Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6101

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
370214 / KG RK 10-3521 en 370216 / KG RK 10-3523
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8275, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag of sprake is van een arbitrageovereenkomst tussen partijen moet worden beantwoord naar Engels recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2012/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 370214 / KG RK 10-3521 en 370216 / KG RK 10-3523

Beschikking van 28 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CATZ INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

advocaat mr. M.M. van Tilburg,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

GILAN TRADING KFT.,

gevestigd te Páty, Hongarije

verweerster,

advocaat mr. N. Hoogeboom.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verzoekschriften d.d. 30 december 2010

- de beschikkingen d.d. 10 januari 2011

- de mondelinge behandeling d.d. 14 februari 2011

- de producties en pleitnotities van mr. Van Tilburg

- het verweerschrift, de producties en pleitnotities van mr. Hoogeboom

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de door partijen overgelegde producties, kan in deze zaak van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1. Op 7 maart 2008 hebben arbiters op basis van de regels van de International General Produce Association te Londen (hierna: IGPA) arbitraal vonnis gewezen in twee door Catz jegens Gilan aanhangig gemaakte arbitrageprocedures. Bij arbitraal vonnis onder nummer 1125 is Gilan veroordeeld tot betaling aan Catz van € 117.120,--, te vermeerderen met rente en kosten en bij arbitraal vonnis onder nummer 1126 tot betaling aan Catz van € 9.678,--, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2. Catz heeft in 2009 de bevoegde rechter in Hongarije, de “Pest Country Court”, verlof gevraagd tot erkenning en tenuitvoerlegging van de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen. De Hongaarse rechter heeft dit verlof geweigerd. In hoger beroep zijn deze uitspraken bekrachtigd.

3. Het geschil

3.1. Catz verzoekt de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen op grond van art. 1075 Rv te erkennen en haar verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van deze vonnissen, zodanig dat:

1. Gilan aan Catz dient te betalen het bedrag van € 117.120,--, te vermeerderen met een jaarlijkse rente van 6,5%, te berekenen per kwartaal vanaf 5 september 2007;

2. Gilan aan Catz dient te betalen het bedrag van € 9.678,--, te vermeerderen met een jaarlijkse rente van 6,5%, te berekenen per kwartaal vanaf 17 augustus 2007;

3. Gilan aan Catz dient te betalen de kosten van de beide arbitrageprocedures, te weten in totaal GBP 6.226,60;

een en ander met veroordeling van Gilan in de proceskosten.

3.2. Gilan voert verweer. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of verlof kan worden verleend tot erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van de tussen partijen gewezen arbitrale vonnissen (zie 2.1).

4.2. Tussen partijen staat vast dat tussen hen twee arbitrale vonnissen zijn gewezen door een arbitrage tribunaal in het Verenigd Koninkrijk. Nu zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk partij zijn bij het Verdrag van New York (Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken van 10 juni 1958, Tractatenblad 1059/58), dient het verzoek van Catz te worden beoordeeld naar de maatstaven van art. 1075 Rv.

4.3. De toepasselijkheid van art. 1075 Rv brengt mee dat de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen in beginsel in Nederland kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd, tenzij Gilan voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat één van de limitatief opgesomde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging zoals opgesomd in art. V van het Verdrag van New York zich voordoet.

4.4. Het primaire verweer van Gilan dat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging op grond van de EEX-verordening (hierna: EEX-Vo) dient te worden afgewezen, nu een dergelijke verzoek in Hongarije zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is afgewezen vanwege het ontbreken van een schriftelijke arbitrageovereenkomst en deze beslissingen op grond van artikel 33 EEX-Vo in de overige lidstaten zonder vorm van proces moeten worden erkend, treft geen doel. Op grond van art. 1 lid 2 sub d EEX-Vo is deze verordening immers niet van toepassing op arbitrage, zelf wanneer het gaat om een bij de overheidsrechter aanhangige zaak waarbij arbitrage het onderwerp van geschil is (vgl HvJ EG 25 juli 1991, NJ 1993, 554). Daar komt bij dat de Hongaarse rechterlijke instanties slechts over de erkenning en tenuitvoerlegging van de in het geding zijnde arbitrale vonnissen in Hongarije hebben geoordeeld, terwijl thans verlof wordt gevraagd voor erkenning en tenuitvoerlegging van voornoemde vonnissen in Nederland.

