Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6871

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
370913 / HA RK 11-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De opmerking van de rechter ter zitting: "Je liegt ook nog eens door te zeggen dat je daar altijd komt, terwijl het een ander café was" levert geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid van de rechter op. Taak van de rechter ter zitting. Verzoeker sprak - wellicht bij vergissing - inderdaad niet de waarheid. Niet aannemelijk dat de rechter niet meer open stond voor discussie op dit punt. Op een jeugdstrafzitting kan een meer directe wijze van formuleren geboden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 4 maart 2011

Zaaknummer: 370913

Rekestnummer: HA RK 11-11

Parketnummer: 10/663220-10; 10/701323-10

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam minderjarige verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat mr. R.I. van Haneghem,

strekkende tot wraking van [naam gewraakte rechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 18 januari 2011 is door de rechter in hoedanigheid van kinderrechter, behandeld de tegen verzoeker als verdachte aanhangig gemaakte strafzaak met bovenvermeld parketnummer.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de advocaat van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak tegen verzoeker, waarin zich onder meer het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting bevindt.

Verzoeker, de rechter alsmede de officier van justitie mr. S. Verhoek zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 10 februari 2011.

Ter zitting van 17 februari 2011, alwaar de gedane wraking is behandeld, is verschenen de advocaat van verzoeker en namens de officier van justitie is verschenen mr. L.A. van Rappard. De advocaat van verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Op 18 januari 2011 stond verzoeker terecht voor de kinderrechter onder andere in verband met een vechtpartij bij een café waarbij verzoeker betrokken zou zijn geweest. Bij die gelegenheid zijn door verzoeker, aan wie door de portiers de toegang tot een café werd ontzegd, in de richting van die portiers opmerkingen gemaakt. In het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechter als kinderrechter op 18 januari 2011 is hieromtrent het volgende gerelateerd:

"De verdachte:

We gingen aansluiten bij de rij. De portier zei: "Jullie komen niet binnen". Ik zei tegen hem: "kijk me goed aan want ik kom hier ieder weekend". Hij zei: nee ik kan me jou niet herinneren. ....

De kinderrechter:

Bij de politie verklaar je op enig moment dat je altijd naar een ander café gaat, namelijk naar het café ernaast. Volgens de portier zei je een paar keer: "ken je me niet", heel luid.

De verdachte:

Ik praatte luid omdat het druk was, en ik was boos

....

De verdachte:

Ik schreeuwde niet tegen hem. Ik zei:"ik kom hier bijna elk weekend, kijk me goed aan."

De kinderrechter:

Je liegt ook nog eens door te zeggen dat je daar altijd komt, terwijl het een ander café was.

De raadsman:

Ik wil tijd om na te denken wat ik wil.

De kinderrechter;

Ik wil doorgaan."

2.2

De weergave van de gang van zaken zoals vermeld in het proces-verbaal is niet correct. De advocaat van verzoeker heeft niet enkel en alleen de opmerking gemaakt 'ik wil tijd om na te denken wat ik wil' zonder verder enige toelichting. Op dat moment heeft de gemachtigde aangegeven dat het ging om de opmerking 'je liegt ook nog eens'.

