Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP7058

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
330684 / HA ZA 09-1358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming overeenkomst? Afgebroken onderhandelingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 330684 / HA ZA 09-1358

Vonnis van 23 februari 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDPROM IV B.V.,

gevestigd te 's-Gravensande,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 1],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats 1],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. O.E. Meijer,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. Postma.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 april 2009;

- de akte van eisers, houdende de producties 1 tot en met 3;

- de akte van eisers, houdende de producties 4 tot en met 6;

- de akte van eisers, houdende productie 7;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 7;

- de conclusie van repliek in conventie, houdende wijziging van eis, en van antwoord in reconventie, met de producties 1.a tot en met 27;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met productie 8;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de akte van gedaagden met de producties 9 tot en met 11;

- de akte van gedaagden, met een nieuwe versie van productie 11;

- de akte uitlating producties.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

2.1. [eiser sub 2 en eiseres sub 3] (hierna ook in enkelvoud: [eiser sub 2 en eiseres sub 3]) en [gedaagde sub 1] wonen in [woonplaats 1] en zijn achterburen van elkaar. [gedaagde sub 1] is in de periode waarin het onderhavige geschil is ontstaan, gehuwd geweest met [gedaagde sub 2].

2.2. Zowel [eiser sub 2 en eiseres sub 3] als ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een aantal percelen met opstallen aan de [de weg] te [woonplaats 1]. Ter plaatse is door de [Gemeente] in het kader van de voorgenomen bouw van een woonwijk een voorkeursrecht gevestigd krachtens de Wet Voorkeursrecht Gemeenten.

2.3. Nedprom is een projectontwikkelaar, met [persoon 1] als directeur.

2.4. Begin 2004 zijn Nedprom en [eiser sub 2 en eiseres sub 3], die al langer contact met elkaar hadden, in gesprek gekomen met [gedaagde sub 1] over een mogelijke samenwerking met elkaar of met een marktpartij met als doel een goede opbrengst te realiseren van de onder het voorkeursrecht vallende percelen.

2.5. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het standpunt van Nedprom en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] dat [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 2]) zich jegens hen hebben verbonden tot onderlinge samenwerking in de vorm van gezamenlijke "zelfrealisatie" van de nieuwe (woon)bestemming ter plaatse van hun percelen, waarvoor het voorkeursrecht was gevestigd.

2.6. Nedprom en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] hebben op 27 oktober 2008 conservatoir beslag gelegd ten laste van gedaagden op hun onroerende zaken in [woonplaats 1]. Bij vonnis in kort geding van 8 juli 2009 zijn de vorderingen waarvoor beslag is gelegd nader begroot op € 400.000 voor Nedprom en op € 200.000 voor [eiser sub 2 en eiseres sub 3].

2.7. Enige vorm van samenwerking tussen Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagde sub 1] is niet gerealiseerd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Eisers vorderen, na eiswijziging, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1a. te verklaren voor recht dat tussen Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagden], althans tussen [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagden], althans tussen [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagde sub 1] een overeenkomst tot stand is gekomen, strekkende tot zelfrealisatie van de bestemmingen die de [Gemeente] in [het project] te [woonplaats 1] heeft toegekend aan de percelen die voormelde partijen aldaar in eigendom hebben;

1b. [gedaagden] althans [gedaagde sub 1] te veroordelen tot nakoming van alle verplichtingen die uitvoering van bedoelde overeenkomst met zich meebrengt en voorts na te laten al hetgeen afbreuk zou kunnen doen aan onverkorte uitvoering van bedoelde overeenkomst;

1c. in het geval uitvoering van de hiervoor onder la bedoelde overeenkomst onmogelijk is geworden en/of [gedaagden], althans [gedaagde sub 1] weigert bedoelde overeenkomst na te komen, althans geacht moet worden bedoelde overeenkomst al dan niet buitenrechtelijk definitief ontbonden te hebben, te verklaren voor recht dat [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], toerekenbaar tekort geschoten is terzake van de nakoming van bedoelde overeenkomst, althans terzake toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, met voorts veroordeling van [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], tot vergoeding van alle schade die Nedprom en/of [eiser sub 2 en eiseres sub 3] terzake lijden c.q. zullen lijden, welke schadevergoeding opgemaakt zal worden bij staat en vereffend volgens de wet, welk schadebedrag vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding, althans vanaf het tijdstip van de conclusie van repliek;

