Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6555

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
336626 / HA ZA 09-2226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocatendeclaraties. Dwaling. Advocaat heeft niet gewezen op de mogelijkheid van het verkrijgen van een toevoeging. Dwaling blijft voor rekening van de cliënt. Hij was bij het aangaan van de overeenkomst failliet. Hij heeft dit niet aan de advocaat gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 336626 / HA ZA 09-2226

Vonnis van 9 februari 2011

in de zaak van

1. de maatschap

VOS & DE LANGE ADVOCATEN,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MR. P.A. DE LANGE ADVOCATENPRAKTIJK B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

verweerster in reconventie,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.J. NAUTA ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.S. Janssen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOS ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

als derde ex artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het geding opgeroepen,

advocaat mr. B.S. Janssen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van Weerden.

Eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en verweersters in reconventie sub 2 en 3 zullen gezamenlijk ook Vos & de Lange worden genoemd. Verweersters in reconventie sub 2 en 3 worden ieder afzonderlijk De Lange B.V. en Nauta B.V. genoemd. Gedaagde in conventie zal [gedaagde] genoemd worden en de als derde ex artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgeroepen partij zal als Vos Advocaten worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties,

- het anticipatie-exploot houdende conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens exploot tot oproeping van Vos Advocaten als derde ex artikel 118 Rv, met producties,

- de akte aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten,

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten, met producties,

- de akte overlegging productie aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens houdende akte wijziging eis, met producties,

- de conclusie van dupliek in reconventie aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten,

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s en de door Vos & de Lange en Vos Advocaten overgelegde brief van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (de Deken) d.d. 14 september 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres in conventie is een advocatenmaatschap. Haar huidige maten zijn De Lange B.V. en Nauta B.V.

2.2. Op 14 juni 2001 is [gedaagde] failliet verklaard. Zijn faillissement is geëindigd op 2 september 2008 door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.

2.3. Op 18 juni 2007 heeft de bij Vos & de Lange werkzame advocaat mr. Vos een intakegesprek met [gedaagde] gevoerd. [gedaagde] heeft mr. Vos gevraagd zijn belangen te behartigen in het geschil dat was gerezen tussen hem en De Uitvaartspecialist B.V. (De Uitvaartspecialist). Bij die gelegenheid heeft [gedaagde] mr. Vos niet verteld dat hij (nog steeds) in staat van faillissement verkeerde. Mr. Vos op zijn beurt heeft met [gedaagde] geen overleg gepleegd over de mogelijk¬heid om eventueel door de overheid gefinan¬cierde rechtshulp te verkrijgen.

2.4. Mr. Vos heeft bij brief van 19 juni 2007 de opdracht aan [gedaagde] bevestigd en verzocht de bij die brief gevoegde declaratie, behelzende een voorschot op honorarium en kosten ad EUR 6.371,50 inclusief BTW, per omgaande te voldoen. [gedaagde] heeft deze declaratie voldaan. Op verzoek van [gedaagde] was de declaratie op naam van Beheers- en Beleggingsmaatschappij Angel B.V. (Angel B.V.) gesteld.

2.5. Mr. Vos heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomst van opdracht bijgestaan in twee gerechtelijke procedures, te weten: de verzoekschriftprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst die de Uitvaartspecialist als ex werkgever van [gedaagde] op 12 juli 2007 was gestart bij de sector civiel van de rechtbank Rotterdam (later verwezen naar de sector kanton) en de dagvaarding¬procedure tot nietigverklaring van het door De Uitvaartspecialist aan [gedaagde] gegeven ontslag op staande voet, die mr. Vos namens [gedaagde] op 12 december 2007 is gestart bij de sector kanton van de rechtbank Breda, locatie Tilburg.

2.6. [gedaagde] genoot bij de Uitvaartspecialist een salaris van EUR 10.000,00 bruto per maand (exclusief leasekosten). Hij was commercieel directeur van die onder¬neming. De Uitvaartspecialist is een door [gedaagde] en [[persoon1] opgerichte vennootschap. De aandelen van die vennootschap werden gehouden door de vennootschap van [persoon1], genaamd A&P Holding B.V., en door Angel B.V. Destijds was [gedaagde] bestuurder van Angel B.V. De aandelen van die vennootschap werden gehouden door de echtgenote van [gedaagde].

