Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6554

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
239264 / HA ZA 05-1544
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vastgoedhandelaar heeft drie belegginsgpanden gekocht van 72-jarige alleenstaande vrouw. Sprake van benadeling. Koopovereenkomsten worden vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/55
NJF 2011/240

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 239264 / HA ZA 05-1544

Vonnis van 9 februari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Th. Dollee te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEJORO VASTGOED,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G.J. Houweling te Bleiswijk.

Partijen blijven hierna [eise[gedaagde1]gden] genoemd worden. Gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie worden afzonderlijk respectievelijk [gedaagde1], [gedaagde2] en Mejoro genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 december 2009 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- het aanvullend deskundigenbericht d.d. 1 april 2010;

- de brief van de deskundige d.d. 27 mei 2010, met bijlage;

- het bevelschrift d.d. 14 juli 2010 waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige bepaald is op € 357,00 inclusief BTW;

- de conclusie na (aanvullend) deskundigenbericht van [eiser], met productie;

- de antwoordconclusie na definitief deskundigenberich[gedaagde1]gden]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. In onderhavige zaak draait het primair om de vraag of de koopovereenkomsten waarbij [eiser] een aantal panden aan Mejoro heeft verkocht, vernietigd dienen te worden op grond van artikel 3:34 BW dan wel omdat er sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 1 BW. In haar tussenvonnis van 7 januari 2009 heeft de rechtbank in verband met de vraag in hoeverre [eiser] door het aangaan van de overeenkomsten is benadeeld een deskundige benoemd. Deze heeft op 16 april 2009 zijn rapport uitgebracht.

2.2. In haar tussenvonnis van 9 december 2009 heeft de rechtbank allereerst als vaststaand aangenomen dat de geestesvermogens van [eiser] blijvend of tijdelijk waren gestoord op het moment van het aangaan van de koopovereenkomsten. De rechtbank heeft in dat vonnis voorts overwogen dat de deskundige in zijn rapport van 16 april 2009 onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij tot de waardebepaling van de panden is gekomen. Vervolgens is een aanvullend deskundigenbericht gelast.

2.3. Het aanvullende deskundigenbericht houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:

“(…)

Vraag 1: Op basis van welke uitgangspunten en/of aan de hand van welke methode bent u tot de waardebepalingen in uw rapport van 16 april 2009 (…) gekomen?

Antwoord: Uitgangspunt is, rekening houdende met alle relevante factoren, het bruto aanvangsrendement welke bij onderhandse verkoop bij aanbieding, in verhuurde staat en op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

Vraag 2: Op welke wijze hebben de door u onder “doel van taxatie” vermelde factoren daarbij een rol gespeeld? Hebben ook andere factoren hierbij nog een rol gespeeld?

Antwoord: De onder “doel van taxatie” genoemde factoren zijn alle onder de hierboven relevante factoren te scharen. Vanzelfsprekend zijn mede daarnaast de factoren van vraag en aanbod, stand en ligging etc van belang.

Vraag 3: Op grond van welke gegevens bent u tot het oordeel gekomen dat het onderhoud van de bewuste registergoederen in oktober 2004 overwegend matig respectievelijk matig tot slecht was?

Antwoord: De conclusies zijn getrokken uit uitgebreide consultaties met bewoners van de getaxeerde panden.

Vraag 4: Is het voor de waardebepaling van onderhavige registergoederen van belang of deze bestemd zijn om mee te beleggen of bestemd zijn om door te verkopen? Zo ja, in welke zin?

Voor de waardebepaling is van belang dat de onroerende zaken bestemd zijn om te beleggen (zie antwoord op vraag 1).

(…)”.

2.4. [eiser] heeft in haar conclusie na aanvullend deskundigenbericht aangegeven dat tegen het aanvullend deskundigenbericht dezelfde bezwaren bestaan als tegen het eerste deskundigenbericht, te weten dat dit geen of onvoldoende inzicht geeft in de wijze waarop de deskundige tot de waardebepaling van de panden is gekomen. Zij heeft zich vervolgens primair op het standpunt gesteld dat de door haar overgelegde taxatierapporten van ABC Makelaardij Rotterdam B.V. (hierna: ABC) d.d. 7 februari 2005, welke zijn opgemaakt door [persoon1] (hierna: [persoon1]) als uitgangspunt in deze procedure dienen te worden genomen. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht een andere deskundige te benoemen.