2.3

De rechter heeft aan de hand van het dossier en hetgeen tijdens de terechtzitting is besproken niet de constatering kunnen en mogen doen dat verzoeker liegt. Uit het politieverhoor op 10 oktober 2010 om 12.40 uur blijkt duidelijk dat er sprake is van een vergissing van verzoeker met betrekking tot zijn verklaring dat hij bijna elk weekend in het betreffende café komt. Deze verklaring draagt op geen enkele wijze de constatering dat er sprake zou zijn van liegen. Volgens de gemachtigde is het proces-verbaal van het politieverhoor op 10 oktober 2010 om 12.40 uur te extensief uitgelegd. De rechter heeft zich ook niet op een genuanceerde wijze geuit dat zij het mogelijk acht of denkt dat verzoeker liegt, maar zij heeft met haar uiting "je liegt ook nog eens door te zeggen dat je daar altijd komt" een voor haar bestaand feit geconstateerd. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, (LJN: BM9141, NJ 2010, 520), hoeft het uiten van een vermoeden van liegen door een getuige niet automatisch te leiden tot een succesvolle wraking, doch in de onderhavige zaak is dit geheel anders, aangezien de rechter zich expliciet uitlaat en overtuigd is van het liegen door verzoeker. Afgezien van het feit dat de enkele constatering dat verzoeker liegt zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is, levert de opmerking dat verzoeker 'ook nog eens' liegt dit evenzeer op.

2.4

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

De rechter heeft de gewraakte uitlating 'je liegt ook nog eens' gedaan tijdens het bespreken van de feiten. De opmerking was er niet op gericht om verzoeker er op aan te spreken dat hij tegenover de rechter niet de waarheid zou spreken, maar dat hij dat tegenover de portier niet had gedaan. Vanwege het pedagogisch klimaat, het belang van een jeugdstrafzitting in het algemeen en gelet op de aan verzoeker als verdachte ten laste gelegde feiten, is het noodzakelijk om het gedrag en de houding van verzoeker uitdrukkelijk aan de orde te stellen. Bij een jeugdstrafzitting kan ook een wat directere en minder omfloerste wijze van formuleren passend zijn. Middels het aanspreken op gedrag en houding beoogt de rechter ook meer zicht te krijgen op de (ontwikkelingen in de ) persoon van verzoeker.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheid valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.4

Blijkens de toelichting is het verzoek tot wraking gegrond op hierboven aangehaalde opmerking van de rechter dat verzoeker liegt door ook nog eens te zeggen dat hij altijd in het betreffende café komt.

Naar het oordeel van de rechtbank levert deze opmerking geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het de taak van de rechter is om, zeker in strafzaken, door middel van het stellen van kritische vragen, op de zitting een discussie op gang te brengen over de inhoud van de tenlastelegging en de verklaringen die hieromtrent zijn afgelegd. In die context is in de onderhavige zaak de enkele opmerking van de rechter dat verzoeker zou hebben gelogen onvoldoende grond voor wraking. De rechtbank betrekt daarbij dat de rechter in een eerder stadium heeft aangehaald dat verzoeker niet de waarheid tegen de beweerdelijk slachtoffers zou hebben gesproken, zoals uit het hierboven geciteerde proces-verbaal ook blijkt. De rechter heeft namelijk de door verzoeker bij de politie afgelegde verklaring aangehaald inhoudend dat hij altijd naar een ander café zou gaan. Deze aanhaling is door verzoeker op de terechtzitting niet weersproken. En bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de raadsman ook aangegeven dat de door verzoeker jegens de portiers gedane mededeling dat hij bijna ieder weekend het café bezocht waarvoor de portiers stonden, niet juist was. Verzoeker sprak dus niet de waarheid, zij het wellicht bij vergissing. Dat nuanceert het verwijt dat verzoeker de rechter maakt. Voorts moet aangenomen worden dat verzoeker en zijn advocaat alle gelegenheid zouden hebben gekregen om datgene naar voren te brengen, dat zij nodig achtten ook in verband met de door de rechter gemaakte en door verzoeker gewraakte opmerking. Het is niet aannemelijk dat de rechter niet meer open zou hebben gestaan voor discussie op dit punt.

Ten slotte is van belang dat het hier gaat om een jeugdstrafzitting, waar - zoals de rechter terecht heeft opgemerkt - een meer directe wijze van formuleren geboden kan zijn

3.5

Op grond van het voorgaande is de wraking ongegrond. Het verzoek moet derhalve worden afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam gewraakte rechter].

Deze beslissing is gegeven op 4 maart 2011 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de oudste rechter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.