2.7. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft mr. M. Hoogenboom, aan wie op enig moment de behandeling van de zaken van [gedaagde] binnen het kantoor van Vos & de Lange was toevertrouwd, aan [gedaagde] om betaling verzocht van een nog tot een bedrag van EUR 7.742,52 openstaande declaratie en van een bij die brief gevoegde declaratie ad EUR 5.208,55.

2.8. [gedaagde] heeft de betreffende bedragen niet voldaan.

2.9. Van mr. Hoogenboom heeft [gedaagde] medio maart 2009 een van de advocaat van de wederpartij afkomstig concept van een schikkingovereenkomst ontvangen. Met mr. Hoogenboom had [gedaagde] afgesproken dat mr. Hoogenboom een concept van een reactie zou opstellen. Op 23 maart 2009 heeft [gedaagde] telefonisch contact gezocht met mr. Hoogenboom. Hem is toen van de zijde van Vos & de Lange medegedeeld dat mr. Hoogenboom niet meer voor Vos & de Lange werkzaam was. [gedaagde] heeft verzocht te worden teruggebeld door de advocaat die de zaak van mr. Hoogenboom had over¬genomen. Hem is toegezegd dat mr. Vos zo snel mogelijk zou terugbellen.

2.10. Op 24 maart 2009 had mr. Vos [gedaagde] nog niet teruggebeld. [gedaagde] heeft die dag tevergeefs contact gezocht met mr. Vos. [gedaagde] heeft vervolgens de advocaat van de wederpartij rechtstreeks benaderd met zijn commentaar op het concept van de schikkingovereenkomst.

2.11. Op 31 maart 2009 hebben mr. Vos en [gedaagde] telefonisch contact gehad. Mr. Vos heeft [gedaagde] daarbij om betaling van de openstaande declaraties verzocht.

2.12. Op 3 april 2009 heeft Vos & de Lange zonder voorafgaand overleg met de Deken ten laste van [gedaagde] onder A&P Holding B.V. en De Uitvaartspecialist conservatoir derdenbeslag doen leggen.

2.13. Vos & de Lange heeft [gedaagde] een declaratie gestuurd d.d. 9 april 2009 ten bedrage van EUR 7.768,27. [gedaagde] heeft deze declaratie niet voldaan.

2.14. Op alle door Vos & de Lange aan [gedaagde] gestuurde declaraties is een betalingtermijn van veertien dagen vermeld.

2.15. Bij vonnis van 25 november 2009 heeft de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg – onder meer – het door De Uitvaartspecialist aan [gedaagde] gegeven ontslag op staande voet nietig verklaard en De Uitvaartspecialist veroordeeld tot doorbetaling van loon tot de datum dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad EUR 5.000,00.

2.16. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de curator in het faillissement van [gedaagde] heeft de rechtbank bij beschikking van 18 februari 2010 overwogen:

“(…)

4.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking die gefailleerde gedurende 9 maanden heeft ontvangen, zijnde € 10.000,- per maand, zijn aan te merken als nagekomen bate. Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 38.000,- waartoe de werkgever bij vonnis van 25 november 2009 door de rechtbank Breda is veroordeeld, alsmede de gevorderde ontbindings¬vergoeding ad € 20.000,-. Voorts overweegt de rechtbank dat genoemde baten dienen te worden vereffend. (…)”

De rechtbank heeft bevolen dat de curator zal overgaan tot vereffening en verdeling van de baten zoals genoemd in 4.3 op de grondslag van de op 22 augustus 2008 neergelegde en goedgekeurde uitdelinglijst. [gedaagde] heeft tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad heeft inmiddels geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.17. [gedaagde] heeft tegen mr. Vos en Vos & de Lange een klacht ingediend bij de Deken. Deze heeft ter zake bij schrijven van 14 september 2010 als volgt bericht:

“(…) Ik onderscheid een viertal klachten (…)

1. nalatigheid in de behandeling van de kwesties nadat behandelend advocaat Mr Hoogenboom het kantoor had verlaten;

2. bedreiging van klager en diens zoon door Mr Vos;

3. beslag door het kantoor Vos & de Lange op vorderingen van klager op hetgeen de wederpartij aan klager verschuldigd was, waardoor de wederpartij niet bereid was verdere uitvoering te geven aan een bereikte schikking; (…)

4. verzuim te onderzoeken of klager in aanmerking zou zijn gekomen voor een toevoeging.