[gedaagden] hebben aangegeven dat het rapport van de deskundige als uitgangspunt in deze procedure dient te worden genomen.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt. In haar tussenvonnis van 9 december 2009 heeft de rechtbank reeds voorop gesteld dat de taxatie van de waarde van een onroerende zaak geen exacte wetenschap is en dat de ervaring en intuïtie van de taxateur hierbij een belangrijke rol spelen, hetgeen meebrengt dat een taxateur niet tot in detail zal kunnen aangeven waarop zijn taxatie is gebaseerd, zodat tot op zekere hoogte vertrouwd zal dienen te worden op deze ervaring en intuïtie. De rechtbank is thans op basis van het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht van oordeel dat de deskundige, tegen die achtergrond, voldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij tot de waardebepaling van de panden is gekomen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

2.6. In zijn aanvullend rapport heeft de deskundige aangegeven op basis van welke uitgangspunten hij tot zijn waardebepaling is gekomen. In zijn oorspronkelijke rapport heeft de deskundige bij de beschrijving van de verschillende panden telkens de factoren die voor de waardering van belang zijn, zoals de grootte van de woningen, de huuropbrengst per maand, het onderhoud, de vraag of een splitsing in appartementen eenvoudig te realiseren zou zijn en het bedrag waarvoor de panden zijn doorverkocht, concreet uitgeschreven.

[eiser] heeft de juistheid van de door de deskundige opgenomen gegevens slechts betwist voor wat betreft het onderhoud en de vaststelling dat splitsing niet eenvoudig was te realiseren. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar de taxatierapporten van ABC en de reacties van [persoon1] op het deskundigenrapport en het aanvullend deskundigenrapport.

2.7. Wat betreft de onderhoudstoestand van de panden overweegt de rechtbank als volgt. De deskundige heeft in zijn oorspronkelijk rapport het onderhoud van de panden aan de Bergweg en de Noordsingel matig genoemd en die van de Lisstraat matig tot slecht. In zijn aanvullend deskundigenbericht heeft hij aangegeven dat hij deze conclusie heeft gebaseerd op uitgebreide consultaties met bewoners van de panden. Ook in de taxatierapporten van ABC wordt het onderhoud van het pand aan de Noordsingel overwegend matig genoemd. Het onderhoud van de overige panden wordt in deze rapporten overwegend redelijk genoemd. Deze rapporten zijn echter opgemaakt op verzoek van [eiser], zodat deze rapporten niet als onafhankelijk aangemerkt kunnen worden. De rechtbank vindt in het procesdossier ook voldoende aanwijzingen dat het onderhoud matig was. De zonen van [eiser] hebben ter comparitie verklaard dat toen zij inzicht kregen in het beheer van de onroerende zaken hen bleek dat het beheer niet goed ging, omdat [eiser] niet adequaat reageerde op brieven en er verschillende procedures bij de huurcommissie liepen. Uit de stukken die door [gedaagden] als productie 12 bij conclusie van antwoord in conventie zijn overgelegd kan een en ander ook ten aanzien van (een aantal van) onderhavige panden worden afgeleid. Ook de statutair directeur van Mejoro heeft ter comparitie aangegeven dat er sprake was van achterstallig onderhoud. [eiser] heeft weliswaar een overzicht overgelegd van facturen die betrekking hebben op het onderhoud aan de panden in de jaren 2002 tot en met 2005, doch hieruit kan niet afdoende worden afgeleid dat het onderhoud van de panden in oktober 2004 goed was. Hierbij speelt mee dat het panden betreft die eind 19e eeuw/begin 20e eeuw zijn gebouwd en derhalve, tenzij zij ingrijpend zijn gerenoveerd, relatief veel onderhoud vergen.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de waardering door de deskundige van de onderhoudstoestand van de panden.

