Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP6089

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
358005 / HA ZA 10-2086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Wegvervoer. Vrijwaringszaak. Voor toepasselijkheid art. 6 sub 2 Brussel I-Vo is niet vereist dat bevoegdheid in hoofdzaak volgt uit Brussel I-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 358005 / HA ZA 10-2086

Vonnis van 26 januari 2011

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

GRUBER GMBH & CO KG, INTERNATIONALE SPEDITION,

gevestigd te Ludwigshafen, Duitsland.

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,

tegen

MARTIN WIEDEMANN

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van ARAS GMBH INTERNATIONALE SPEDITION, aangesteld bij rechterlijke uitspraak d.d. 1 mei 2009 van het Amtsgericht Landau in der Pfalz, Duitsland,

kantoorhoudende te Mannheim, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Gruber en Wiedemann qq genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 20 mei 2010;

- de akte houdende overlegging producties van Gruber, met veertien producties;

- de incidentele conclusie tot houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met één productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1. Hetgeen Gruber heeft gevorderd luidt als volgt:

“[dat] de Rechtbank […] bij vonnis […] uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht [verklaart] dat ARAS jegens [Gruber] aansprakelijk is indien en voor zover in de procedure van Univar Products International B.V. tegen [Gruber] voor recht wordt verklaard dat Gruber jegens Univar Products International B.V. aansprakelijk is[;]

II. voor recht [verklaart] dat [Wiedemann qq] in zijn hoedanigheid van curator van ARAS gehouden is Gruber te vrijwaren voor alle aanspraken van Univar Products International B.V. jegens Gruber ter zake van de in [de] dagvaarding omschreven schadevordering betreffende het vervoer van container GRLU 238006-0 in december 2007 (datum aanvang vervoer: 4 december 2007) van de afzender Celanese GmbH in Frankfurt/M naar de geadresseerde LBC Rotterdam B.V. in Rotterdam (vrachtbrief nummers: 12050914 en 12050909), waarbij de verplichting tot vrijwaring evenwel is begrensd tot de aanspraken van ARAS onder haar bij Württembergische und Badische Versicherung AG uitgenomen aansprakelijkheidsverzekering ter zake [van de] onderhavige schade;[.]

III. en voorts, indien de vorderingen onder I. en II. [w]orden toegewezen, [Wiedemann qq] [veroordeelt] althans [beveelt] om op grond en met inachtneming van art. 157 van het Duitse Versicherungsvertragsgesetz (oude versie) over te gaan tot het afzonderen uit de faillissementsboedel van de aanspraak tot schadevergoeding uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering, en de onvoorwaardelijke afzondering als hiervoor bedoeld schriftelijk aan [Gruber] te bevestigen, met bepaling dat [Wiedemann qq] een dwangsom van EUR 1.000,- per dag of dagdeel (althans een dwangsom waarvan de hoogte in goede justitie is te bepalen door de rechtbank) zal verbeuren indien [Wiedemann qq] niet binnen één maand na betekening van het te wijzen vonnis de schriftelijke bevestiging als hiervoor bedoeld aan [Gruber] zal hebben verstrekt[;]

IV. alles met veroordeling van [Wiedemann qq] in de kosten van het geding.”

2.2. Hieraan legt Gruber - samengevat - onder meer de volgende stellingen ten grondslag:

- Gruber heeft op of omstreeks 1 oktober 2007 de opdracht gekregen van Univar Products International B.V. (hierna: Univar) om twee zendingen chemicaliën te vervoeren van Frankfurt am Main in Duitsland naar Rotterdam Botlek en deze af te leveren aan LBC Rotterdam B.V. (hierna: LBC);

- Voor dit vervoer heeft Gruber een tankcontainer ter beschikking gesteld, die beschikte over twee, althans verscheidene, compartimenten;

- Gruber heeft ARAS GmbH Internationale Spedition (hierna: ARAS) opgedragen de tankcontainer bij Celanese GmbH (hierna: Celanese) te Frankfurt am Main te laten beladen met de twee zendingen chemicaliën en de geladen tankcontainer vervolgens naar de DUSS-spoorcontainerterminal in Mannheim over de weg te vervoeren;

- Op 4 december 2007 heeft ARAS dat gedaan en een vrachtbrief afgetekend, met nummer 12050914 en d.d. 3 december 2007;

- De tankcontainer is van Mannheim per spoor vervoerd naar Rotterdam; in Rotterdam is de tankcontainer vanaf de spoorterminal over de weg vervoerd naar de geadresseerde LBC en aldaar op 11 december 2007 afgeleverd;