(…)

Ik kom tot de conclusie dat klager geen belang heeft bij zijn klachten 1 en 3 tegen Mr Vos en diens kantoor, nu hier van meet af aan belangen van de boedel in het geding blijken te zijn geweest, zoals ook in februari 2010 nog door de rechtbank vastgesteld. Een inhoudelijke bespreking van de klachten kan daarmee achterwege blijven.

Ten aanzien van klacht 2 inzake de bedreiging van klager en zijn zoon heeft klager de klacht niet gesubstantieerd, ondanks het feit dat hij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Mij ontgaat bovendien welke rol van het kantoor/de maatschap waartegen ook deze klacht zich richt, zou zijn geweest.

Wél merk ik op dat ik helaas moet vaststellen dat Mr Vos, althans diens kantoor, zonder overleg met de deken als bedoeld in gedragsregel 27 lid 7 beslag heeft laten leggen op de goederen van klager en mijn verzoek om inlichtingen daaromtrent in mijn brief van 17 juni 2009 niet heeft beantwoord, hetgeen op zichzelf klachtwaardig is.

Ten aanzien van klacht 4 meen ik dat de door klager geschetste situatie wordt achterhaald door het feit dat hij Mr Vos op dat moment niet op de hoogte heeft gesteld van zijn (voortdurend) faillissement. Het is mijn stellige overtuiging dat, indien Mr Vos dat toen reeds was medegedeeld, geen opdracht van klager zou zijn aangenomen. (…) De klacht moet daarop stranden. (…)”

2.18. De Deken heeft op verzoek van [gedaagde] de klacht op 7 oktober 2010 door¬gezonden naar de Raad van Discipline.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Vos & de Lange vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 22.020,87, vermeerderd met rente en kosten, waaronder begrepen de beslagkosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) opheffing van de door Vos & de Lange gelegde beslagen;

2) hoofdelijke veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. tot betaling van EUR 11.455,21, althans veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. ieder voor zich tot betaling van EUR 3.818,40,

3) hoofdelijke veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. tot betaling van EUR 91.000,00, althans veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. ieder voor zich tot betaling van EUR 45.500,00,

4) bepaling dat [gedaagde] tegenover Vos & de Lange van zijn eventuele verplichting tot betaling als gevorderd door Vos & de Lange zal zijn bevrijd op de voet van artikel 6:60 Burgerlijk Wetboek (BW),

5) veroordeling van Vos Advocaten tot betaling van EUR 11.455,21, met dien verstande dat indien en voor zover Vos Advocaten hieraan voldoet, Vos & de Lange ten opzichte van [gedaagde] zal zijn gekweten, althans veroordeling van Vos Advocaten tot betaling van EUR 3.818,40,

6) de vorderingen sub 2, 3 en 5 vermeerderd met rente,

7) hoofdelijke veroordeling van Vos & de Lange en Vos Advocaten in de proceskosten.

3.5. Vos & de Lange en Vos Advocaten voeren verweer en hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. [gedaagde] heeft zijn vordering in reconventie ingesteld tegen de vennoten van Vos & de Lange: De Lange B.V. en Nauta B.V. Vos & de Lange heeft betoogd dat [gedaagde] in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, omdat De Lange B.V. en Nauta B.V. niet de eisende partijen in conventie zijn en een reconventionele vordering alleen kan worden ingesteld tegen de in conventie eisende partij(en).