2a. te verklaren voor recht dat tussen Nedprom en [gedaagden] althans [gedaagde sub 1] een overeenkomst tot stand is gekomen, betreffende de financiële voorwaarden waaronder Nedprom ten behoeve van [gedaagden] haar werkzaamheden in het kader van bedoelde zelfrealisatie zou verrichten, welke afspraken vastliggen in de brief van [persoon 1] van 15 maart 2007;

2b. [gedaagden], althans [gedaagde sub 1] te veroordelen tot nakoming van alle verplichtingen die uitvoering van bedoelde overeenkomst met zich mee zal brengen en voorts na te laten al hetgeen afbreuk zou kunnen doen aan onverkorte uitvoering van bedoelde overeenkomst;

2c. in het geval uitvoering van de hiervoor onder 2a bedoelde overeenkomst onmogelijk is geworden en/of [gedaagden], althans [gedaagde sub 1] weigert bedoelde overeenkomst na te komen, althans geacht moet worden bedoelde overeenkomst al dan niet buitenrechtelijk definitief ontbonden te hebben, te verklaren voor recht dat [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], toerekenbaar tekort geschoten is terzake van de nakoming van bedoelde overeenkomst, althans terzake toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, met voorts veroordeling van [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], tot vergoeding van alle schade die Nedprom terzake lijdt c.q. zal lijden, welke schadevergoeding opgemaakt zal worden bij staat en vereffend volgens de wet, welk schadebedrag vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding, althans vanaf het tijdstip van de conclusie van repliek;

subsidiair:

3a. te verklaren voor recht dat de onderhandelingen tussen Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagden], althans tussen [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagden], althans tussen [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en [gedaagde sub 1] over een overeenkomst zoals hiervoor omschreven onder 1a in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat partijen over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren, althans dat de onderhandelingen in een zodanig stadium waren geraakt dat zulk afbreken aan [gedaagden] in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Nedprom en/of [eiser sub 2 en eiseres sub 3] gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen;

3b.[gedaagden] terzake te veroordelen tot betaling van schade die Nedprom en/of [eiser sub 2 en eiseres sub 3] terzake lijdt c.q. zal lijden, welke schadevergoeding opgemaakt zal worden nader bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke schade vermeerderd zal worden met wettelijke rente vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding, althans vanaf het tijdstip van de conclusie van repliek in conventie;

4a. te verklaren voor recht dat de onderhandelingen tussen Nedprom en [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], over een overeenkomst zoals hiervoor omschreven onder 2a in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat partijen over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren, althans dat de onderhandelingen in een zodanig stadium waren geraakt dat zulks afbreken aan [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Nedprom gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen;

4b. [gedaagden], althans [gedaagde sub 1], terzake te veroordelen tot betaling van schade die Nedprom terzake lijdt c.q. zal lijden, welke schadevergoeding opgemaakt zal worden nader bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke schade vermeerderd zal worden met wettelijke rente vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding, althans vanaf het tijdstip van de conclusie van repliek in conventie;

5. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. Gedaagden voeren verweer tegen deze vorderingen en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers - uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten / het nasalaris, te verhogen met betekeningskosten en wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het eerste verzoek tot nakoming van het vonnis zijn voldaan.

in reconventie

3.3. Eisers in reconventie vorderen, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. te verklaren voor recht dat verweerders in reconventie onrechtmatig gehandeld hebben, althans handelen, ten opzichte van eisers in reconventie, door de conservatoire beslagleggingen ten laste van hun percelen geheel of gedeeltelijk te handhaven;

2. verweerders in reconventie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan eisers in reconventie, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. verweerders in reconventie te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten in reconventie en de nakosten / het nasalaris, te verhogen met betekeningskosten en wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het eerste verzoek tot nakoming van het vonnis zijn voldaan.

