Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6503

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
311035 / HA ZA 08-1743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6: 221 BW. Eiseres vordert na eiswijziging (primair) naleving van volgens haar na CvP bereikte schikking. Bezwaar tegen eiswijziging niet gehonoreerd. Verweer dat eiseres het schikkingsaanbod van gedaagde niet tijdig heeft aanvaard, wordt verworpen. De rechtbank wijst de primaire vordering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 311035 / HA ZA 08-1743

Vonnis van 9 februari 2011

in de zaak van

[eiseres].,

gevestigd te Rozenburg,

eiseres,

advocaat mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.L.C. TECHNISCHE INSTALLATIES UDEN B.V.,

gevestigd te Oostvoorne,

gedaagde,

advocaat mr. R. van Noord te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en BLC TI genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 8 juli 2008;

- de conclusie van antwoord d.d. 3 september 2008;

- het tussenvonnis van 1 oktober 2008, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2009;

- de akte na comparitie van partijen tevens inhoudende voorwaardelijke wijziging van eis van [eiseres] d.d. 6 oktober 2010;

- de antwoordakte van BLC TI d.d. 3 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang - het navolgende vast.

2.1. Op 19 september 2007 heeft [eiseres] een factuur ad EUR 23.203,76 aan BLC TI gestuurd ter zake van werkzaamheden uitgevoerd in september 2007.

2.2. Tussen partijen is een geschil ontstaan omtrent de juistheid van de factuur d.d. 19 september 2007. BLC TI heeft de factuur niet voldaan.

2.3. Na de op 21 januari 2009 gehouden comparitie van partijen hebben partijen onderhandeld over een minnelijke regeling van deze kwestie. In dit kader heeft [persoon 1] van BLC TI op 27 augustus 2009 een e-mailbericht aan [eiseres] gezonden met, voor zover hier van belang, de navolgende inhoud:

‘Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud hedenmorgen welke eigenlijk best even gezellig was, komen wij nog even terug op jouw schrijven van ref. nr. HN/cr/0155 met de datum 6 april 2009, waarin je ons verzoekt akkoord te gaan met een schikking van € 9.000,- om dan zodoende de zaak te kunnen sluiten.

Niettemin hebben wij tijdens de hoorzitting in het overleg ‘rondje’ en ‘bod’ gedaan (een soort tegemoetkoming) van € 5.000,- als max.

Tijdens mijn welverdiende vakantie heeft mijn collega [persoon 2] via onze advocaat de heer mr. R. van Noord laten weten dat wij het eerder genoemde bedrag met € 2.000,- euro willen verhogen zodat ‘het’ bedrag uit komt op € 7.000,- euro.

Je weet meer dan goed wat mijn persoonlijke mening hierover is maar goed, het bedrag van € 7.000,- euro gaan wij niet verhogen en is echt ons eindbedrag.

Indien je hiermee akkoord gaat willen wij dit schriftelijk bevestigd zien zodat het overgemaakt en afgehandeld kan worden.’

3. Het geschil

3.1. In de inleidende dagvaarding heeft [eiseres] gevorderd dat BLC TI zal worden veroordeeld tot betaling van EUR 26.936,76, te vermeerderen met de zakelijke wettelijke rente ex artikel 6: 119a BW, te berekenen over de hoofdsom ad EUR 23.203,76 vanaf 3 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2. Bij akte van 6 oktober 2010 heeft [eiseres] haar eis gewijzigd. Zij heeft daarbij opgemerkt dat deze wijziging voorwaardelijk geschiedt en wel slechts voor zover in rechte komt vast te staan dat er tussen partijen een nadere overeenkomst als verwoord in de betreffende akte tot stand gekomen is.

Gelet op de bij de eiswijziging gegeven toelichting verstaat de rechtbank deze wijziging van eis aldus dat thans wordt gevorderd:

primair:

veroordeling van BLC TI tot betaling van EUR 7.000,-, tegen finale kwijting op grond van de tussen partijen gesloten nadere overeenkomst, als bedoeld in de akte van [eiseres] d.d. 6 oktober 2010;

subsidiair, voor zover niet in rechte komt vast te staan dat tussen partijen zodanige nadere overeenkomst tot stand gekomen is:

veroordeling van BLC TI tot betaling van EUR 26.936,76, te vermeerderen met de zakelijke wettelijke rente ex artikel 6: 119a BW, te berekenen over de hoofdsom ad EUR 23.203,76 vanaf 3 juli 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, en te verminderen met de op 11 augustus 2008 ontvangen deelbetaling ad EUR 9.151,-

primair en subsidiair:

veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.3. BLC TI heeft zich tegen de eiswijziging verzet. Haar verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verzet tegen de eiswijziging

4.1. Voor zover het verzet van BLC TI tegen de eiswijziging als bezwaar in de zin van artikel 130 Rv dient te worden opgevat, wordt als volgt overwogen.