4.5. Gilan stelt voorts dat het verzoek dient te worden geweigerd, omdat tussen partijen geen (schriftelijke) overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen (art. V lid 1 onder a Verdrag van New York).

4.6. Op grond van art. V lid 1 onder a kan weigering van het verzoek plaatsvinden als de arbitrageovereenkomst ‘is not valid under the law to which the parties have submitted it or, failing any indication thereon, under the law of the country where the award was made’. Anders dan Gilan stelt, gaat het er niet om of de vermeende arbitrageovereenkomst voldoet aan het bepaalde in art. II lid 2 van het Verdrag van New York. De onderhavige procedure betreft immers niet de in art. II bedoelde erkenning van een overeenkomst van arbitrage, maar een verzoek tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis.

4.7. Nu Gilan betwist dat er een arbitrageovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, kan niet worden vastgesteld of sprake is van een rechtens relevante rechtskeuze tussen partijen en moet de vraag of tussen partijen sprake is van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst op grond van art. V lid 1 onder a van het Verdrag van New York worden beantwoord aan de hand van het recht van het land waar de uitspraken werden gewezen, derhalve Engels recht.

4.8. Catz stelt dat de arbitrageovereenkomst blijkt uit de door haar als productie 2 overgelegde ‘contractnotes’. In deze ‘contractnotes’ is vermeld “conditions: IGPA Spot Contract” en “The parties hereby expressly agree to submit all disputes to arbitration as per contract”. Gilan stelt daartegenover dat die ‘contractnotes’ niet (namens haar) zijn ondertekend en dat in het geheel geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De vraag of de hoofdovereenkomsten tussen partijen tot stand zijn gekomen met een inhoud zoals door de ene partij gesteld en door de andere betwist, is in het kader van de onderhavige procedure echter niet relevant. Die vraag is door de arbiters in de arbitrageprocedures beantwoord. In deze procedure gaat het enkel om de erkenning en tenuitvoerlegging van die arbitrale vonnissen.

Met betrekking tot de vraag of de verzochte erkenning en tenuitvoerlegging kunnen worden geweigerd wegens het ontbreken van een (geldige) arbitrageovereenkomst tussen partijen, is enkel van belang of voornoemde verwijzingen in de ‘contractnotes’ naar Engels recht voldoende zijn om een tussen partijen overeengekomen arbitragebeding aan te nemen. Zoals reeds overwogen onder 4.3 ligt bij Gilan de bewijslast van het tegendeel.

4.9. Ten aanzien van de onder 4.8 genoemde verwijzingen in de ‘contractnotes’ stelt Gilan dat deze verwijzingen te vaag zijn en derhalve niet kunnen gelden als voldoende specifieke arbitrageclausule. Bovendien beschikt Gilan niet over de IGPA-documenten en kon zij daar ook niet over beschikken, zo stelt zij.

4.10. In het door Catz overgelegde (voorbeeld van een) IGPA Spot Contract, waarnaar de ‘contractnotes’ verwijzen, is vermeld dat wordt verkocht en gekocht “on the following terms & conditions including Contract Clause Group 1”. In de eveneens door Catz overgelegde ‘Contract Clause Group 1’ is een arbitrageclausule opgenomen waaruit, anders dan Gilan stelt, voldoende duidelijk blijkt waar de zetel van arbitrage is (London) en conform welk reglement de arbitrageprocedure zal worden gevoerd (Rules of Arbitration and Appeal of the International General Produce Association Limited).

Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan Part I, section 6 (2) van de in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van arbitrage geldende Arbitration Act 1996 dat luidt: “The reference in an agreement to a written form of arbitration clause or to a document containing an arbitration clause constitutes an arbitration agreement if the reference is such as to make that clause part of the agreement”.

Nu bovendien vaststaat dat partijen eerder (in 2005) al met elkaar hadden gecontracteerd op basis van IGPA Spot Contract mag een professionele partij als Gilan geacht worden bekend te zijn met de IGPA-voorwaarden, zoals ook de arbiters in de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen hebben geoordeeld.

4.11. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Gilan niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst, zodat geoordeeld wordt dat de in art. V lid 1 onder a van het Verdrag van New York genoemde weigeringsgrond zich niet voordoet.