3.4. Verweerders in reconventie voeren verweer tegen deze vorderingen en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Wegens hun onderlinge samenhang zullen het geschil in conventie en het geschil in reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld. Kortheidshalve zullen eisers in conventie tevens verweerders in reconventie hierna aangeduid worden als "eisers" en gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie als "gedaagden".

4.2. Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat een driepartijen-overeenkomst tot stand is gekomen die ertoe strekt om gezamenlijk tot "zelfrealisatie" over te gaan met betrekking tot de realisering van de nieuw beoogde bestemming (woonwijk) ter plaatse van (een deel van) de percelen van [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en van gedaagden. Eisers stellen dat aldaar rijwoningen waren geprojecteerd, waardoor [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en gedaagden uitsluitend gezamenlijk tot zelfrealisatie zouden kunnen overgaan, waarover zij overeenstemming hebben bereikt. Voorts is voor die zelfrealisatie samenwerking nodig met Nedprom als de partij die haar kennis, deskundigheid en ervaring ter beschikking zou stellen, waartoe zowel [eiser sub 2 en eiseres sub 3] als ook gedaagden een overeenkomst met Nedprom hebben gesloten.

Concreet stellen eisers dat in februari/maart 2007, althans in 2007, zulks na langdurig voorafgaand overleg, een driepartijen-overeenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair stellen eisers dat partijen in een zodanig vergevorderd stadium van onderhandelingen over een driepartijen-overeenkomst waren, dat gedaagden zich niet meer konden terugtrekken, althans niet zonder schadeplichtig te worden jegens eisers. Meer subsidiair stellen eisers dat er in elk geval tussen [eiser sub 2 en eiseres sub 3] enerzijds en gedaagden anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen met het oog op gezamenlijke zelfrealisatie.

Eisers wensen vergoeding van de schade die zij stellen te lijden doordat gedaagden hebben geweigerd mee te werken aan gezamenlijke zelfrealisatie.

4.3. Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat tussen hen enerzijds en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en/of Nedprom anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen. Verder bestrijden zij dat sprake was van onderhandelingen waaruit zij zich niet meer zouden kunnen terugtrekken.

4.4. Eisers beroepen zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde overeenkomst(en). Op eisers rust daarom de stelplicht, en bij voldoende betwisting de bewijslast, voor het bestaan daarvan. De rechtbank zal hierna, mede aan de hand van de correspondentie waarop beide partijen zich beroepen, de desbetreffende stellingen beoordelen. De gestelde (financiële) overeenkomst tussen Nedprom en gedaagden maakt onderdeel uit van de gestelde driepartijen-overeenkomst en zal in samenhang met de desbetreffende stellingen worden beschouwd.

Verder stelt de rechtbank het volgende voorop. Op zichzelf is voor de totstandkoming van een overeenkomst als door eisers gesteld niet nodig dat over alle aspecten van de samenwerking overeenstemming is bereikt. Wel zal sprake moeten zijn van wilsovereenstemming, al dan niet onder voorwaarden, over het bestaan van een verplichting tot samenwerking met als doel tot zelfrealisatie te komen. Hieraan doet niet af dat denkbaar is dat dit onder omstandigheden geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting kan zijn.

4.5. Gedaagden hebben zich in het contact met eisers laten bijstaan door hun adviseur [persoon 2]. Eisers stellen dat [persoon 2] volmacht had van gedaagden om namens hen met derden afspraken te maken en overeenkomsten te sluiten, alsmede dat met [persoon 2] steeds is gesproken over (gezamenlijke) zelfrealisatie. Eisers verwijzen ter onderbouwing hiervan in de eerste plaats naar een conceptbrief van 19 augustus 2006, als bijlage gevoegd bij de brief van 21 augustus 2006 van [persoon 1] (namens Nedprom) aan [persoon 2], stellende dat deze volmacht nooit door gedaagden en/of [persoon 2] is weersproken.