4.2. Bezwaar tegen een eiswijziging kan worden gehonoreerd in die gevallen waarin de eiswijziging in strijd is met de eisen van de goede procesorde. Daarvan is sprake indien de eiswijziging leidt tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. BLC TI heeft niet gesteld dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan ook geen sprake. BLC TI is immers in staat geweest zich tegen de wijziging van eis te verweren, zoals blijkt uit haar antwoord¬akte d.d. 3 november 2010. Gelet op de stand waarin het geding zich bevindt, leidt de eiswijziging naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot onredelijke vertraging van het geding. Het bezwaar van BLC TI tegen de eiswijziging van [eiseres] wordt derhalve verworpen. De rechtbank zal dan ook recht doen op basis van de gewijzigde eis.

Primaire vordering

4.3. Bij de beoordeling van de primaire vordering als hiervoor in punt 3.2. vermeld, staat centraal de vraag of tussen partijen een nadere overeenkomst als verwoord in de akte d.d. 6 oktober 2010 tot stand gekomen is. Deze overeenkomst zou inhouden dat BLC TI ter beëindiging van het onderhavige geschil aan [eiseres] een bedrag groot EUR 7.000,- zal voldoen tegen finale kwijting.

4.4. Het standpunt van [eiseres] ter zake luidt als volgt.

BLC TI heeft een concreet schikkingsvoorstel gedaan zonder daaraan enige tijdslimiet te verbinden. Door de onvoorwaardelijke acceptatie van dit voorstel door [eiseres] is tussen partijen een nadere overeenkomst ontstaan die erin voorziet dat BLC TI aan [eiseres] ter beslechting van het bestaande geschil nog een bedrag ad € 7.000,- voldoet tegen finale kwijting. [eiseres] vordert thans (primair) de nakoming van deze nadere overeenkomst.

4.5. BLC TI heeft hier het navolgende tegen ingebracht.

Een aanbod, waaraan geen tijdslimiet is verbonden, behoudt niet tot in het oneindige zijn gelding. Als algemene regel kan worden gesteld, dat het aanbod van kracht blijft gedurende de tijd welke de partij tot wie het aanbod is gericht redelijkerwijze nodig heeft om het te overwegen en haar besluit mede te delen. Wordt binnen die termijn niet geantwoord dan komt het aanbod te vervallen en eindigt de gebondenheid van de aanbieder om het aanbod gestand te doen.

Nu tijd voor het overbrengen van het antwoord hier geen relevante factor is en [eiseres] met betrekking tot een eigen aanbod uitgaat van een geldigheid die beperkt is tot tien dagen, kan BLC TI op 24 juni 2010 niet meer aan haar aanbod van februari 2009, dat is herhaald op 27 augustus 2009 gebonden worden geacht.

4.6. De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat bij tijdige aanvaarding van het aanbod als verwoord in het e-mailbericht d.d. 27 augustus 2009 van BLC TI aan [eiseres] een nadere overeenkomst tussen partijen tot stand zou zijn gekomen, inhoudende dat BLC TI aan [eiseres] een bedrag van EUR 7.000,- zal betalen tegen finale kwijting. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het aanbod van BLC TI op het moment van aanvaarding door [eiseres] nog geldig was.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

4.7. Op grond van artikel 6: 221 BW vervalt een schriftelijk aanbod wanneer het niet binnen een redelijke termijn wordt aanvaard. Onder een schriftelijk aanbod in de zin van deze bepaling begrijpt de rechtbank tevens het door BLC TI gedane elektronische aanbod (vergelijk Nadere Memorie van Antwoord, Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 358, E, pagina 3). De vraag welke termijn voor de aanvaarding als redelijk kan worden beschouwd, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.8. BLC TI heeft gesteld dat de termijn voor aanvaarding beperkt was tot enig moment voor 24 juni 2010. Voor deze stelling pleit dat het aanbod eenvoudig van aard is. In het kader van het geschil over de juistheid van een factuur heeft BLC TI aangeboden tegen finale kwijting een gedeelte van het factuurbedrag te betalen. Met BLC TI neemt de rechtbank aan dat [eiseres] geen tien maanden nodig heeft gehad om zich op dit voorstel te beraden en haar reactie daarop kenbaar te maken.

