Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
371390 / KG ZA 11-64
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van een gelegd beslag wordt afgewezen onder verwijzing naar HR 18-2-2000 (NJ 2000,278). Goed geschikt als beslagobject ondanks kenbare overdracht van 'economische eigendom'. Geen rechtsverwerking door enkel tijdverloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 371390 / KG ZA 11-64

Vonnis in kort geding van 22 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND MANAGEMENT HOLDING ( H.M.H.) B.V.,

gevestigd te Schiedam,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Koot te ‘s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SCHIEDAM,

zetelend te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.G. Franken te Rotterdam.

Partijen zullen hierna H.M.H. en de gemeente Schiedam genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 3 februari 2011;

- de producties van H.M.H.;

- de producties van de gemeente Schiedam;

- de pleitnota van mr. Franken.

1.2. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling d.d. 8 februari 2011.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de navolgende – voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde – feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.2. In een notariële akte d.d. 4 juli 2003, waarin met ‘verkoper’ wordt verwezen naar G-Trade B.V., welke vennootschap op 31 december 2004 is overgedragen aan H.M.H., en met ‘koper’ naar Nova Insula B.V. thans DVRG Property Management B.V. (hierna: ‘DVRG’), staat, voor zover hier relevant:

‘Verkoper heeft blijkens een met koper mondeling in de maand juni 2003 aangegane overeenkomst van verkoop en koop, aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

A. (…)

B. (...)

C. (…)

D. de panden bestaande uit winkelhuis met bovenwoningen, met ondergrond en erf, staande en gelegen te [adres], welk perceel voorkomt op de lijst van Beschermde Monumenten van de Gemeente Schiedam,

(…)

TERUG-LEVERING AAN VERKOPER

Koper en verkoper zijn voorts overeengekomen dat, nadat het sub B genoemde registergoed (…) door en voor rekening van koper in appartementsrecht is gesplitst, koper (Nova Insula B.V.) de tweede en zolderverdieping wederom aan verkoper (G-Trade B.V.) zal terugleveren. Deze levering zal OM NIET geschieden aangezien deze toekomstige appartementsrechten NIET in de onderhavige verkoop, koop en levering is begrepen, doch slechts aan koper Nova Insula B.V. worden geleverd, aangezien de kadastrale splitsing in appartementsrechten (nog) niet is geëffectueerd.

Teruglevering aan G-Trade B.V. zal eveneens plaatsvinden van de woonappartementsrechten aan [adres] (deel uitmakende van de sub D genoemde registergoederen). Ook deze teruglevering zal dan OM NIET plaatsvinden en de krachtens deze akte plaatsgevonden levering aan Nova Insula B.V. is thans slechts geschied aangezien ook hiervan de kadastrale splitsing in appartementsrechten nog niet is geëffectueerd.’

2.3. Op 11 december 2008 heeft de belastingdeurwaarder op verzoek van de ambtenaar belast met de invordering van de Gemeente Schiedam uit hoofde van een tweetal dwangbevelen, betreffende een totaal invorderbaar bedrag van EUR 9.589,86, executoriaal beslag gelegd ten laste van Nova Insula B.V. thans DVRG Property Management B.V. Het beslag rust onder meer op het 112/207 gerechtigde deel in de onroerende zaak gelegen in de gemeente Schiedam, [adres].

Dit 112/207 gerechtigde deel betreft de toekomstige woonappartementsrechten aan [adres], als bedoeld in de notariële akte van 4 juli 2003.

3. Het geschil

3.1. Na vermindering van de eis ter zitting vordert H.M.H. – samengevat – de (gedeeltelijke) opheffing van het executoriale beslag dat de gemeente Schiedam heeft doen leggen op de onroerende zaak staande en gelegen aan de Hoogstraat 184/186 hoek Lombardsteeg te Schiedam, kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie B, nummer 3797, met veroordeling van de gemeente Schiedam in de kosten van de procedure.

3.2. Het verweer van de gemeente Schiedam strekt tot afwijzing van de vorderingen van H.M.H.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het standpunt van H.M.H.

4.1. H.M.H. heeft aan haar vordering tot opheffing van het beslag het navolgende ten grondslag gelegd.

4.2. Uit de overdrachtsakte van 4 juli 2003 blijkt dat de toekomstige woon¬appartements¬¬rechten aan [adres] naar de bedoeling van de betrokken partijen geen deel zouden uitmaken van de koop en niet tot het vermogen van DVRG zouden gaan behoren. Dit was derhalve kenbaar voor de gemeente Schiedam als beslaglegger. Het beslag daarop kleeft om deze reden niet.

4.3. Verder is het vermogen van DVRG door de koop en levering van de toekomstige woonappartementsrechten betreffende [adres], als bedoeld in de akte van 4 juli 2003, niet toegenomen en zal dit door de teruglevering van deze rechten ook niet afnemen. De belangen van de gemeente Schiedam worden dan ook niet geschaad door de opheffing van het beslag. Door desondanks te weigeren het beslag (onmiddellijk dan wel na de splitsing) op te heffen, handelt de gemeente Schiedam onrechtmatig jegens H.M.H.