- Univar stelt schade geleden te hebben en heeft Gruber hiervoor aansprakelijk gesteld, stellende dat de twee partijen chemicaliën tijdens het vervoer zijn vermengd;

- Bij dagvaarding van 6 april 2009 is Univar voor deze rechtbank onder zaak-/rolnummer 335273/HA ZA 09-2001 een procedure begonnen tegen Gruber; Univar vordert een verklaring voor recht dat Gruber aansprakelijk is jegens Univar voor de door laatstgenoemde geleden schade alsmede een veroordeling van Gruber tot vergoeding van deze schade aan Univar;

- Gruber is evenwel van mening dat de fout ligt bij ARAS, die de instructies van Gruber niet goed heeft opgevolgd; daarom dient ARAS Gruber te vrijwaren;

- Gruber heeft ARAS op 28 mei 2009 daarom in vrijwaring gedagvaard;

- Bij brief d.d. 28 juli 2009 heeft Wiedemann qq medegedeeld dat ARAS op 1 mei 2009 door het Amtsgericht Landau in der Pfalz failliet is verklaard en dat hij als curator (“Insolvenzverwalter”) is aangesteld;

- Het faillissement van ARAS heeft geleid tot schorsing van vorenbedoelde procedure van Gruber tegen ARAS; Wiedemann qq heeft deze procedure namens de boedel van ARAS nog niet overgenomen;

- Op het faillissement van ARAS is Duits recht van toepassing; naar Duits recht kan de schuldeiser van een vordering tot schadevergoeding in geval van faillissement van de partij die schade heeft toegebracht de aansprakelijkheidsverzekeraar van laatstgenoemde partij aanspreken tot schadevergoeding zodra de aansprakelijkheid van deze partij is vastgesteld jegens de curator die deze partij vertegenwoordigt; naar Duits (verzekerings- en insolventie)recht dient in geval van faillissement zodanige aanspraak op schadevergoeding te worden vastgesteld in een procedure tegen de curator; indien en zodra aansprakelijkheid is vastgesteld van de failliet, is de curator gehouden de aanspraken uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering jegens de aansprakelijkheidsverzekeraars ten behoeve van de partij die schade heeft geleden uit de boedel af te zonderen;

- ARAS heeft zich voor haar aansprakelijkheid verzekerd bij Württembergische und Badische Versicherungs-AG (hierna: Wüba); de schade is door ARAS gemeld bij Wüba en is door deze laatste in behandeling genomen; Gruber zal Wüba als aansprakelijkheidsverzekeraar van ARAS aanspreken tot vergoeding/betaling onder de aansprakelijkheidsverzekering, zodra in onderhavige, tegen de curator van ARAS gevoerde, procedure de aansprakelijkheid van ARAS is vastgesteld en de aanspraken onder de aansprakelijkheidsverzekering door de curator uit de boedel zijn afgezonderd;

- Gelet op een en ander heeft Gruber dan ook recht en belang de curator van ARAS in Nederland in rechte te betrekken en wel door middel van een vordering in vrijwaring in de zin van artikel 210 lid 2 Rv; hiertoe heeft Gruber in genoemde hoofdzaak van Univar tegen Gruber een incidentele vrijwaringsvordering ingediend; Univar heeft zich ter zake van deze vordering gerefereerd, waarna de rechtbank in dit vrijwaringsincident bij vonnis van 23 december 2009 Gruber heeft toegestaan Wiedemann qq in vrijwaring op te roepen;

- Deze rechtbank is op grond van artikel 6, aanhef en sub 2, van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-Vo) bevoegd kennis te nemen van de vordering van Gruber op Wiedemann qq, een vrijwaringsvordering in de zin van die bepaling.

3. De vordering en het verweer in het incident

3.1. Wiedemann qq vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de bij dagvaarding d.d. 4 februari 2008 [20 mei 2010; rb.] door Gruber ingestelde vorderingen, althans Gruber in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart, met veroordeling van Gruber, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident.

3.2. De stellingen die Wiedemann qq hieraan ten grondslag legt, komen er op neer dat een rechtsgrond voor de bevoegdheid van deze rechtbank ontbreekt.

3.3. Gruber concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de incidentele vordering afwijst, met veroordeling van Wiedemann qq in de kosten van het incident.

3.4. Gruber beroept zich op artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo.

4. De beoordeling

In het bevoegdheidsincident

4.1. Wiedemann qq heeft in zijn eerste processtuk, derhalve tijdig, een beroep gedaan op de onbevoegdheid van deze rechtbank.

