Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
348016 / HA ZA 10-446
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

letselschade, aansprakelijkheid, val uit metro, binnenlands personenvervoer, vervoerdersovermacht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/153
JA 2011/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 348016 / HA ZA 10-446

Vonnis van 19 januari 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. P. de Vries-Roetman,

tegen

de naamloze vennootschap

ROTTERDAMSE ELEKTRISCHE TRAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. van Houweninge Graftdijk.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] en RET genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 januari 2010, met producties;

- de akte van depot van 19 februari 2010 en de daarbij overgelegde CD-rom;

- de conclusie van antwoord van 2 juni 2010;

- de conclusie van repliek van 8 september 2010;

- de conclusie van dupliek van 1 december 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

2.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn op 22 augustus 2009 betrokken geweest bij een ongeval (hierna: het ongeval). Het ongeval vond plaats op metrostation Nieuw Verlaat te Rotterdam. Bij het ongeval was een metro betrokken van RET.

2.2. De toedracht van het ongeval was - kort weergegeven - als volgt. Op 22 augustus 2009 stopte de metro bij station Nieuw Verlaat. [eiser sub 1], [eiser sub 2], hun dochter en hun kleinzoon wilden daar de metro verlaten. De kleinzoon en de dochter hebben de metro verlaten. Op het moment dat het echtpaar [eiser sub 1]-[eiser sub 2] wilde uitstappen, sloten de deuren van de metro zich. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kwamen daardoor ten val. De bestuurder van de metro heeft een ambulance gebeld. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn per ambulance naar het IJssellandziekenhuis te Capelle aan den IJssel gebracht.

2.3. De dochter van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft met betrekking tot het ongeval de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

"This letter confirms the incident that took place at Nieuw Verlaat Metro Station between the hours 1.30pm - 2.15pm on Saturday 22nd August 2009. This letter provides a written account to what I have witnessed on the day of the accident.

I was travelling with my son and my mother and father on the metro heading to Nieuw Verlaat when the metro approached the platform me, my son, my father, and mother stood up near the door, so we can make our way out the metro easily. On arrival at the platform I and my son stepped out the metro followed by my parents but before they could step out the metro completely the doors shut on my parents and I could see they were trapped half in and half out the metro, then I saw the train moving away from the platform whilst my parents where trapped on the metro door they were dragged across the train platform until a passenger in the carriage pulled the emergency brakes and the train stop after a few feet from where me and my son got off. I could hear my mother and father screaming and my son crying on the platform, the metro driver and another man from the train station came to us very casually and where even laughing whilst my mother and father where laying on the floor in pain. I had to request for an ambulance they could see the situation but I they were still amused, and when I requested for an ambulance they were ignoring me and to what I was saying.

I [X] confirm this is how incident took place at Nieuw Verlaat Metro Station on Saturday 22nd August 2009, and witness it happen. If you have any further enquiry please do not hesitate to contact me."

2.4. De bestuurder van de metro heeft met betrekking tot het ongeval de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

"Ik schrijf je even een brief naar aanleiding van het volgende. Op Zaterdag 22-8 had ik dienst 5/12 op deze dag om ongeveer 13.55 u op halte Nieuw Verlaat zijn er bij het uitstappen 2 oudere mensen op het perron aldaar gevallen die uit de Metro stapte die door mij werd bestuurd.

Ik zag het in mijn monitor gebeuren en ik heb mijn deuren weer gelijk centraal geopend en ik ben naar de desbetreffende personen toe gegaan om te helpen alwaar ik met een scheldpartij door vermoedelijk deze mensen hun dochter werd ontvangen en zij verwijtte mij dat ik niet goed had zitten opletten en dat ik beter moest uitkijken en dit allemaal in het Engels. Ik liet dit over mij heen gaan omdat ik het belangrijker vond om eerst de gevallen personen te helpen en ik heb een ambulance besteld via de CVL.

Er werd mij door hun dochter gezegd dat ik niet goed had zitten opletten.