2.8. Wat betreft de mogelijkheid de panden te splitsen in appartementen heeft de deskundige in zijn oorspronkelijke rapport gemotiveerd aangegeven dat dit gezien de staat van onderhoud en de hoogte van de huren niet eenvoudig te realiseren was. [persoon1] heeft in zijn reactie op dit rapport aangegeven dat het “klimaat” om verhuurde panden aan te kopen destijds zeer gunstig was omdat het in veel gevallen nog mogelijk was zonder directe toestemming van de plaatselijke overheid de objecten te splitsen in appartementsrechten. Ook als dit juist zou zijn, doet dit niet af aan de conclusie van de deskundige, nu [persoon1] alleen de rol van de plaatselijke overheid in zijn conclusie betrekt en de deskundige (mede) heeft gekeken naar de staat van onderhoud en de hoogte van de huren. Nu de deskundige reeds op 9 juni 1976 zijn eed als makelaar/taxateur in onroerende zaken heeft afgelegd, kan ervan uitgegaan worden dat hij op de hoogte is van het “klimaat” dat er eind 2004 op de vastgoedmarkt heerste. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat hij dit “klimaat” onjuist heeft ingeschat dan wel op andere gronden onterecht tot de conclusie is gekomen dat splitsing in appartementen niet eenvoudig te realiseren was.

2.9. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de deskundige van onjuiste feiten is uitgegaan, dat hij van belang zijnde feiten over het hoofd heeft gezien, of dat hij zijn kennis en ervaring onjuist heeft toegepast. Kennelijk is de deskundige niet in staat om concreet – bij voorbeeld uitgedrukt in een percentage – aan te geven in hoeverre de factoren die voor de waardebepaling van de panden van belang zijn, hebben meegewogen bij de uiteindelijke vaststelling van die waarde. De rechtbank is van oordeel dat dit ook niet van de deskundige verwacht kan worden. Een taxatie is immers een inschatting van het bedrag dat een koper bereid zal zijn te betalen en dat is een – niet verder te kwantificeren – optelsom van al deze factoren. Op dit punt zal derhalve vertrouwd dienen te worden op de ervaring en intuïtie van de deskundige.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht tot uitgangspunt zal nemen bij haar verdere beoordeling.

2.10. Thans ligt ter beoordeling voor of [eiser] door het aangaan van de betreffende koopovereenkomsten is benadeeld. De rechtbank constateert dat deze overeenkomsten in zeer korte tijd en onder dezelfde omstandigheden zijn afgesloten en dat alle panden uiteindelijk op hetzelfde moment zijn geleverd. Zij zal daarom bij haar beoordeling telkens slechts de gezamenlijke waarde van deze panden betrekken als ware het één transactie. [eiser] heeft voor deze panden in totaal een koopsom van € 815.000,00 ontvangen (in het tussenvonnis van 3 oktober 2007 staat als koopprijs van de Lisstraat per abuis een bedrag van € 550.000,- in plaats van een bedrag van € 555.000,- vermeld). De deskundige heeft de gezamenlijke waarde van de panden getaxeerd op een bedrag ad € 944.000,00. [eiser] heeft derhalve voor de panden een bedrag ad € 129.000,00 minder ontvangen dan wat deze panden op dat moment waard waren. De rechtbank acht dit bedrag dermate substantieel (ca 16% van de totale koopsom) dat geoordeeld kan worden dat [eiser] door het aangaan van de koopovereenkomsten is benadeeld.

2.11. Het voorgaande betekent dat ingevolge artikel 3:34 lid 1 BW wordt vermoed dat de koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van de gestoorde geestesvermogens van [eiser]. Dit kan slechts anders zijn indien dit nadeel op het tijdstip van het aangaan van de koopovereenkomsten redelijkerwijze niet was te voorzien, doch dat is hier niet aan de orde. Het is vervolgens aan [gedaagden] om tegenbewijs te leveren. Zij zullen hiertoe echter niet worden toegelaten, aangezien uit hetgeen hierna wordt overwogen blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van misbruik van omstandigheden, zodat de koopovereenkomsten reeds op die grond vernietigd dienen te worden.