4.2. Aan de orde is de internationale bevoegdheid van deze rechtbank in een vrijwaringszaak. De rechterlijke bevoegdheid in een vrijwaringszaak kan niet bestaan zonder bevoegdheid van de rechter in de hoofdzaak. Omdat Gruber in de hoofdzaak, met zaak-/rolnummer 335273/HA ZA 09-2001, al een vrijwaringsincident is begonnen, gaat de rechtbank ervan uit dat zij in die zaak bevoegd is.

4.3. Eerst moet de vraag beantwoord worden of deze bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van een verdrag of een EU-verordening.

4.4. Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures verschaft de Nederlandse rechter c.q. deze rechtbank geen bevoegdheid tot kennisneming van de vorderingen van Gruber.

4.5. De Brussel I-Vo is in de onderhavige zaak zowel materieel, temporeel als formeel van toepassing. Sprake is immers van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 Brussel I-Vo. Wiedemann qq, de gedaagde, woont op het grondgebied van een in artikel 1 lid 3 Brussel I-Vo bedoelde lidstaat.

Zoals Wiedemann qq terecht betoogt, is voor de toepasselijkheid van Brussel I-Vo vereist dat sprake is van een internationaal geschil. De rechtbank kan Wiedemann qq echter niet volgen in zijn redenering dat het onderhavige geschil niet zulk een internationaal geschil is. Het mag dan zo zijn dat beide partijen in dit geschil - evenals ARAS, de failliet - in Duitsland woonplaats hebben en het voorval (mogelijk) uitsluitend met Duitsland of de Duitse rechtssfeer verband houdt, een en ander neemt niet weg dat, nu dit geschil is voorgelegd aan de rechter uit een ander land dan Duitsland, sprake is van een geschil dat voldoende internationaal is voor toepasselijkheid van Brussel I-Vo.

Ingevolge artikel 71 lid 1 Brussel I-Vo laat deze verordening onverlet een verdrag dat ten aanzien van een bijzonder onderwerp de rechterlijke bevoegdheid regelt en waarbij de betreffende lidstaat ten tijde van het van kracht worden van de Brussel I-Vo in die lidstaat partij was. De onderhavige zaak heeft betrekking op wegvervoer door ARAS. Het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, gesloten te Genève op 19 mei 1956, (hierna: CMR) is een bijzonder verdrag in de zin van artikel 71 lid 1 Brussel I-Vo. Dit verdrag bevat in artikel 31 lid 1 CMR namelijk een bevoegdheidsregeling.

Het bovenstaande betekent dat de samenloopbepaling van artikel 71 lid 1 Brussel I-Vo van toepassing is.

4.6. De CMR is echter op de onderhavige zaak niet van toepassing. Aan het toepasselijkheidsvereiste van de CMR dat sprake moet zijn van een wegvervoerovereenkomst waarbij de in deze overeenkomst aangegeven plaats van inontvangstneming van de goederen en de daarin aangegeven plaats bestemd voor de aflevering in twee verschillende landen zijn gelegen (art. 1 lid 1 CMR) is niet voldaan. Voor zover aan de onderhavige vorderingen van Gruber tegen Weidemann een wegvervoerovereenkomst tussen Gruber en ARAS ten grondslag ligt, zijn, blijkens de stellingen in de dagvaarding, de overeengekomen plaats van inontvangstneming en de plaats van aflevering beide in hetzelfde land, namelijk Duitsland, gelegen. Zie de hierboven onder 2.2 weergegeven, aan de onderhavige vorderingen ten grondslag gelegde, stelling dat de opdracht van Gruber aan ARAS inhield dat ARAS de tankcontainer moest laten beladen in Frankfurt am Main en vervolgens over de weg moest vervoeren naar Mannheim. Verder is gesteld noch gebleken dat Gruber en ARAS de CMR op hun overeenkomst van toepassing hebben verklaard.

De in de CMR neergelegde bevoegdheidsregeling vormt dan ook geen basis voor de bevoegdheid in de onderhavige zaak.

4.7. Nu Brussel I-Vo zowel materieel, formeel als temporeel van toepassing is en geen sprake is van een toepasselijke bijzondere internationale regeling op grond van artikel 71 Brussel I-Vo, kan de internationale bevoegdheid van deze rechtbank uitsluitend gebaseerd worden op de toepasselijke bevoegdheidsregels van Brussel I-Vo. Leiden deze bevoegdheidsregels niet tot bevoegdheid van deze rechtbank, dan is zij onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Gruber.