4.2. Dit betoog gaat niet op. Een maatschap kan, anders dan een vennootschap onder firma, niet als zodanig als eisende of verwerende partij in rechte optreden. Zij heeft geen afgescheiden vermogen. In die gevallen waarin een maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, is het echter wel toegestaan dat in de dagvaarding die naam wordt vermeld in plaats van de namen van de afzonderlijke vennoten. De vordering wordt in dat geval weliswaar op naam van de maatschap ingesteld, doch in wezen betreft het een vordering door de gezamenlijke vennoten. De tegenpartij kan eventueel na de dagvaarding mededeling van de namen (en woonplaatsen) van de vennoten verlangen. Toegespitst op het onder¬havige geval betekent het voorgaande dat de in conventie op naam van Vos & de Lange ingestelde vordering in wezen de vordering betreft van De Lange B.V. en Nauta B.V. gezamenlijk en dat [gedaagde] dus een vordering in reconventie jegens hen kon instellen.

in conventie voorts

4.3. Vos & de Lange vordert nakoming van [gedaagde] van zijn betalingsverplichting uit de in 2.3 van dit vonnis bedoelde overeenkomst van opdracht. Vos & de Lange heeft ter zake in totaal EUR 32.090,84 gedeclareerd. Hierop heeft [gedaagde] EUR 11.371,50 in mindering voldaan. [gedaagde] heeft niet betwist dat de van de zijde van Vos & de Lange gedeclareerde werkzaamheden zijn verricht evenmin als het aantal uren dat daaraan is besteed. De rechtbank neemt dit daarom als vaststaand aan. Pas ter gelegenheid van de pleidooien heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat een te hoog uurtarief is gehanteerd. Nog daargelaten dat dit verweer in de in de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken opgenomen procedure thuishoort en het naar het oordeel van de rechtbank niet ter vrije bepaling van partijen staat een dergelijk geschil in afwijking van die procedure door de rechtbank te laten beslechten, passeert de rechtbank dit verweer ambtshalve wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde. Vos & de Lange was op dit verweer niet voorbereid en heeft daarop om die reden niet voldoende kunnen reageren. Alsnog gelegenheid geven levert een onaanvaardbare vertraging van de procedure op. Het voorgaande betekent dat de omvang van de declaraties niet ter discussie staat.

4.4. [gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat sprake is van misbruik van omstandig¬heden. Dit verweer heeft hij echter op geen enkele wijze met feiten en/of omstandigheden onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij.

4.5. [gedaagde] heeft voorts een beroep op dwaling gedaan en verlangd dat de rechtbank het nadeel opheft dat hij als gevolg van die dwaling heeft geleden. [gedaagde] heeft aan dit verweer ten grondslag gelegd dat mr. Vos regel 24 lid 1 van de Gedragsregels voor advocaten heeft geschonden. Hij heeft niet bij het begin van de zaak met [gedaagde] overleg gepleegd of termen bestonden om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen. Indien hij van die mogelijkheid zou hebben geweten, zou [gedaagde] de overeenkomst niet zijn aangegaan. Hij zou destijds voor een toevoeging in aanmerking zijn gekomen en, gelet op zijn financiële positie, hooguit EUR 1.335,00 aan eigen bijdrage verschuldigd zijn geweest. Volgens [gedaagde] staat daarom vast dat hij Vos & de Lange teveel heeft betaald en dat hij ter zake van de declaraties waarvan Vos & de Lange betaling vordert, niets (meer) verschuldigd is.