4.5.1. De conceptbrief van 19 augustus 2006 van [persoon 1] aan [persoon 2] houdt, voor zover hier van belang, in (steeds met onderstrepingen door de rechtbank):

"Refererend aan en ter bevestiging van de bespreking met u, [gedaagde sub 1] (gedeeltelijk) en [eiser sub 2 en eiseres sub 3], bericht ik u het navolgende.

Volledigheidshalve vermeld ik dat [gedaagde sub 1] gedurende een korte periode aan tafel is aangeschoven. U deelde aan het begin van de bespreking mede dat u van zowel [gedaagde sub 1] als van [gedaagde sub 2] een lastgeving heeft ontvangen met een volmacht om namens [gedaagden] met derden afspraken te maken en overeenkomsten te sluiten, hetgeen door [gedaagde sub 1] werd bevestigd.

(…) Afspraken.

Aan het einde van de bespreking zijn concreet de navolgende afspraken gemaakt:

1. Nedprom brengt aan u een voorstel uit voor die hiervoor omschreven variant van medewerking middels een gezamenlijk beroep op zelfrealisatie tegen een vaste opbrengst of een vaste opbrengst in combinatie met een percentage.

(...)

3. U heeft er namens de heer en m de de [gedaagde sub 2] mee ingestemd dat Nedprom in haar onderhandelingen met de gemeente, de gemeente zal informeren dat er opnieuw overleg heeft plaatsgevonden tussen [gedaagden], [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en Nedprom en dat de uitkomst van dat overleg is dat [gedaagden] en Nedprom in onderhandeling zijn over een Ontwikkelingsovereenkomst.

(...)

Met uw goedvinden zou Nedprom graag in de richting van de gemeente het signaal af willen geven dat [gedaagden], [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en Nedprom reeds in principe overeenstemming hebben bereikt. Dit in verband met het navolgende.

(...)

Nogmaals, het is bedoelt om zo snel mogelijk tot het gezamenlijk beoogde resultaat te komen. Het bindt [gedaagden] niet.

(…)".

4.5.2. De brief van 21 augustus 2006 houdt in:

"(…) U en ik zullen ongetwijfeld nog telefonisch contact hebben in aansluiting op deze brief. Ik breng u dan namens zowel [eiser sub 2 en eiseres sub 3] als namens Nedprom daartoe een concreet voorstel uit. In essentie komt het erop neer dat [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en Nedprom u willen voorstellen om als adviseur bij het Ontwikkelingsproject betrokken te blijven, ongeacht of de uitkomst van de onderhandelingen met [gedaagden] resulteren in een samenwerking dan wel in de in bijgaande brief omschreven optie van afspraken waarbij Nedprom in feite de ontwikkeling en realisatie verzorgd.

(…)".

4.5.3. Eisers verwijzen vervolgens naar de reactie hierop bij e-mail van 28 augustus 2006 van [persoon 2] aan [persoon 1]. In het bijzonder verwijzen eisers naar de navolgende passage uit deze e-mail:

" (...)

Door de stedenbouwkundige indeling van de te bouwen woningen zijn van der Burg en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] min of meer verplicht om tot gezamenlijke ontwikkeling te komen, tenzij een der partijen haar positie kan overdragen aan de ander. In deze fase van ontwikkeling trekken beide partijen dan ook samen op en hebben zij de intentie om samen met de gemeente tot een ontwikkelings- en realisatieovereenkomst te komen. (…)".

4.5.4. De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan deze passage in dezelfde e-mail het navolgende staat :

"(…)

Nadrukkelijk wil is stellen dat alle acties die u of wij gezamenlijk nemen om tot ontwikkeling te komen [gedaagden] niet binden en dat er geen sprake is van een pré-contractuele fase. (…)".

4.5.5. Daargelaten of in het voorgaande een volmacht ligt besloten als door eisers gesteld, naar het oordeel van de rechtbank bieden de hiervoor aangehaalde brieven in elk geval geen steun voor de stelling dat er een driepartijen-overeenkomst tot zelfrealisatie tot stand was gekomen. In het bijzonder spreken ook eisers (/[persoon 1]) zelf er uitdrukkelijk over dat een signaal richting gemeente dat tussen de driepartijen "reeds in principe overeenstemming" is bereikt, niet bindend is voor gedaagden. Daarbij sluit - eveneens uitdrukkelijk - aan de e-mail van 28 augustus 2006 van [persoon 2].

