Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6657

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
300521 - HA ZA 08-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Familierecht. Huwelijksgoederenrecht. Pensioen. Huwelijkse voorwaarden met finaalverrekenbeding. Afstorting van de aan de vrouw toekomende opgebouwde pensioenreserveringen bij een externe verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/68
PJ 2012/32

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 300521 / HA ZA 08-340

Uitspraak: 23 februari 2011

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres]

wonende te Schiedam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. de Winter,

- tegen -

1. [gedaagde 1]

wonende te Schiedam,

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Schiedam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P.J.C. van Gog te Spijkenisse

Partijen blijven verder aangeduid als ‘[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde 1] en [gedaagde 2]”.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis d.d. 3 maart 2010 en de daaraan ten grondslagliggende processtukken;

- akte na tussenvonnis d.d. 7 april 2010 zijdens [eiseres];

- antwoordakte in conventie en reconventie d.d. 30 juni 2010 zijdens [gedaagde 1] en

[gedaagde 2], tevens houdende akte vermeerdering van eis in reconventie met

Producties;

- akte d.d. 11 augustus 2010 zijdens [eiseres];

- antwoordakte in conventie en reconventie d.d. 6 oktober 2010, zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2];

- tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de eerder door partijen in het geding gebrachte antwoord schriftelijk pleidooi d.d. 7 oktober 2009 zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2], alsmede het schriftelijk pleidooi, repliek d.d. 7 oktober 2009 zijdens [eiseres].

1.2 Tenslotte is vonnis bepaald.

1.3 De rechtbank volhardt bij hetgeen zij reeds in haar tussenvonnis van 3 maart 2010 heeft overwogen en beslist.

Ten aanzien van hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 5.1 van het tussenvonnis heeft [gedaagde 1] gesteld dat de berekening van het bedrag dat hij aan de [eiseres] verschuldigd is berust op een rekenfout. Het uiteindelijke bedrag dat [gedaagde 1] aan [eiseres] is verschuldigd bedraagt niet € 10.577,77 maar € 10.477,65. Nu [eiseres] deze stelling van [gedaagde 1] niet heeft betwist zal de rechtbank hetgeen [gedaagde 1] uit hoofde van overeenkomst aan [eiseres] verschuldigd is vaststellen op € 10.477,65.

2. Vermeerdering van eis in reconventie.

Te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] in hun hoedanigheid van vereveningsplichtige(n) niet verplicht zijn om zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van de contante waarde van de te verevenen pensioenaanspraken en/of de contante waarde van de te verevenen stamrechtverplichting ten behoeve van [eiseres], althans een zodanige beslissing te nemen dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3. De verdere beoordeling in conventie en reconventie

De navolgende geschillen liggen nog ter beoordeling:

- afwikkeling IB/PV belasting;

- verrekening overbedeling;

- afwikkeling pensioenen.

4. Afwikkeling IB Belasting.

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank verzocht om nadere informatie over de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen (IB/PV) over de jaren 2001, 2002 en 2003. Uit de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het geding gebrachte stukken blijkt in eerste instantie dat de navordering € 25.342, - bedraagt. [eiseres] heeft in haar akte overgelegd op 11 augustus 2010 hiermee ingestemd. In de namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde antwoordakte in conventie en reconventie van 6 oktober 2010 wordt dit bedrag nader gespecificeerd. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat het oorspronkelijke verschuldigde bedrag van € 30.436,- voor de jaren 2001, 2002 en 2003, is verminderd met een bedrag van € 9.386, -, hetgeen er toe leidt dat de uiteindelijke tussen partijen te verreken belastingschuld € 21.050, - bedraagt.

Uithoofde van genoemde belastingschuld is [eiseres] een bedrag van € 10.525, - verschuldigd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

4.1 Voorts stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat over genoemde belastingschuld door de belastingdienst nog invorderingsrente in rekening gebracht zal worden waarvan de helft door [eiseres] dient te worden voldaan. [eiseres] betwist het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [eiseres] is van mening dat de verschuldigde rente aan [gedaagde 1] en [[gedaagde 2] is te wijten omdat de naheffingen het gevolg zouden zijn van de wijze waarop de aangifte is gedaan. Voorts hebben [gedaagde 1] en [[gedaagde 2] er niet voor gekozen tussentijds aan de naheffingsaanslagen te voldoen en daardoor willens en weten het risico gelopen over de uiteindelijk verschuldigde hoofdsom ook nog rente verschuldigd te zijn. Subsidiair stelt [eiseres] dat zij in ieder geval niet meer rente verschuldigd kan zijn dan de helft van de verschenen rente per peildatum 1 augustus 2005. De stellingen van [eiseres] worden door [gedaagde 1] en [[gedaagde 2] gemotiveerd weerlegd.