Echter is het zo geweest dat ik wel degelijk goed had zitten opletten want al de passagiers waren al in en uitgestapt en het perron was 100% leeg en heb toen mijn deuren gesloten en op het moment dat de deuren aan het sluiten waren na de gong toen kwam de dochter pas naar buiten gestapt gelijktijdig met haar ouders en toen zag ik dat de man zijn voet tussen de deur bleef zitten en daardoor ten val kwam waarbij deze zijn vrouw in zijn val mee trok en hierdoor beide op het perron terecht kwamen.

Nadat de ambulancemotor was gearriveerd en deze voor al de zekerheid een ambulance had besteld probeerde de dochter van de gevallen mensen mij op allerlei manieren mij de schuld van het ongeval in de schoenen te schuiven ik heb hier niet op gereageerd om eventuele escalatie te voorkomen.

Vandaar even deze brief aan jou dat je eventueel weet wat er is gebeurd mocht hier alsnog een klacht over komen.

Als je mij erover wilt spreken laat het mij dan even weten dan meld ik mij wel bij je aan."

2.5. Bij brief van 25 augustus 2009 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] RET aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.

2.6. Bij brief van 14 september 2009 heeft RET medegedeeld dat zij geen aansprakelijkheid erkent.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen - kort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat RET jegens hen aansprakelijk is op grond van de artikelen 8:100 BW e.v., jo. 6:170 BW, jo. 6:162 BW;

- RET te veroordelen om aan hen te betalen de op 22 augustus 2009 aan hen veroorzaakte schade, op te maken bij staat,

- een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. RET voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gronden hun vorderingen op de in de gevorderde verklaring voor recht genoemde wetsartikelen, dat wil zeggen op de overeenkomst van binnenlands personenvervoer en op onrechtmatige daad. Zij stellen daartoe - kort weergegeven - het volgende. Het letsel is veroorzaakt door een ongeval dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als reizigers is overkomen in verband met en tijdens het vervoer. Uit de wet vloeit voort dat RET slechts niet aansprakelijk is indien er omstandigheden zijn die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden. RET heeft echter onvoldoende zorgvuldigheids- en/of veiligheids¬maatregelen genomen om te voorkomen dat het ongeval zou plaatsvinden. Het is de plicht van RET om ervoor zorg te dragen dat (ook) bejaarde metroreizigers zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] - die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding 71 respectievelijk 61 jaar oud waren - de metro zonder enig risico kunnen in- en uitstappen. De bestuurder van de metro heeft onzorgvuldig gehandeld. Hij heeft niet goed opgelet, dan wel er niet goed op toegezien dat alle passagiers waren in/uitgestapt voordat hij de deuren sloot. Bovendien heeft hij de deuren te korte tijd nadat deze waren geopend gesloten. Door het onzorgvuldig handelen van de bestuurder hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] letsel opgelopen. Zij lijden daardoor schade. Er is bovendien sprake van bewuste roekeloosheid aan de zijde van RET en/of van de bestuurder van de metro. Daarom komt aan RET geen beroep toe op limitering van aansprakelijkheid en kan RET zich er evenmin op beroepen dat zij ten opzichte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet verder aansprakelijk kan zijn dan zij op grond van de vervoersovereenkomst zou zijn.

Het juridische kader

4.2. Tussen partijen is - terecht - niet in geschil dat tussen hen een overeenkomst van binnenlands personenvervoer bestond, zoals bepaald in artikel 8:100 lid 1 BW. Voorts is in confesso dat de vervoerperiode zich op grond van artikel 8:102 lid 1 BW mede uitstrekt tot het instappen en uitstappen.

4.3. Over letsel van de reiziger bepaalt artikel 8:105 lid 1 BW dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door dergelijk letsel ten gevolge van een ongeval dat in verband met en tijdens het vervoer aan de reiziger is overkomen. Uit lid 2 van dat artikel vloeit voort dat de vervoerder niet aansprakelijk is indien is voldaan aan twee cumulatieve vereisten:

a. voor zover het ongeval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden, en

b. voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.

4.4. Artikel 8:109 lid 1 BW bepaalt dat indien de vervoerder bewijst, dat schuld of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, de aansprakelijkheid van de vervoerder daarvoor geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven.