Het enkele feit dat tussen partijen is gesproken over samenwerking in de vorm van zelfrealisatie impliceert niet dat gedaagden zich daartoe jegens eisers hebben willen verplichten. Voor zover het - uitvoerige - betoog van eisers hierop ziet, kan het dan ook niet slagen. Evenmin voldoende is de mogelijkheid dat sprake is geweest van min of meer dezelfde belangen en daarop gerichte besprekingen, welke belangen bestonden in het optimaliseren van de opbrengst van de eigendommen ter plaatse van de nieuwe planologische bestemming.

4.6. Vervolgens stellen eisers dat enige maanden later tussen partijen, althans tussen Nedprom en gedaagden, ook (nadere) afspraken zijn gemaakt over de financiële voorwaarden waaronder Nedprom ten behoeve van gedaagden haar werkzaamheden zou verrichten.

4.6.1. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de brief van [persoon 1] van 15 maart 2007 aan [persoon 2], onder meer inhoudende:

"(…)

Tijdens ons laatste telefoongesprek, toen we de afspraak maakten voor overleg bij [eiser sub 2 en eiseres sub 3] thuis voor zaterdagmorgen 20 januari jl., heb je aangegeven welk voorstel voor [gedaagden] in principe acceptabel is. Je voorstel komt op het navolgende neer.

Je deelde mede dat [gedaagden] in principe de volledige grondopbrengst (het deel van de v.o.n. prijzen dat na aftrek van alle (kosten)posten resteert voor de grond) wensen te ontvangen doch bereid te zijn er mee in te stemmen dat Nedprom 10% verdient op deze grondcomponent. Dat betekend dat 90% van de grondopbrengst toekomt aan [gedaagden] en 10% aan Nedprom. Namens Nedprom kan ik je mededelen dat zij bereid zijn om op die basis tot zaken met [gedaagden] te komen.

Alvorens een concreet voorstel op die basis wordt uitgebracht is het wellicht het meest praktisch om nog even bij elkaar te komen (...)."

4.6.2. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat tussen partijen overeenstemming heeft bestaan over het bestaan van wederzijdse verplichtingen tot samenwerking met als doel tot zelfrealisatie te komen. Indien aangenomen wordt dat [persoon 2] op dit punt gedaagden heeft kunnen vertegenwoordigen, kan uit de voorgaande passage veeleer (slechts) worden afgeleid dat ingeval van zelfrealisatie gedaagden bereid waren 10 procent van de grondopbrengst als financiële vergoeding aan Nedprom af te dragen. Dit laat evenwel onverlet dat overeenstemming dient te bestaan als hiervoor bedoeld.

4.7. Op genoemde brief zijn gevolgd een e-mail van 21 april 2007 van Nedprom aan [persoon 2] en de reactie van laatstgenoemde bij brief van 26 april 2007. Partijen discussiëren over de vraag of deze stukken zien op aankoop door Nedprom van de percelen van gedaagden dan wel op gezamenlijke zelfrealisatie. In het bijzonder voeren eisers aan dat uit de brief van 26 april 2007 blijkt dat het overleg nog steeds als basis een samenwerking tot zelfrealisatie had.

De voorliggende vraag is evenwel of deze correspondentie steun biedt voor de stelling van eisers dat overeenstemming is bereikt over gezamenlijke zelfrealisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. In deze correspondentie valt geen bevestiging te lezen van reeds eerder bereikte overeenstemming, noch valt hieruit af te leiden dat op dat moment overeenstemming is ontstaan. Integendeel, eisers zelf geven aan dat in het overleg met [persoon 2] zich op dat moment enige problemen begonnen te ontwikkelen. Eisers verwijzen naar voornoemde brief van 28 april 2007, waarin is aangegeven dat [gedaagde sub 1] een deel van de percelen in eigendom wenst te behouden voor de bouw van een eigen woning. In de brief is hieraan bovendien toegevoegd: "Voordat de er eventueel een overeenkomst komt dient hierover duidelijkheid verkregen te worden".