4.2 Ten aanzien van de naheffingsrente oordeelt de rechtbank als volgt. Nu er tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enerzijds en de belastingdienst anderzijds verschil van mening bestond over de opgelegde navorderingsaanslag IB/PV hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiertegen bij de rechtbank te s’-Gravenhage bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de beroepen tegen de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gegrond verklaard hetgeen er toe heeft geleid dat de navorderingsaanslag is verminderd. Van deze vermindering heeft [eiseres] mede kunnen profiteren en is haar aandeel in de schuld eveneens verminderd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het redelijk [eiseres] te veroordelen tot het betalen van de helft van de verschenen naheffingsrente per 1 augustus 2005. Nu [eiseres] haar stelling dat de naheffingsrente aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf te wijten is, onvoldoende heeft onderbouwd wordt deze door de rechtbank verworpen. De vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal op dit punt worden toegewezen.

5. Verrekening overbedeling

Tussen partijen staat onweersproken vast dat [gedaagde 1] uithoofde van overbedeling aan [eiseres] een bedrag van € 10.477,65 is verschuldigd. [eiseres] is uit hoofde van de navorderingsaanslagen IB/PV aan [gedaagde 1] een bedrag verschuldigd van € 10.525, -. Na verrekening van deze bedragen dient door [eiseres] aan [gedaagde 1] te worden betaald een bedrag van € 47,35.

6. Afwikkeling pensioenen

6.1 Tussen partijen bestaat overeenstemming over het feit dat [eiseres] recht heeft op verevenen van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen op voet van de wet verevening pensioenrechten bij scheiding (wet VPS). De einddatum van de vaststelling van de hoogte van de pensioenreserveringen is 15 september 2006, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Voorop wordt gesteld dat het vereveningsrecht een afhankelijk recht is hetgeen ondermeer met zich meebrengt dat het recht afhankelijk is van de pensioenregeling van [gedaagde 1]. Het vereveningsdeel komt pas tot uitkering als het pensioen van [gedaagde 1] ingaat.

Voorts is onbestreden dat [gedaagde 2] met [gedaagde 1] is overeengekomen dat zijn pensioen in eigen beheer wordt uitgevoerd. Voor dit doel zijn geen rechtspersonen opgericht maar het opgebouwde pensioen is terug te vinden in de jaarrekeningen onder de post pensioenverplichting.

6.2 In zijn arrest van 9 februari 2007, NJ 2007, 306 heeft de Hoge Raad bepaald dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, in het algemeen zullen meebrengen dat de tot de verevening verplichte echtgenoot die als DGA de rechtspersoon beheerst (in casu [[gedaagde 2]) waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, zorg dient te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak.

Of daarop in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt hangt af van de omstandigheden van het geval. Voorts brengt, volgens de Hoge Raad, de redelijkheid en de billijkheid met zich mee dat van de vereveningsgerechtigde echtgenoot niet gevergd kan worden dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken onderneming voert en de daarmee gepaard gaande risico’s die ertoe kunnen leiden dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald.

6.3 Teneinde vast te kunnen stellen of [gedaagde 2] in staat is te voldoen aan het verzoek van [eiseres], om de verplichting tot afstorting van het kapitaal dat nodig is om de pensioenaanspraken van [eiseres] na te komen, dienen de navolgende vragen te worden beantwoord;

- komt de continuïteit van de onderneming ten gevolge van afstorting van het pensioen, bij een daartoe aangewezen verzekeraar, niet in gevaar;

- blijft, in geval van afstorting, de onderneming beschikken over voldoende

weerstandvermogen;

- is de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in overeenstemming met

wat in de branche gebruikelijk is.