4.5. Artikel 8:111 lid 1 BW bepaalt dat de vervoerder zich niet kan beroepen op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen, geschiedt hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

4.6. Uit artikel 8:116 BW in samenhang met andere artikelen waarnaar dit artikel verwijst - waaronder artikel 8:362 BW - vloeit - kort weergegeven - voort dat indien de vervoerder door een wederpartij buiten de overeenkomst wordt aangesproken, hij niet verder aansprakelijk is dan hij dit zou zijn op grond van de door hem gesloten overeenkomst.

Vervoerdersovermacht

4.7. RET verweert zich primair met een beroep op vervoerdersovermacht (artikel 8:105 lid 2 BW). RET doet in dit verband een beroep op de feiten die blijken uit de op CD-rom overgelegde camerabeelden. Zij wijst erop dat tussen het moment van het openen van de deuren op het station Nieuw Verlaat (circa tijdstip 13:52:36.928) en het sluiten van de deuren (tijdstip 13:52:43.667) bijna zeven seconden zitten. In ruim drie seconden na het openen van de deuren stapten er vijf personen in en uit. De drie hierop volgende seconden (van 13:52:40.044 tot 13:52:43.171) stapte er niemand meer in of uit. Pas op tijdtip 13:52:43.171 stapten alsnog de kleinzoon en de dochter van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] uit. Daarna volgden [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. RET voert aan dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] pas zijn gaan uitstappen op het moment dat de deuren al bezig waren met dichtgaan terwijl ongeveer twee seconden daarvoor de waarschuwingsgong had geklonken. De bestuurder heeft in de visie van RET correct gehandeld. Vijf seconden nadat de deuren open gingen, heeft de bestuurder het commando "deuren dicht" gegeven. Dat was niet te snel omdat, zoals op de beelden te zien is, de passagiers zeer snel, in gedeelten van seconden in- en uitstapten. Voorts heeft de bestuurder adequaat gehandeld door de deuren te openen zodra hij op zijn monitor zag dat [eiser sub 1] met zijn voet klem zat tussen de deur.

4.8. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat algemeen bekend is dat ouderen meer tijd dan gemiddeld nodig hebben om zich van hun zitplaats naar de uitgang te begeven. Tussen het volledig stilstaan van de metro (13:52:36.928) en het geven van commando tot het sluiten van de deuren door de bestuurder (ongeveer drie seconden vóór 13:52:43.667) hebben nog geen vier seconden gezeten. RET heeft in de visie van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onvoldoende rekening gehouden met het bij haar bekende feit dat veel ouderen gebruik maken van de metro. Een zorgvuldig vervoerder had naar het oordeel van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de deuren langer open moeten laten, waarmee het ongeval voorkomen had kunnen worden.

4.9. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het beroep van RET op vervoerdersovermacht slaagt niet. Hoewel op grond van de camerabeelden begrijpelijk is dat de bestuurder na het instappen van de laatste passagier meende dat er geen passagiers meer wilden uitstappen waarop hij het commando "deuren dicht" gaf, was dat slechts gerechtvaardigd indien hij dat commando direct ongedaan zou hebben gemaakt zodra zijn veronderstelling dat er geen passagiers meer wilden uitstappen onjuist bleek. Dat was het geval op het moment dat de bestuurder constateerde - of had moeten constateren - dat de kleinzoon en de dochten van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de metro alsnog verlieten. Op dat moment had een zorgvuldig handelend bestuurder moeten anticiperen op de mogelijkheid dat nog een of meer anderen die passagiers zouden volgen. De bestuurder van de metro handelde onvoldoende zorgvuldig door de deuren van de metro pas weer te openen nadat hij zag dat [eiser sub 1] met zijn voet klem zat tussen de deur.

Eigen schuld

4.10. RET verweert zich subsidiair met een beroep op eigen schuld van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als gevolg waarvan de aansprakelijkheid van RET geheel wordt opgeheven. RET beroep zich er in dit verband op dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] veel te laat uit de metro stapten, dat zij dit deden op een moment dat de deuren zich reeds aan het sluiten waren en dat dit laatste voor hen kenbaar was omdat twee seconden voordat de deuren zich sloten de waarschuwingsgong heeft geklonken.

4.11. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betwisten dat sprake was van eigen schuld. Zij hebben in hun visie niet onvoorzichtig gehandeld. Zij betwisten dat er een waarschuwingsgong heeft geklonken.