4.6. Vos & de Lange heeft onder meer betoogd dat mr. Vos goede gronden had om aan te nemen dat [gedaagde] niet in aanmerking kon komen voor door de overheid gefinancierde rechts¬hulp, zodat hij niet verplicht was met hem daarover te overleggen.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat mr. Vos de mogelijkheid van het verkrijgen van een toevoeging niet aan [gedaagde] heeft voorgelegd. Op grond van regel 24 van de Gedragsregels had mr. Vos hem daarover wel moeten inlichten. Vast staat echter ook dat [gedaagde] bij het intake¬gesprek niet aan mr. Vos heeft medegedeeld dat hij in staat van faillissement verkeerde. Niet relevant is of op juistheid berust de stelling van [gedaagde] dat mr. Vos van het faillissement heeft geweten, omdat dit in een eerder gesprek tussen mr. Vos en de zoon van [gedaagde] aan de orde zou zijn geweest. Bewijs¬voering op dit punt kan daarom achterwege blijven. Dat eerdere gesprek zou immers overeenkomstig de schriftelijke verklaring van de zoon van [gedaagde] (productie 9 van [gedaagde]) al in 2005 hebben plaatsgehad. Het intakegesprek vond pas bijna twee jaar later plaats. [gedaagde] heeft mr. Vos toen benaderd in verband met een geschil over zijn arbeidsovereenkomst, op grond waarvan hij een salaris genoot van EUR 10.000,00 bruto per maand. Zoals Vos & de Lange onweersproken heeft gesteld, heeft [gedaagde] zich daarbij gepresenteerd als een succesvol ondernemer. Hij heeft met verve over zijn werkzaamheden verteld, waarvoor hij congressen in Amerika bezocht en veel contact had met potentiële klanten en hij heeft mr. Vos inzicht in zijn loongegevens gegeven. [gedaagde] heeft mr. Vos verzocht de declaraties op naam van Angel B.V. te stellen (zie 2.4 van dit vonnis). Niet valt in te zien dat mr. Vos – als hij al van het faillissement heeft geweten – erop bedacht had moeten zijn dat het faillissement van [gedaagde] nog steeds voortduurde. Evenmin mocht [gedaagde] veronderstellen dat mr. Vos destijds wist dat [gedaagde] failliet was. Bovendien had het bij een dergelijke veronderstelling te meer voor de hand gelegen dat [gedaagde] zijn failliete status met mr. Vos had besproken. Onder deze omstandig¬heden dient de dwaling – als al van dwaling sprake is – voor rekening van [gedaagde] te blijven. Daar komt nog het volgende bij. Niet aannemelijk is dat in het geval de mogelijkheid van een toevoeging bij [gedaagde] wel onder de aandacht zou zijn gebracht, het tot een toevoeging zou zijn gekomen. Het faillissement van [gedaagde] was in dat geval zonder meer aan het licht gekomen. De rechtbank acht zeer aannemelijk dat mr. Vos en in beginsel willekeurig welke andere advocaat [gedaagde] dan naar de curator had verwezen.

4.8. Subsidiair heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij niet in verzuim is komen te verkeren, althans dat de vordering van Vos & de Lange niet opeisbaar is. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat mr. Hoogenboom aan [gedaagde] heeft toegezegd tot aan het einde van de dagvaardingprocedure tegen De Uitvaartspecialist niet meer om betaling van de openstaande en nog te verzenden declaraties te zullen verzoeken. Mr. Hoogenboom heeft met die toezegging Vos & de Lange gebonden, aldus [gedaagde]. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat Vos & de Lange, althans mr. Vos, de in rekening gebrachte tijd niet effectief heeft benut. Volgens [gedaagde] is er sprake van een toerekenbare tekort¬koming aan de zijde van Vos & de Lange, althans van een onrechtmatige daad, op grond waarvan Vos & de Lange jegens [gedaagde] al bij de behandeling van de ontbinding¬procedure jegens hem in verzuim is geraakt in de zin van artikel 6:58 BW. Dit verzuim zou een einde gemaakt hebben aan het – eventuele – verzuim van [gedaagde], althans zou hebben verhinderd dat [gedaagde] jegens Vos & de Lange in verzuim zou kunnen geraken.

4.9. Vos & de Lange heeft primair betoogd dat mr. Hoogenboom geen toezegging heeft gedaan. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de relatie met het kantoor heeft beëindigd en dat Vos & de Lange daarom niet langer aan de eventuele toezegging gehouden zou zijn. Ook heeft zij betoogd dat de vordering in ieder geval vanaf 25 november 2009 opeisbaar is, omdat toen aan de dagvaardingprocedure een einde is gekomen. Vos & de Lange heeft tot slot betwist dat mr. Vos is tekort¬geschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht en dat sprake is van (schuldeisers)verzuim aan haar zijde.