4.8. Een forumkeuze voor deze rechtbank in de zin van artikel 23 Brussel I-Vo is gesteld noch gebleken.

Wiedemann qq woont in Duitsland, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter evenmin kan volgen uit de in artikel 2 Brussel I-Vo neergelegde hoofdregel van deze verordening dat bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat waar gedaagde woonplaats heeft.

In de verhouding tussen Gruber en ARAS bestond een verplichting tot aflevering van de goederen in Duitsland, niet binnen het rechtsgebied van deze rechtbank. Deze rechtbank kan derhalve evenmin bevoegdheid ontlenen aan artikel 5, aanhef en sub 1, Brussel I-Vo.

4.9. Blijft over de in artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo neergelegde bevoegdheidsregel ten aanzien van een “vordering tot vrijwaring”. Artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo luidt op dit punt als volgt:

“Deze persoon [een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat; rb.] kan ook worden opgeroepen:

[…]

2. bij een vordering tot vrijwaring […] voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene af te trekken van de rechter die deze verordening hem toekent”.

Wiedemann qq betwist dat deze rechtbank aan deze regel bevoegdheid kan ontlenen tot kennisneming van de vorderingen van Gruber. Wiedemann qq voert hiertoe onder meer aan dat voor de toepasselijkheid van deze bevoegdheidsregel vereist is dat de bevoegdheid van het aangezochte gerecht om kennis te nemen van de “oorspronkelijke vordering” gebaseerd is op een bevoegdheidsbepaling van Brussel I-Vo en dat, aangezien de bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de onderhavige “oorspronkelijke vordering”, te weten de vorderingen van Univar tegen Gruber in genoemde hoofdzaak, uitsluitend kan volgen uit de bevoegdheidsregels van de CMR, genoemde bevoegdheidsregel van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo toepassing mist. De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt.

Noch uit de tekst noch uit het systeem van de Brussel I-Vo vloeit genoemde, door Wiedemann qq gestelde, toepasselijkheidsvoorwaarde van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo voort. Mede gelet op het arrest van het HvJ EG van 15 mei 1990 (C-365/88; NJ 1991, 557), waarin het hof in ro. 11 het volgende overwoog:

“Art. 6 aanhef en sub 2 voorziet in een bijzondere bevoegdheid ter keuze van de verzoeker, welke keuzemogelijkheid is gegeven wegens het bestaan, in welbepaalde gevallen, van een bijzonder nauwe aanknoping tussen een vordering en de rechter die omwille van een rationele procesgang geroepen kan zijn van die vordering kennis te nemen (arrest van 28 nov. 1978, zaak 33/78, Somafer, Jurispr. 1978, p. 2183). Het Executieverdrag [het zgn. ‘EEX-Verdrag’, de voorloper van Brussel I-Vo; rb.] maakt het aldus mogelijk, het geding volledig bij een en hetzelfde gerecht te concentreren. Het feit dat de vordering ten gronde en de vordering tot vrijwaring verknocht zijn, vormt derhalve een voldoende grondslag voor de bevoegdheid van de rechter waarbij de vordering tot vrijwaring is ingesteld, ongeacht op welke regel de bevoegdheid in het bodemgeschil is gebaseerd; in zoverre zijn de bevoegdheid bedoeld in art. 2 en die bedoeld in art. 5 gelijkwaardig”,

moet dan ook geoordeeld worden dat van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo genoemde toepasselijkheidsvoorwaarde geen deel uitmaakt. Dat de bevoegdheid van deze rechtbank in genoemde hoofdzaak tussen Univar en Gruber mogelijk (alleen) volgt uit de CMR doet dan ook niet af aan de toepasselijkheid van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo in de onderhavige zaak.

4.10. Wiedemann qq voert verder aan dat geen, althans niet alle, vorderingen van Gruber tegen Wiedermann qq beschouwd kunnen worden als vorderingen tot vrijwaring in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo, maar dat (grotendeels) sprake is van zelfstandige vorderingen die niet samenhangen met de hoofdprocedure op de wijze als wordt vereist door dit artikel.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in genoemde hoofdzaak van Univar tegen Gruber, met zaak-/rolnummer 335273/HA ZA 09-2001, het Gruber bij incidenteel vonnis van 23 december 2009 is toegestaan om “Martin Wiedemann, wonende te Mannheim, Duitsland” in vrijwaring te dagvaarden tegen de rol van woensdag 3 februari 2010. Gruber heeft dat vonnis, dat zij als productie 14 in het geding heeft gebracht, ook ten grondslag gelegd aan haar vorderingen tegen Wiedemann qq. Zie onder 2.2 hierboven. Voor zover Gruber in haar hoedanigheid van gedaagde in de hoofdzaak (lees: in de zaak waarin de oorspronkelijke vorderingen zijn ingesteld) ingevolge rechterlijke toestemming Wiedemann qq oproept in vrijwaring voor de gevolgen in die hoofdzaak, kan niet geoordeeld worden dat de vorderingen van Gruber tegen Wiedemann qq zelfstandige vorderingen zijn. Zie het rapport Jenard (PbEG 1979, C 59, p. 1, op p. 27) over de voorloper van de Brussel I-Vo, het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat de vordering tot vrijwaring omschrijft als de eis “die door de verweerder in een proces tegen een derde wordt ingesteld teneinde hem te vrijwaren voor de gevolgen van dit proces”. Zie ook HvJ EG 26 mei 2005 (C-77/04; NJ 2006,514)), in het bijzonder ro. 25-28.