2.12. Vast staat dat [eiser] een alleenstaande vrouw op leeftijd is, die ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomsten 72 jaar oud was. Weliswaar had [eiser] ervaring in het beleggen in panden die door haar verhuurd en beheerd werden, doch zij was geen handelaar in panden. Uit het door haar raadsman bij zijn brief van 17 april 2008 overgelegde overzicht blijkt dat [eiser] in de jaren 1979 tot en met 1987 16 panden heeft aangekocht en dat zij in 1997 drie panden weer heeft verkocht en in 2002 één pand (aan [gedaagde1]). Gezien de periode die gelegen is tussen de aankoop van de panden en de verkoop van de panden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [eiser] een handelaar in panden was dan wel een bijzondere deskundigheid ten aanzien van de waarde van panden had. Voorts staat vast dat [eiser] bij het aangaan van onderhavige koopovereenkomsten niet werd bijgestaan door een deskundige. Hier staat als onbetwist tegenover dat [gedaagde1] wel een professioneel handelaar is, zodat hij in staat moet worden geacht de reële waarde van een pand op juiste wijze in te kunnen schatten. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat hij geweten moet hebben dat hij de panden tegen een aanzienlijk lagere prijs aankocht dan deze in werkelijkheid waard waren. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. De vraag of [eiser] [gedaagde1] zelf heeft benaderd voor de verkoop van het pand Noordsingel of dat [gedaagde1] haar heeft benaderd voor de aankoop van de panden, hetgeen tussen partijen in geschil is, kan in het midden blijven. Ook indien het juist is dat [eiser] [gedaagde1] zelf heeft benaderd, is de rechtbank van oordeel dat gezien het voorgaande [gedaagde1] met het aangaan van de koopovereenkomsten misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. Dit handelen van [gedaagde1] kan worden toegerekend aan Mejoro, nu zij uiteindelijk de koopovereenkomsten met [eiser] is aangegaan.

2.13. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] terecht de vernietigingsgrond ex artikel 3:44 BW heeft ingeroepen. [eiser] heeft aangegeven dat, nu de levering inmiddels heeft plaatsgevonden [gedaagden] het nadeel dat [eiser] heeft geleden dienen te vergoeden. Ter comparitie heeft zij aangegeven dat haar vordering is gebaseerd op artikel 3:53 lid 2 BW, aangezien de gevolgen van de vernietiging bezwaarlijk zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Nu de panden aan de Bergweg en de Noordsingel inmiddels niet meer in het bezit zijn van Mejoro en voorts de levering van het pand aan de Lisstraat reeds in 2005 heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] terecht heeft aangevoerd dat de reeds ingetreden gevolgen van de koopovereenkomsten bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, zoals bedoeld in artikel 3:53 lid 2 BW. De rechtbank zal derhalve aan de vernietiging haar werking ontzeggen en daarbij Mejoro de verplichting opleggen het nadeel dat [eiser] heeft geleden te vergoeden, omdat Mejoro door deze ontzegging onbillijk wordt bevoordeeld.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen kan worden afgeleid dat [eiser] door het aangaan van de koopovereenkomsten is benadeeld voor een bedrag ad € 129.000,-, zodat Mejoro dit bedrag aan haar dient te vergoeden. De vordering van [eiser] ligt derhalve in zoverre voor toewijzing gereed.

2.14. Nu [gedaagde1] en [gedaagde2] geen partij zijn geweest bij de koopovereenkomsten kan de primaire grondslag van [eiser] niet tot toewijzing van haar vordering jegens hen leiden. [eiser] heeft echter subsidiair gesteld dat [gedaagde1] en [gedaagde2] naast Mejoro hoofdelijk aansprakelijk zijn, nu zij onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [gedaagde1] is degene geweest die de gesprekken met [eiser] heeft gehad en is mitsdien diegene die persoonlijk misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden, waardoor hij ook persoonlijk aansprakelijk is. Hij trad daarbij op als directeur van [gedaagde2], zodat ook zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Bovendien is zij ex artikel 6:170 BW aansprakelijk voor het onrechtmatig handelen van haar ondergeschikte, aldus [eiser].

2.15. [gedaagden] hebben hier allereerst tegen aangevoerd dat er geen sprake is van onzorgvuldig handelen. Dit verweer wordt echter verworpen. Het misbruik maken van de omstandigheden als hiervoor onder 2.12 geschetst is te kwalificeren als onrechtmatig handelen jegens [eiser]. Nu dit handelen feitelijk is verricht door [gedaagde1] valt hem hiervan een persoonlijk verwijt te maken en is hij krachtens artikel 6:162 BW verplicht de schade die hieruit is voortgevloeid te vergoeden. [gedaagden] hebben niet betwist dat [gedaagde2] hiervoor krachtens artikel 6:170 BW eveneens aansprakelijk is.