4.10. Ten aanzien van het verwijt van [gedaagde] dat mr. Vos de in rekening gebrachte tijd niet effectief heeft benut en aldus zou zijn tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomst stelt de rechtbank voorop dat uit de door [gedaagde] gestelde feiten niet kan worden afgeleid dat sprake is van verhindering van de nakoming van de verbintenis doordat Vos & de Lange (mr. Vos) de daartoe nood¬zakelijke medewerking niet heeft verleend of doordat een ander beletsel aan haar zijde is opgekomen als bedoeld in artikel 6:58 BW. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat Vos & de Lange ten gevolge van aan haar toe te rekenen omstandigheden niet heeft voldaan aan een verplichting harerzijds jegens [gedaagde] én [gedaagde] op die grond bevoegdelijk de nakoming van zijn verbintenis jegens Vos & de Lange heeft opgeschort. Het beroep op schuldeisers¬verzuim mist daarom rechtsgrond. De rechtbank wijst er voorts op dat de visie achteraf van de cliënt dat betere rechtsbijstand mogelijk was geweest en dat daarmee mogelijk een beter resultaat zou zijn behaald niet impliceert dat de behandelend advocaat is tekortgeschoten. De norm waaraan getoetst zou moeten worden is die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in vergelijkbare omstandigheden.

4.11. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Als er al vanuit moet worden gegaan dat mr. Hoogenboom heeft toegezegd bij [gedaagde] niet om betaling te zullen verzoeken, dan heeft mr. Hoogenboom daarmee niet gezegd dat [gedaagde] de openstaande en de nog te verzenden declaraties niet verschuldigd was. Deze toezegging kan daarom niet afdoen aan het verzuim van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de eerste declaratie, waarop een betaling¬termijn van veertien dagen is vermeld, voldaan. Van een protest van [gedaagde] tegen die betaling¬termijn is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat [gedaagde] met die betalingtermijn (stil¬zwijgend) heeft ingestemd. Dit betekent dat het verzuim van [gedaagde] is ingetreden steeds vanaf veertien dagen na de respectieve data van de declaraties. Vast staat dat de dagvaarding¬¬procedure op 25 november 2009 is geëindigd met het onder 2.15 vermelde vonnis, zodat de gestelde (doch betwiste) toezegging van mr. Hoogenboom niet (meer) aan de opeisbaarheid van de vordering in de weg staat. Gelet hierop is bewijsvoering op dit punt niet relevant. Voorts behoeft geen bespreking wie van partijen de overeenkomst van opdracht heeft opgezegd en de consequenties daarvan voor de gehoudenheid van Vos & de Lange aan de gestelde toezegging van mr. Hoogenboom.

4.12. Meer subsidiair heeft [gedaagde] een beroep op verrekening gedaan met door hem geleden schade. [gedaagde] heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

1) [gedaagde] heeft in verband met de toevoeging die hem verleend had kunnen worden meer betaald dan nodig was geweest. Dit bedrag ad EUR 11.371,50 dient Vos & de Lange op grond van artikel 6:230 lid 1 BW terug te betalen, althans op grond van toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad.

2) De ex-werkgever van [gedaagde] heeft als gevolg van de beslaglegging door Vos & de Lange per direct de destijds gevoerde schikkingonderhandelingen afgebroken. [gedaagde] had in dat kader uitzicht op betaling van een bedrag van EUR 90.000,00. De Uitvaartspecialist weigert dit bedrag nog te voldoen. Het beslag is onrechtmatig omdat [gedaagde] geen betaling verschuldigd is van nog openstaande declaraties en omdat Vos & de Lange geen, laat staan voorafgaand, overleg met de Deken heeft gevoerd, tot welk overleg zij op grond van regel 27 lid 7 van de Gedragsregels verplicht was.

3) mr. Vos heeft onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde]. Mr. Vos heeft [gedaagde] op 31 maart 2009 tot drie maal toe gebeld. De toonzetting van mr. Vos in deze gesprekken veranderde van kortaf tot ronduit agressief. Uiteindelijk heeft mr. Vos de werkrelatie met [gedaagde] verbroken door met luide stem onmiddellijk betaling te eisen van de open¬staande declaraties, [gedaagde] te dreigen met beslaglegging en aan te kondigen dat hij [gedaagde] en zijn zoon “kapot” zou maken. Deze onrechtmatige daad van mr. Vos dient aan Vos & de Lange te worden toegerekend. Zij is jegens [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [gedaagde] heeft geleden, zijnde een smartengeld van EUR 1.000,00.