4.12. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben geen deugdelijke verklaring verstrekt voor het feit dat niet alleen zij beiden, maar ook hun kleinzoon en hun dochter in verhouding tot de overige passagiers laat waren met het uitstappen. Het moge zo zijn dat ouderen meer tijd dan gemiddeld nodig hebben om zich van hun zitplaats naar de uitgang te begeven, maar volgens de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde verklaring van hun dochter hadden zij zich reeds naar de uitgang begeven voordat de metro de halte had bereikt waar zij voornemens waren uit te stappen. Onverklaard blijft daarom waarom de familie [eiser sub 1] veel later is begonnen met uitstappen dan de overige passagiers.

4.13. Voor de beoordeling van de vraag naar (de mate van) eigen schuld aan de zijde [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is verder van belang of de waarschuwingsgong heeft geklonken. Nu RET stelt dat de waarschuwingsgong altijd automatisch gaat nadat de bestuurder het commando "deuren dicht" heeft gegeven terwijl eisers betwisten dat de gong heeft geklonken, zal RET worden opgedragen te bewijzen dat de waarschuwingsgong heeft geklonken voordat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn uitgestapt. Immers, de bewijslast met betrekking tot dit feit rust op grond van artikel 8:109 lid 1 BW op RET (zie onder 4.4 hiervoor).

4.14. In afwachting van het resultaat van de bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden over de vraag of de aansprakelijkheid van RET geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven omdat schuld of nalatigheid van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tot de schade heeft bijgedragen.

Bewuste roekeloosheid en onrechtmatige daad

4.15. Bij conclusie van repliek (onder 14 tot en met 16) stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat er sprake is geweest van bewuste roekeloosheid van RET, althans van de bestuurder van de metro. Die stelling mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grond.

4.16. De bestuurder had weliswaar zorgvuldiger kunnen handelen dan hij heeft gedaan (zie onder 4.9 hiervoor) en aan RET komt geen beroep op vervoerdersovermacht toe, maar er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat RET en/of de bestuurder bewust roekeloos hebben gehandeld of nagelaten.

4.17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is RET ten opzichte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet verder aansprakelijk dan zij op grond van de vervoersovereenkomst is. Daarom komt aan het door [eiser sub 1] en [eiser sub 1] gedane beroep op de rechtsgrond onrechtmatige daad geen zelfstandige betekenis toe, naast het door hen gedane beroep op de overeenkomst en in het verlengde daarvan op artikel 8:105 lid 1 BW.

Schade

4.18. RET betwist bij gebrek aan wetenschap dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schade hebben geleden als gevolg van het ongeval. Zij wijst erop dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun schade en het causaal verband met het ongeval zullen dienen te bewijzen.

4.19. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voeren aan dat aan het opvragen van medische informatie, het inschakelen van een medisch adviseur en het opstellen van een schadestaat kosten zijn verbonden, welke kosten zij moeilijk kunnen dragen. Zij bieden bewijs aan van hun stelling dat zij schade hebben geleden.

4.20. De rechtbank is van oordeel dat het praktisch is -anders gezegd: dat het de proceseconomie dient - dat in deze zaak eerst wordt geoordeeld over de aansprakelijkheids¬vraag en de eventuele eigen schuld, uitgaande van de niet onaannemelijke hypothese dat [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] door het ongeval letsel hebben opgelopen en dat zij daardoor schade hebben geleden. Indien aansprakelijkheid van RET ten aanzien van de toedracht van het ongeval in rechte komt vast te staan, kan vervolgens een debat over de aard en ernst van het letsel, de omvang van de schade en het causaal verband met het ongeval worden gevoerd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen dan in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen daarover nader onderbouwen en de relevante bewijsstukken te verzamelen en in het geding te brengen. RET zal dan vanzelfsprekend in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten.

4.21. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt RET op te bewijzen dat de waarschuwingsgong heeft geklonken voordat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] uit de metro zijn gestapt,

5.2. bepaalt dat indien RET dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. C. Bouwman,

5.3. bepaalt dat de advocaat van RET binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan die zijde in de volgende vijf maanden en dat de advocaat van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan die zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd,

5.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.?

1729/336