoffers] van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededaders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te [woonplaats benadeelde partij 1], terzake van de feiten 1, 2 en 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 24.807,16 en immateriële schade tot een bedrag van € 12.500,-. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade bestaat uit drie posten. Er wordt vergoeding gevorderd van de kosten verbouwing badkamer ad € 18.926,56, schade aan de winkel ad € 4.683,60 en kosten van een nieuwe bril ad € 1.197,-.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de eerste twee posten niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Met betrekking tot de bril alsmede de immateriële schadevergoeding is de officier van justitie van oordeel dat deze posten kunnen worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet van eenvoudige aard is en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van de kosten met betrekking tot de badkamer en de schade aan de winkel is de rechtbank van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor beoordeling van de post met betrekking tot de badkamer is het nodig dat nader onderzoek wordt gedaan naar het letsel van aangeefster om te kunnen bepalen of de aanpassingen aan de badkamer in dat verband noodzakelijk zijn geweest. Ook voor de schade aan de winkel is het niet mogelijk om alleen op basis van de overgelegde factuur te beoordelen of de kosten (geheel) in dit verband zijn gemaakt. Gezien het stadium waarin de strafzaak zich thans bevindt en de tijd die de verdachten al in voorarrest zitten, levert het onderzoek naar genoemde posten een onevenredige belasting voor het strafgeding op. De benadeelde partij zal dan ook voor wat betreft deze twee posten niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Met betrekking tot de kosten van de bril ad € 1.197,- geldt het volgende. Nu is komen vast te staan dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en de gevorderde schadevergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2009, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de medeverdachten de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn medeverdachten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2] wonende te [woonplaats benadeelde partij 2], terzake van de feiten 1, 2 en 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 12.500,-.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schadevergoeding redelijk is en voor toewijzing gereed ligt.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet van eenvoudige aard is en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2009, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de medeverdachten de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn medeverdachten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 56, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade wat betreft de posten verbouwing badkamer ad € 18.926,56 en schade winkel ad € 4.683,60; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten aanzien van de feiten 2 en 3 toe tot een bedrag van € 13.697,- (dertienduidend zeshonderdzevenennegentig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 1] wonende te [woonplaats benadeelde partij 1], te betalen € 13.697,- (zegge: dertienduidend zeshonderdzevenennegentig euro), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 13.697,- (zegge: dertienduidend zeshonderdzevenennegentig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 12.500,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 2] wonende te [woonplaats benadeelde partij 2] te betalen € 12.500,- (zegge: twaalf duizend vijfhonderd euro), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 12.500,- (zegge: twaalf duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de eigenaren van Juwelierszaak [naam] ([slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) te betalen € 183.800 (honderd drieëntachtig duizend en achthonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 319 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Pit, voorzitter,

en mrs. Leinarts en Peeck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2011.

Bijlage bij vonnis van 10 februari 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zaak Overval

hij

op of omstreeks 30 juli 2009

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

één of meer perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet (met kracht)

- meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of

het gezicht en/of het (boven)lichaam (met geschoeide voet) heeft geschopt

en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of

- meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of het

gezicht en/of het (boven)lichaam (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of

- op de rug van die [slachtoffer 2] is gesprongen en/of

- die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] van een trap heeft geduwd/gegooid, althans gesleept

en/of gesleurd en/of

- met een priem en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft

gestoken, althans stekende bewegingen heeft gemaakt, in/naar/in de richting

van het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1],

welk vorenomschreven misdrijf werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal met braak, en welke

geweldshandeling(en) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[art. 288/287 jo 45/47 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij

op of omstreeks 30 juli 2009

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij

verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- (onverhoeds) die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] (van achteren) vastgepakt en/of

(gedurende lange(re) tijd) vastgehouden en/of

- (met kracht) meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2]

op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het (boven)lichaam (met geschoeide

voet) geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen en/of

- (met kracht) die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] van een trap geduwd/gegooid, althans

gesleept en/of gesleurd en/of

- een in een (bedwelmende) vloeistof gedrenkte doek gedrukt op/tegen het

gezicht van die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] en/of

- de armen en/of handen en/of de mond van die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] met tape

(vast)gebonden en/of

- (dreigend) aan die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] (meermalen) (in gebrekkig Engels)

toevoegen van de woorden: "waar is de kluis" en/of "waar is het geld" en/of

"waar is de computer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

[art. 282 jo 47 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij

op of omstreeks 30 juli 2009

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote)

hoeveelheid sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of aan mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het (met kracht)

- meermalen, althans éénmaal (telkens) die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2 op/tegen het

hoofd en/of het gezicht en/of het (boven)lichaam (met geschoeide voet)

schoppen en/of trappen en/of stompen en/of slaan en/of

- op de rug van die [slachtoffer 2] te springen en/of

- die [slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2] van een trap duwen/gooien, althans slepen en/of

sleuren en/of

- met een priem en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

steken, althans stekende bewegingen maken in/naar/in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer 1];

[art. 312 Wetboek van Strafrecht]