2.16. [gedaagden] hebben betwist dat er sprake is van schade, aangezien er tegen een marktconforme prijs is aangekocht. Dit verweer wordt eveneens verworpen. Uit hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen volgt immers dat [eiser] geen marktconforme prijs voor de panden heeft ontvangen, doch door het aangaan van de koopovereenkomsten voor een bedrag ad € 129.000,- is benadeeld. Dit nadeel is de schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden.

2.17. [gedaagden] hebben voorts aangevoerd dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals [eiser] die heeft geleden als bedoeld in artikel 6:163 BW. Ook dit verweer wordt verworpen. De hier overtreden norm is dat er geen misbruik gemaakt mag worden van bepaalde omstandigheden. Deze norm strekt ertoe om het slachtoffer van een dergelijk misbruik te beschermen tegen eventuele schade die hij hierdoor kan leiden. Dit is de schade die [eiser] thans vordert.

2.18. Tot slot hebben [gedaagden] aangevoerd dat de onrechtmatige daad niet aan [gedaagde1] en [gedaagde2] is toe te rekenen, doordat [eiser] ervoor heeft gekozen de koopovereenkomsten na te komen. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Zoals in het tussenvonnis van 3 oktober 2007 reeds is overwogen, had [eiser] de keuze om de koopovereenkomsten via de weg van de rechterlijke uitspraak te vernietigen, hetgeen meebrengt dat zij gehouden was medewerking te verlenen aan de levering van de panden. Deze nakoming staat mitsdien niet in de weg aan het toerekenen van de schade aan het handelen van [gedaagde1], waarvoor[gedaagde2] mede aansprakelijk is.

2.19. Uit het voorgaande volgt dat op [gedaagde1] en [gedaagde2] de verplichting rust de schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde1] heeft geleden, zijnde een bedrag ad € 129.000,-, te vergoeden. De vordering van [eiser] ligt mitsdien in zoverre eveneens voor toewijzing gereed.

2.20. [eiser] heeft voorts gesteld dat zij redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW heeft gemaakt ad € 1.991,62, zijnde de kosten van de door ABC opgestelde taxatierapporten. [gedaagden] hebben hiertegen geen verweer gevoerd, zodat ook dit onderdeel van de vordering voor toewijzing gereed ligt.

2.21. [eiser] heeft verder gesteld dat zij voor de behandeling van de zaak een bedrag ad € 5.579,38 aan buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW heeft moeten maken. Ter onderbouwing heeft zij als productie 16 bij dagvaarding een specificatie overgelegd. Weliswaar hebben [gedaagden] betwist dat [eiser] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, maar gezien de overgelegde productie heeft zij deze betwisting onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze betwisting voorbij gaat. Ingevolge het rapport Voorwerk II zullen deze kosten worden gematigd tot een bedrag ad € 2.842,00.

2.22. Nu [gedaagden] ieder jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor voormelde bedragen, zijn zij hoofdelijk verbonden. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagden] hoofdelijk zullen worden veroordeeld aan [eiser] te betalen een totaalbedrag ad € 133.834,62. De wettelijke rente over dit bedrag zal als gevorderd worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 2 mei 2005.

2.23. [eiser] heeft gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 339,28 voor verschotten en EUR 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 1.421,00).

2.24. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 4.489,00

- deskundigen 1.963,50

- salaris advocaat 5.684,00 (4,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 12.222,10

in reconventie

2.25. Zoals in het tussenvonnis van 3 oktober 2007 onder 4.11 is overwogen, zal de reconventionele vordering worden afgewezen. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op een bedrag ad EUR 1.421,00 aan salaris voor haar advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 1.421,00).

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 133.834,62 (éénhonderddrieëndertigduizend achthonderdvierendertig euro en tweeënzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 2 mei 2005 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 1.760,28,

3.3. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 12.222,10,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6. wijst de vorderingen af,

3.7. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.421,00,

3.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.?