6.4 Continuïteit van de onderneming

Aan de hand van de door de man ingebrachte jaarrekeningen over de jaren 2007, 2008 en 2009 en hetgeen de accountant verklaart ten aanzien van de continuïteit van de onderneming, blijkt dat er sprake is van een verliesgevende onderneming waarbij de accountant het volgende verklaard “De gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de continuïteitveronderstelling van de vennootschap. Echter gezien de financiële positie van de vennootschap is haar bestaan onzeker. De verliezen zijn ontstaan door een afnemende omzet en een afnemend resultaat in één van de dochterondernemingen. De directie van deze dochteronderneming heeft maatregelen getroffen om de kosten te reduceren en het resultaat te verbeteren. Een duurzame voortzetting van de bedrijfsuitoefening is echter niet onmogelijk.

6.5 Beschikbaar weerstandvermogen

Uit de eerder genoemde jaarrekeningen blijkt dat over het jaar 2007 sprake was van een negatief resultaat na belastingen terwijl in 2008 de jaarrekening een positief resultaat na belastingen laat zien. De winst en verliesrekening over het jaar 2009 wordt echter met een negatief resultaat na belastingen afgesloten.

6.6 Verhouding tussen eigen en vreemd kapitaal.

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt onmiskenbaar dat er bij [[gedaagde 2] sprake is van liquiditeit- en solvabiliteitproblematiek. Samenvattend kan worden gesteld dat de ondernemingneming verlies lijdt.

6.7 Door [eiseres] wordt aangevoerd, dat [gedaagde 2] over het jaar 2006 een winst resultaat heeft behaald van € 168.356, -. [eiseres] gaat hierbij uit van de peildatum waarop de omvang van het vermogen op voet van de wet VPS dient te worden bepaald. In 2006 beschikte de onderneming over voldoende middelen om de afstortingsplicht na te komen. Voorop gesteld dient te worden dat niet alleen rekening gehouden moet worden met de resultaten van het bedrijf in het verleden maar ook gekeken moet worden naar de huidige resultaten waarbij het vasthouden aan de peildatum tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.

De redelijkheid en de billijkheid brengt met zich mee dat voor de vaststelling, of de verplichting tot afstorting van het benodigde kapitaal kan worden nagekomen, uitgegaan moet worden van het tijdstip waarop deze verplichting dient te worden nagekomen.

7. Conclusie

Gelet op de slechte financiële positie van [gedaagde 2] stelt de rechtbank vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de onderneming niet beschikt over de benodigde liquide middelen en evenmin in staat is de financiering voor de afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het bedrag, dat nodig is voor de pensioenvoorziening van [eiseres], rond te krijgen. Op grond hiervan zal de rechtbank het verzoek van [eiseres] afwijzen.

Nu de rechtbank het verzoek [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verplichting over te gaan tot afstorting, van het aan [eiseres] toekomende deel van de opgebouwde pensioenrechten, bij een externe verzekeraar, afwijst behoeft de vermeerdering van eis in reconventie geen behandeling meer.

8. Proceskosten

De rechtbank zal de proceskosten compenseren, gezien de aard van de relatie die aan de geschilpunten ten grondslag ligt.

9. De beslissing

De rechtbank,

In conventie en reconventie

veroordeelt [eiseres] uit hoofde van verrekening aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van

€ 47,35;

veroordeelt [eiseres] tot betaling, aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], van de helft van de verschenen naheffingsrente per 1 augustus 2005;

bepaalt dat [gedaagde 1] en [[gedaagde 2] dient over te gaan tot verevening conform de wet VPS van de in [gedaagde 2] opgebouwde pensioenrechten wanneer dezen tot uitkering komen, waarbij als peildatum dient te worden gehanteerd de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te weten 15 september 2006;

bepaalt dat het Stamrecht ten bedrage van € 49.245,- deel uitmaakt van het finale verrekenbeding zoals bedoeld in artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden;

wijst af het verzoek van [eiseres] om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verplichten over te gaan tot afstorting, van het aan haar toekomende deel van de opgebouwde pensioenrechten, bij een externe pensioenverzekeraar;

wijst af het anders of meer gevorderde;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.van Lokven-van der Meer

Uitgesproken in het openbaar.

1489