4.13. Volgens Vos & de Lange heeft [gedaagde] geen schade geleden als gevolg van de beweerdelijke tekortkoming dan wel onrechtmatige daad van mr. Vos. Vos & de Lange heeft betwist dat de beslaglegging tot de gestelde schade heeft geleid en dat mr. Vos [gedaagde] heeft bedreigd. Voorts is volgens Vos & de Lange ten aanzien van het gevorderde smartengeld niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:106 lid 1 sub a dan wel b BW.

4.14. Het beroep op verrekening met schade bestaande uit te veel betaalde declaraties kan niet slagen. De rechtbank verwijst ter motivering naar hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.7 is overwogen. In 4.7 is overwogen dat de aldaar gememoreerde omstandigheden ertoe moeten leiden dat aan [gedaagde] geen beroep op dwaling toekomt. Diezelfde omstandigheden leiden ook tot het oordeel dat geen sprake is van schade die op grond van onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming voor vergoeding in aanmerking komt.

4.15. Ten aanzien van de beslaglegging overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat van de zijde van Vos & de Lange voorafgaand aan de beslaglegging ter zake geen overleg is gepleegd met de Deken. Hiertoe is een advocaat op grond van regel 27 lid 7 van de Gedragsregels wel verplicht. In het midden kan blijven of deze nalatigheid is aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [gedaagde]. [gedaagde] heeft immers in het licht van het door Vos & de Lange gevoerde verweer, onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat de te verrekenen schade ad EUR 90.000,00 het gevolg is van die beslaglegging. Vos & de Lange heeft in haar conclusie van repliek betoogd dat [gedaagde] op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan De Uitvaartspecialist de schikking¬onderhandelingen heeft afgebroken. Voorts heeft zij erop gewezen dat [gedaagde] zelf van mening is dat er wel een schikking tot stand is gekomen. [gedaagde] is daarvoor een procedure gestart tegen De Uitvaartspecialist. Anders dan hij heeft gedaan, mocht [gedaagde] gelet op dit verweer niet volstaan met de stelling dat het hem althans zijn advocaat niet vrijstaat de correspondentie met de advocaat van De Uitvaartspecialist in het geding te brengen. Van hem had verwacht mogen worden dat hij had geconcretiseerd en nader had uitgelegd hoe de schikkingonderhandelingen zijn verlopen, op welk moment en waarop precies die onderhandelingen zijn gestrand. Nu hij dat heeft nagelaten, heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Aan bewijsvoering op dit punt wordt dus niet toegekomen. Het ter zake gevoerde verrekenings¬verweer faalt.

4.16. Ten aanzien van het beroep op verrekening met een smartengeldvergoeding ad EUR 1.000,00 geldt dat uit de door [gedaagde] gestelde feiten niet kan worden afgeleid dat zich één van de gronden voor toewijsbaarheid van een dergelijke vordering als vermeld in artikel 6:106 BW heeft voorgedaan. Niet is gesteld of gebleken dat Vos & de Lange het oogmerk had aan [gedaagde] nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat toe te brengen, noch dat [gedaagde] lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het beroep op verrekening strandt hierop.

4.17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Vos & de Lange tot betaling van de openstaande declaraties ten bedrage van EUR 20.719,34 toewijsbaar is.

4.18. Nu niet is gesteld of gebleken dat tussen partijen sprake is van een handels¬overeenkomst in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW, is de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar. Gelet op hetgeen in 4.11 is overwogen, is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijsbaar vanaf de respectieve vervaldata van de declaraties.