4.8. Gedaagden hebben zich, ter onderbouwing van hun betwisting van de gestelde overeenstemming, beroepen op een e-mailbericht van 10 mei 2007 van Nedprom aan [persoon 2] en op een brief van 30 mei 2007 [persoon 2] aan Nedprom. Gedaagden hebben aangevoerd dat uit de eigen woordkeuze van Nedprom in genoemde e-mail blijkt dat er nog geen afspraken waren over enige vorm van samenwerking. Eisers stellen dat vervolgens de brief van 30 mei 2007 van [persoon 2] aan [persoon 1] geen ruimte voor twijfel laat:

"(...) In uw brief suggereert u alsof er op enige wijze al besloten is tot samenwerking dan wel een overeenkomst is. Wij ontkennen dit volledig. De enige afspraak die gemaakt is dat wij u of Nedprom in de gelegenheid hebben gesteld om een marktconform bod op de gronden van de [gedaagden] uit te brengen. (...)".

Eisers voeren in reactie hierop aan dat door Nedprom blijkens haar brief van 15 juni 2007 is betwist dat alle contacten tussen partijen tot dat moment vrijblijvend waren geweest.

4.8.1. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit laatstgenoemde brief van Nedprom op zichzelf inderdaad af te leiden dat deze daarin door een weergave van de volgens haar tussen partijen gemaakte afspraken duidelijk heeft gemaakt dat in de visie van eisers wel degelijk al overeenstemming bestond. Hieraan zijn echter geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd. Dat betekent dat de aan de brief voorafgaande en hiervoor besproken uitingen van partijen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen. De brief zelf is slechts een duiding van die uitlatingen door één der partijen.

4.9. Als niet betwist staat vast dat gedaagden/[persoon 2] in juni 2007 de contacten met Nedprom hebben verbroken en dat de gemeente daarover is geïnformeerd bij brief van 22 juni 2007 .

4.10. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken voor de conclusie dat op dat moment tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen tot gezamenlijke zelfrealisatie, de gestelde (financiële) overeenkomst tussen Nedprom en gedaagden daarbij inbegrepen. Nadere bewijsvoering is dan ook niet aan de orde.

4.11. Aan al het voorgaande doet niet af dat lange tijd overleg is gevoerd over de (mogelijke) samenwerking, noch dat op onderdelen van een (mogelijk) te sluiten overeenkomst overeenstemming bestond. Het gaat er om dat niet gebleken is van een wil zijdens gedaagden om zich ertoe te verplichten om, op basis van de op onderdelen bereikte overeenstemming, de besproken gezamenlijke zelfrealisatie ten uitvoer te brengen. Het in detail bespreken van voorwaarden en/of deelaspecten van een (mogelijk) te sluiten overeenkomst impliceert deze wil niet. Tot het moment dat van deze wil is gebleken, kan van onderhandelingen worden gesproken.

Eisers hebben zich er (subsidiair) op beroepen dat het gedaagden niet meer vrijstond, althans niet zonder schadeplichtig te worden, deze onderhandelingen af te breken.

4.11.1. Dienaangaande heeft op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad als maatstaf te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, afbreken van de onderhandelingen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.

4.11.2. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld wordt dat uit de stellingen van partijen volgt dat het initiatief tot het onderlinge contact niet bij gedaagden heeft gelegen, maar bij Nedprom en/of [eiser sub 2 en eiseres sub 3] . Verder is gesteld noch gebleken dat gedaagden Nedprom opdracht hebben gegeven tot het geven van advies of het verrichten van andere werkzaamheden.