Waar het dus op aankomt, is of de vorderingen van Gruber tegen Wiedemann qq in de onderhavige zaak de strekking hebben van vorderingen tot vrijwaring in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo. Gruber heeft drie vorderingen ingesteld, afgezien van de vordering tot proceskostenveroordeling; zie hierboven onder 2.1. Ter beantwoording van de vraag of hier sprake is van vorderingen tot vrijwaring in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo zal ieder van deze vorderingen afzonderlijk van de andere vorderingen moeten worden bekeken. Voor het beoordelen van ieder van deze vorderingen, althans sommige van deze vorderingen, in onderling verband en samenhang met (bepaal)de andere vorderingen laat artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo immers geen ruimte.

4.11. Het gevorderde onder I (hierna: de eerste vordering) strekt ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen dat ARAS aansprakelijk is jegens Gruber. Deze vordering heeft geen betrekking op (de aansprakelijkheid van) Wiedemann qq. Verder wordt met deze vordering geen vrijwaring of betaling door Wiedemann qq gevorderd. Niet gezegd kan dan ook worden dat de eerste vordering een vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo.

Het gevorderde onder II (hierna: de tweede vordering) strekt ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen met betrekking tot - kort en zakelijk weergegeven - de vraag of Wiedemann qq jegens Gruber gehouden is tot vrijwaring voor het geval Gruber in de hoofdzaak tot schadevergoeding wordt veroordeeld. Anders dan de eerste vordering heeft de tweede vordering wél betrekking op aansprakelijkheid van Wiedemann qq jegens Gruber ter zake van de vordering van Univar. Nog afgezien hiervan is hier sprake van een vordering die strekt tot het verkrijgen van een partijen bindende rechterlijke uitspraak met betrekking tot genoemde vrijwaringsverplichting van Wiedemann qq jegens Gruber. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat de tweede vordering niet strekt tot veroordeling van Wiedemann qq tot vrijwaring en dat deze vordering niet kan leiden tot een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Nu de strekking van deze vordering is het verkrijgen van een, als gezegd, partijen bindende uitspraak met betrekking tot de verplichting van Wiedemann qq om Gruber te vrijwaren, is sprake van een vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo.

Het gevorderde onder III (hierna: de derde vordering) strekt tot veroordeling van Wiedemann qq tot afzondering van - kort en zakelijk weergegeven - een bepaalde vordering op Wüba uit de faillissementsboedel. Het gaat hier uitsluitend om een op het beweerdelijk toepasselijke Duitse faillissementsrecht gebaseerde vordering, niet om een vordering waarmee vrijwaring is beoogd, wat wordt bevestigd door het gegeven dat deze vordering slechts wordt ingesteld voor zover de eerste en de tweede vordering zijn toegewezen. Ook de derde vordering is derhalve geen vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo.

De conclusie is dat alleen de tweede vordering valt aan te merken als een vordering bedoeld in artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo.

4.12. Gesteld noch gebleken is dat de tweede vordering door Gruber is ingesteld slechts met het doel Wiedemann qq af te trekken van de rechter die Brussel I-Vo hem toekent.

4.13. Het voorgaande betekent dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de eerste vordering en de derde vordering, maar op grond van artikel 6, aanhef en sub 2, Brussel I-Vo bevoegd is kennis te nemen van de tweede vordering.

4.14. Aangezien beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in dit incident worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

4.15. De beslissing in het incident betreffende de eerste vordering en de derde vordering van Gruber bezegelt het lot van die vorderingen in de hoofdzaak. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord ten aanzien van de tweede vordering.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in ro. 2.1 en 4.11 beschreven eerste vordering en derde vordering van Gruber;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten in het incident, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 23 maart 2011 voor conclusie van antwoord ten aanzien van de tweede vordering van Gruber;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.

901/1928?