4.19. [gedaagde] meent dat hij geen buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW verschuldigd is, omdat Vos & de Lange geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Dit verweer faalt. Dat Vos & de Lange de incasso zelf ter hand heeft genomen staat niet niet aan de vergoedbaarheid in de weg. Vaststaat dat Vos & de Lange door middel van herinnerings- en aanmanings¬brieven herhaaldelijk heeft geprobeerd voldoening van haar declaraties buiten rechte te verkrijgen. Zij heeft dus kosten gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II worden begroot op EUR 1.158,00, omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en Vos & de Lange onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat meer werkzaam¬heden zijn verricht dan in het forfaitaire tarief besloten.

4.20. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vos & de Lange worden begroot op:

- dagvaarding EUR 79,25

- vast recht 485,00

- salaris advocaat 2.316,00 (4,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.880,25

Vos & de Lange vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de beslag¬kosten. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat, op grond van hetgeen ter zake in reconventie wordt overwogen, de vordering van [gedaagde] tot opheffing van de beslagen toewijsbaar is.

in reconventie voorts

4.21. [gedaagde] heeft Vos Advocaten als derde in het geding doen oproepen en jegens haar als “gedaagde in reconventie ex artikel 118 Rv” de in 3.4 onder 5) vermelde vordering ingesteld. Vos Advocaten heeft echter terecht betoogd dat [gedaagde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in deze vordering. Artikel 118 Rv biedt geen ruimte om in een geval als het onderhavige een geschil in reconventie uit te breiden met een zelfstandige vordering jegens een derde partij, een partij die niet als eiser of gedaagde al in het geschil in conventie is betrokken.

4.22. Met betrekking tot de vordering tot opheffing van de beslagen overweegt de rechtbank als volgt. Niet vast staat dat de Deken met de beslaglegging zou hebben ingestemd in het geval Vos & de Lange het op grond van regel 27 lid 7 van de Gedrags¬regels vereiste overleg met hem hadden gevoerd. Aangenomen moet worden dat de beslagen niet zouden zijn gelegd als de Deken daarover negatief zou hebben geoordeeld. Het gedrags¬rechtelijke voorschrift is (mede) in het leven geroepen om cliënten te beschermen tegen (te) lichtvaardig door hun (voormalig) advocaten te leggen beslagen. Op grond hiervan is de vordering tot opheffing van de beslagen toewijsbaar.

4.23. De vordering van [gedaagde] tot hoofdelijke veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. tot betaling aan [gedaagde] van EUR 11.455,21, althans tot veroordeling van ieder van hen tot betaling van EUR 3.818,40 is niet toewijsbaar. De rechtbank verwijst ter motivering naar overweging 4.7 van dit vonnis. De vordering tot hoofdelijke veroordeling van De Lange B.V. en Nauta B.V. tot betaling van schadevergoeding ad EUR 91.000,00, althans tot veroordeling van ieder van hen tot betaling van EUR 45.500,00 is evenmin toewijsbaar. Ter motivering daarvan verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4.15 en 4.16 van dit vonnis. Dit geldt eveneens voor de vordering tot bepaling dat [gedaagde] tegenover Vos & de Lange van zijn eventuele verplichting tot betaling is bevrijd op de voet van artikel 6:60 BW. Hiervoor verwijst de rechtbank naar overweging 4.10 van dit vonnis.

4.24. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten worden begroot op EUR 2.011,50 (4,5 punten × factor 0,5 × tarief EUR 894,00). De nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Vos & de Lange te betalen een bedrag van EUR 21.877,34 éénentwintigduizend achthonderdzevenenzeventig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

- het bedrag van EUR 20.719,34 vanaf de respectieve vervaldata van de facturen,

- het bedrag van EUR 1.158,00 vanaf 15 april 2009,

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Vos & de Lange tot op heden begroot op EUR 2.880,25,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen Vos Advocaten,

5.6. heft op de conservatoire derdenbeslagen die Vos & de Lange op 3 april 2009 ten laste van de [gedaagde] heeft laten leggen onder A&P Holding B.V. te Tilburg en onder De Uitvaartspecialist B.V. te Tilburg,

5.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Vos & de Lange en Vos Advocaten tot op heden begroot op EUR 2.011,50,

5.8. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van EUR 131,00 aan nakosten, verhoogd met EUR 68,00 in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de onder 5.7 en 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege, mr. C. Bouwman en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.?