4.9. Er zijn echter ook omstandigheden die spreken in het voordeel van een langere, ook na 24 juni 2010 voortdurende termijn waarbinnen de aanvaarding van het aanbod nog als tijdig moet worden beschouwd.

4.10. Zo betrof het aanbod van BLC TI een schikkings¬aanbod, dat tot doel had een lopende gerechtelijke procedure te beëindigen. Voorts is van belang dat in deze procedure, zoals ook ter comparitie is besproken, niet op korte termijn een eindvonnis kon worden gewezen, nu de eerstvolgende stap het uitbrengen van een deskundigenbericht zou zijn. Het ging hier dus niet om de veel voorkomende situatie dat de aanbieder er een duidelijk belang bij heeft na verloop van een zekere tijd vrij te zijn om met een andere partij te contracteren of een betere prijs voor zijn handelswaar te bedingen. Dat BLC TI enig voor [eiseres] kenbaar belang had bij een beperkte geldigheid van het gedane aanbod als door BLC TI bepleit, is niet gesteld of gebleken. De omstandigheid dat BLC TI zich door [eiseres] niet serieus genomen voelt, kan in redelijkheid niet als zodanig belang worden beschouwd.

4.11. Daar komt bij dat het aanbod van 27 augustus 2009 een herhaling van een al in februari 2009 gedaan aanbod betrof. Ook dit wijst eerder op een duurzame bereidheid van BLC TI om de zaak op de voorgestelde wijze te schikken dan op een aanbod met beperkte geldigheid. [eiseres] heeft er dan ook op mogen vertrouwen dat het aanbod op 24 juni 2010 nog geldig was.

Dit geldt temeer nu er in de periode tussen 27 augustus 2009 en 24 juni 2010 tussen partijen kennelijk niet of nauwelijks meer contact over een minnelijke regeling heeft plaatsgevonden en BLC TI desondanks geen aanstalten heeft gemaakt om de pro forma aangehouden procedure voort te zetten.

4.12. Dat [eiseres] zelf aan de geldigheid van door haar gedane aanbiedingen een termijn van 10 dagen heeft verbonden doet aan het voorgaande niet af. BLC TI had immers ook de mogelijkheid aan haar aanbod een vervaltermijn te verbinden, maar van deze mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

4.13. Op grond van hetgeen hiervoor in punt 4.10 tot en met 4.12 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn voor de aanvaarding van het aanbod van BLC TI op 24 juni 2010 nog niet was verstreken. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het aanbod van BLC TI herroepelijk was, zodat BLC TI het in haar macht had zichzelf desgewenst van de verplichtingen die uit het aanbod voortvloeiden te bevrijden.

4.14. Het voorgaande voert tot de slotsom dat het op 27 augustus 2009 gedane aanbod van BLC TI binnen een redelijke termijn door [eiseres] is aanvaard, zodat tussen partijen een nadere overeenkomst tot stand gekomen is, die inhoudt dat BLC TI ter beëindiging van het onderhavige geschil aan [eiseres] een bedrag groot EUR 7.000,- zal voldoen tegen finale kwijting. De primaire vordering als vermeld in punt 3.2. ligt daarmee voor toewijzing gereed.

Subsidiaire vordering

4.15. Aangezien de primaire vordering zal worden toegewezen, behoeft hetgeen subsidiair is gevorderd verder geen bespreking.

Proceskosten

4.16. BLC TI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij de begroting van de kosten neemt de rechtbank in aanmerking dat indien op correcte wijze uitvoering zou zijn gegeven aan de nadere overeenkomst beide partijen de eigen proceskosten zouden hebben gedragen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om bij de begroting van het salaris van de advocaat slechts rekening te houden met de na de comparitie van partijen genomen akten.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden aldus begroot op:

- dagvaarding EUR 71,80

- vast recht 303,00

- salaris advocaat 192,00 (0,5 punt × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 566,80

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt BLC TI om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 7.000,00 (zegge: zevenduizend euro),

5.2. veroordeelt BLC TI in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 566,80,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.

2171/?1963