4.12. Voorts stelt Gilan dat het verzoek van Catz dient te worden geweigerd, omdat in de arbitrageprocedure processuele waarborgen zijn geschonden (art. V lid 1 onder b Verdrag van New York).

4.13. Op grond van art. V lid 1 sub b van het Verdrag van New York dient het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging geweigerd te worden, indien Gilan aannemelijk maakt dat aan haar niet behoorlijke kennis was gegeven van de benoeming van de arbiters of van de arbitrageprocedures, of dat het haar om andere redenen onmogelijk is geweest haar zaak te verdedigen.

4.14. Uit de arbitrale vonnissen blijkt dat ieder geval de ‘claim submissions’ van Catz in kopie aan Gilan zijn toegestuurd, waarbij Gilan in de gelegenheid is gesteld haar ‘defence submissions’ in te dienen. Voorts blijkt dat de arbiters twee brieven van de Hongaarse advocaat van Gilan in behandeling hebben genomen met betrekking tot de bevoegdheid van de arbiters. Nadat de arbiters hadden geoordeeld dat zij zich bevoegd achtten, is Gilan (opnieuw) in de gelegenheid gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. Blijkens de arbitrale vonnissen heeft Gilan hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is Gilan uitgenodigd haar zienswijze kenbaar te maken tijdens een hoorzitting. Van deze gelegenheid heeft Gilan ook geen gebruik gemaakt. Ook daarna hebben de arbiters Gilan nog in de gelegenheid gesteld op vragen te reageren. Met uitzondering van een brief met ‘brief submissions’, heeft Gilan hiervan geen gebruik gemaakt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het voorgaande dat Gilan in genoegzame mate op de hoogte was van de door Catz aanhangig gemaakt arbitrale procedures en dat Gilan voldoende in de gelegenheid is gesteld haar zaak bij de arbiters te verdedigen. Tegen die achtergrond heeft Gilan onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich een weigeringsgrond als bedoeld in art. V lid 1 sub b van het Verdrag van New York voordoet.

4.15. Tot slot stelt Gilan dat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen op grond van art. V lid 2 sub b van het verdrag van New York dient worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde, omdat Gilan niet op de hoogte was en kon zijn van de tijdens de arbitrageprocedures geldende reglementen en zij niet behoorlijk in kennis is gesteld van de door Catz aanhangig gemaakt arbitrageprocedures.

4.16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toepassing van de weigeringsgrond van art. V lid 2 onder b van het Verdrag van New York slechts plaats is indien er sprake is van een zodanig evidente schending van fundamenteel procesrecht, dat erkenning en tenuitvoerlegging strijdig zouden zijn met de Nederlandse openbare orde.

4.17. Uit hetgeen is overwogen onder 4.14 volgt reeds dat niet aannemelijk is dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden in de door Catz jegens Gilan aanhangig gemaakte arbitrageprocedures. Zoals reeds overwogen onder 4.10 mag Gilan voorts worden geacht bekend te zijn de IGPA-voorwaarden, waaronder de in de betreffende arbitrageclausule van toepassing verklaarde “Rules of Arbitration and Appeal of the International General Produce Association Limited”. De enkele omstandigheid dat Gilan geen lid is van de IGPA doet daar niet aan af.

4.18. Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu ook overigens niet is gebleken dat de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde (in Nederland), is onvoldoende aannemelijk dat zich de in art. V lid 2 onder b van het Verdrag van New York genoemde weigeringsgrond voordoet.

4.19. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de onder 2.1 genoemde arbitrale vonnissen zal worden toegewezen. Gilan zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. erkent de scheidsrechterlijke beslissing van 7 maart 2008 van de “International General Produce Association Ltd” te London, Verenigd Koninkrijk met nummer 1125 en verleent Catz verlof die beslissing in Nederland ten uitvoer te leggen,

5.2. erkent de scheidsrechterlijke beslissing van 7 maart 2008 van de “International General Produce Association Ltd” te Londen, Verenigd Koninkrijk met nummer 1126 en verleent Catz verlof die beslissing in Nederland ten uitvoer te leggen,

5.3. veroordeelt Gilan in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Catz begroot op € 560,-- aan verschotten en op € 816,-- aan salaris voor de advocaat,

5.4. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2011.? 2130/2083/1729