Van betekenis is verder de e-mail van 28 augustus 2006 van [persoon 2] aan [persoon 1] , waarin is aangetekend dat (volgens [persoon 2]) alle gezamenlijke acties gedaagden niet binden en - met zoveel woorden - dat er geen sprake is van een precontractuele fase. Reeds gelet op deze e-mail heeft het op de weg van eisers gelegen - met het oog op hun eigen belangen - zich er van te vergewissen of gedaagden zich wel hebben willen binden. Niet valt in te zien dat eisers er op dat moment gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. De stellingen van eisers over hetgeen zich nadien heeft voorgedaan, kunnen ook niet tot dat oordeel leiden. In het bijzonder kan geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de brief van [persoon 1] van 15 maart 2007 aan [persoon 2], waaruit kan worden afgeleid dat ingeval van zelfrealisatie gedaagden bereid waren 10 procent van de grondopbrengst als financiële vergoeding aan Nedprom af te dragen. Dit betreft slechts een deelaspect in het kader van de (mogelijke) samenwerking, bovendien een (neven)aspect waaruit niets kan worden afgeleid over het al dan niet bestaan van de wil van gedaagde om zich te binden aan gezamenlijke zelfrealisatie.

In deze omstandigheden heeft het gedaagden vrij gestaan eigen afwegingen te maken ten aanzien van de beslissing om al dan niet te kiezen voor gezamenlijke zelfrealisatie. Daarbij hebben gedaagden gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat, in elk geval in de loop van 2006, sprake was van een voorgenomen echtscheiding, hetgeen hen aanleiding heeft kunnen geven te kiezen voor een handelwijze die op zo kort mogelijke termijn tot een gemakkelijk te verdelen opbrengst zou leiden.

Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het gedaagden in dat stadium vrij heeft gestaan de gesprekken over (mogelijke) gezamenlijke zelfrealisatie af te breken. Schadeplichtigheid is dan niet aan de orde. Hieraan doet in de omstandigheden van het geval niet af dat de inspanningen van eisers lange tijd gericht zijn geweest op het bereiken van overeenstemming en dat zij daartoe de nodige moeite en investeringen hebben gedaan. Een en ander komt voor risico van eisers, temeer - zoals hiervoor overwogen - het op de weg van eisers heeft gelegen zich er tijdig van te vergewissen of gedaagden zich daadwerkelijk aan hen (juridisch) hebben willen binden.

4.12. Eiseres hebben zich tot slot nog beroepen op een bespreking van 10 oktober 2007 en de daarop gevolgde brieven en de nadien plaatsgevonden contacten . Ter toelichting stellen eisers dat de gemeente bij brief van 11 september 2007 aan [persoon 1] opnieuw heeft bevestigd bereid te zijn om medewerking te verlenen aan zelfrealisatie, hetgeen Nedprom aanleiding heeft gegeven zich opnieuw te wenden tot gedaagden door middel van een brief van 17 september 2007. Inmiddels hadden gedaagden de heer [persoon 3] als adviseur ingeschakeld in plaats van [persoon 2].

4.12.1. Eisers stellen dat de door [persoon 3] voor akkoord ondertekende brief van 2 november 2007 aan de gemeente de bevestiging bevat dat tussen partijen een overeenkomst bestaat tot gezamenlijke zelfrealisatie. Eisers verwijzen daarbij naar de navolgende passage in de brief:

"De essentie van het resultaat van dat overleg is geworden dat de via [persoon 2] als gevolmachtigde van [gedaagden] tot stand gekomen overeenkomst tussen [gedaagden], [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en Nedprom wat [gedaagde sub 1] betreft zal worden geëffectueerd".

4.12.2. Gedaagden hebben betwist dat [persoon 3] een door hen gevolmachtigde was, alsmede dat uit de brief van 2 november 2007 (en de ondertekening daarvan door [persoon 3]) kan worden afgeleid dat er op enige wijze overeenstemming bestond. Daarbij wijzen gedaagden op de brief van 23 oktober 2007 van [persoon 1] aan [persoon 3] waarbij als bijlage hoort de conceptversie van genoemde brief van 2 november 2007 aan de gemeente. In de brief van 23 oktober 2007 is opgenomen:

"Voorts waren wij het erover eens dat van belang is dat er zo spoedig mogelijk een signaal uitgaat richting de gemeente dat [gedaagde sub 1], [eiser sub 2 en eiseres sub 3] en Nedprom in elk geval weer met elkaar in gesprek zijn en dat de verwachting is dat er op korte termijn alsnog een oplossing komt."

4.12.3. Naar het oordeel van de rechtbank komt - ondanks het woordgebruik "tot stand gekomen overeenkomst" - aan de ondertekening van de brief van 2 november 2007 door [persoon 3] (hierbij de discussie tussen partijen over diens bevoegdheid tot vertegenwoordiging in het midden latend) niet de betekenis toe dat daarin (erkenning van) overeenstemming kan worden gelezen. Er blijkt slechts van een tactische bedoeling, niet van wilsovereenstemming, zulks gelet op het navolgende.

Uit de hiervoor aangehaalde passage uit de brief van 23 oktober 2007 blijkt dat sprake was van hervatting van het contact tussen partijen. De positieve verwachting die hieraan is toegevoegd, wordt evenwel niet gesteund door concrete feiten en omstandigheden. Verder geeft deze passage juist aan dat het in de brief van 2 november 2007 aan de gemeente gegeven signaal (slechts) tactisch was bedoeld. Bovendien is de stand van zaken in de brief van 2 november 2007 anders, verdergaand, verwoord dan aangegeven in de brief van 23 oktober 2007, zonder dat daarvoor een concrete verklaring is gegeven door eisers.

4.12.4. Voor zover in oktober 2007 tussen partijen besprekingen en/of onderhandelingen hebben plaatsgevonden, hebben deze dan ook niet tot (bevestiging van) een overeenkomst tussen partijen geleid, noch tot een situatie waarin het gedaagden niet meer vrij heeft gestaan zich terug te trekken.

Hetzelfde geldt voor het contact dat er nog in 2008 is geweest. Eisers hebben geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit wilsovereenstemming tussen partijen kan worden afgeleid.

4.13. Uit het voorgaande volgt dat er geen grondslag is voor toewijzing van de vorderingen in conventie. Deze zullen daarom worden afgewezen.

4.14. Verder volgt hieruit dat er ook geen grondslag was voor de conservatoire beslagen die Nedprom en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gelegd, zodat eerstgenoemden onrechtmatig hebben gehandeld. De desbetreffende gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. Verder is voldoende aannemelijk dat gedaagden door de beslagleggingen in elk geval enige schade hebben geleden, waaronder te begrijpen de gestelde buitengerechtelijke kosten in verband met pogingen om de gelegde beslagen op te heffen. De vordering tot veroordeling tot betaling van een bij staat op te maken schadevergoeding is om deze reden toewijsbaar. In een schadestaatprocedure kunnen de verweren tegen de gestelde schade aan de orde komen, waaronder het verweer dat van daadwerkelijk opgetreden schade geen sprake is omdat opheffing van de beslagen kan plaatsvinden tegen het stellen van vervangende zekerheid.

4.15. Nedprom en [eiser sub 2 en eiseres sub 3] dienen, zowel in conventie als in reconventie, als de in het ongelijk gestelde partijen de kosten van de procedure te dragen. Daarbij worden de advocaatkosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] forfaitair begroot op basis van het zogenoemde Liquidatietarief. Daarbij wordt aangesloten bij tariefgroep VII omdat dit past bij het materiële belang van de zaak. De nakosten en wettelijke rente zijn toewijsbaar op de wijze als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 262,= wegens vastrecht en € 5.160,= voor advocatensalaris, te vermeerderen met de nakosten van € 131,-- zonder betekening dan wel € 199,-- bij betekening, een en nader te voldoen binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover na afloop van die termijn,

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. verklaart voor recht dat Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] onrechtmatig gehandeld hebben, althans handelen, ten opzichte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], door de conservatoire beslagleggingen ten laste van hun percelen geheel of gedeeltelijk te handhaven,

5.5. veroordeelt Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.6. veroordeelt Nedprom, [eiser sub 2 en eiseres sub 3] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 2.580,= voor advocatensalaris, te voldoen binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover na afloop van die termijn,

5.7. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.?

[1694 / 1980]