4.4. Bovendien heeft de gemeente Schiedam na de beslaglegging in december 2008 geen enkele actie meer ondernomen betreffende de executie van de dwangbevelen. De gemeente Schiedam heeft haar rechten daarmee verspeeld. Ook om deze reden dient het beslag te worden opgeheven.

4.5. Ten slotte leidt ook een afweging van de belangen van partijen tot de conclusie dat het beslag dient te worden opgeheven.

H.M.H. heeft immers belang bij de opheffing van het beslag omdat zij de onbezwaarde rechten nodig heeft voor het verkrijgen van een financiering die noodzakelijk is om haar bedrijfsvoering te bekostigen.

De gemeente Schiedam, daarentegen, heeft geen redelijk belang bij de handhaving van het beslag, ten eerste omdat de rechten waar het hier om gaat nooit tot het vermogen van DVRG zijn gaan behoren en ten tweede omdat de hypothecaire schuld die op de rechten rust, en die voorrang heeft op de vordering van de gemeente Schiedam, aanzienlijk groter is dan de waarde van deze rechten.

Het standpunt van de gemeente Schiedam

4.6. Het standpunt van de gemeente Schiedam komt op het volgende neer.

4.7. Of de beslagen rechten wel of niet ‘de facto’ tot het vermogen van DVRG zijn gaan behoren doet niet ter zake. Relevant is slechts dat deze rechten juridisch aan DVRG geleverd zijn. Het beslag daarop kleeft daarom wel degelijk.

4.8. Verder valt niet in te zien hoe het beslag jegens H.M.H. onrechtmatig kan zijn als

– zoals tussen partijen niet in geschil is – het beslag jegens DVRG op rechtmatige wijze is gelegd.

4.9. Wanneer de executie van de dwangbevelen zal worden voortgezet, is nog onbekend. Dit betekent echter niet dat de gemeente Schiedam enig recht verspeelt of heeft verspeeld.

4.10. De gemeente Schiedam heeft wel degelijk belang bij de handhaving van het beslag. De eventuele bedoeling van de bij de overdrachtsakte van 4 juli 2003 betrokken partijen dat de toekomstige woonappartementsrechten niet tot het vermogen van de koper zouden gaan behoren, is voor de gemeente Schiedam als beslaglegger niet relevant. Zij hoeft bij de executie immers geen rekening te houden met een eventueel ‘economisch eigendomsrecht’ van H.M.H. De stelling dat de gemeente Schiedam er niet slechter van zou worden als het beslag wordt opgeheven, is dan ook onjuist.

4.11. Of de hypothecaire schuld die op de rechten rust, zoals H.M.H. heeft gesteld, aanzienlijk groter is dan de waarde van deze rechten, valt nog te bezien. De gemeente Schiedam is niet bekend met de hoogte van de vordering van de hypothecaire schuldeiser op DVRG en H.M.H. heeft geen stukken overgelegd waaruit die hoogte blijkt. Omdat de betrokken panden naar verwachting nog zullen worden opgeknapt, is ook de opbrengst bij executoriale verkoop op dit moment nog onzeker. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de gemeente Schiedam geen redelijk belang heeft bij de handhaving van het beslag. De vordering tot opheffing dient dan ook te worden afgewezen.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.12. Het standpunt van H.M.H. dat het beslag op de toekomstige woon¬appartements¬rechten niet kleeft omdat deze appartementen niet tot het vermogen van DVRG zijn gaan behoren, deelt de voorzieningenrechter niet. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 18 februari 2000 (NJ 2000, 278) waarin is geoordeeld dat ook kenbare overdracht van ‘economische eigendom’ geen wijziging in de juridische eigendoms¬verhoudingen brengt en dat het onroerend goed in een dergelijk geval onverkort geschikt blijft als beslagobject voor schulden van de juridische eigenaar.

4.13. Dit impliceert dat het betoog van H.M.H. dat de belangen van de gemeente Schiedam door opheffing van het beslag niet worden geschaad omdat de beslagen rechten nooit tot het vermogen van DVRG hebben behoord en dat de gemeente Schiedam onrechtmatig handelt door desondanks te weigeren het beslag op te heffen, evenmin als juist kan worden aanvaard.

4.14. De stelling van H.M.H. dat de gemeente Schiedam haar rechten heeft verspeeld door na de beslaglegging in december 2008 geen verdere actie te ondernemen strekt kennelijk ten betoge dat sprake is van rechtsverwerking door de gemeente Schiedam.

Zoals onder meer uit het hiervoor genoemde arrest van 18 februari 2000 blijkt, levert het enkele verloop van tijd echter geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is daartoe de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeisers zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken zodat het beroep van H.M.H. op rechtsverwerking niet kan slagen.

4.15. Ten aanzien van de stelling van H.M.H. dat een afweging van de belangen van partijen moet leiden tot de opheffing van het beslag, wordt als volgt overwogen.

4.16. De gemeente Schiedam heeft gesteld dat het beslag jegens de beslagene, te weten: DVRG, op rechtmatige wijze is gelegd. H.M.H. heeft ter zitting opgemerkt dat zij de juistheid van deze stelling van de gemeente niet erkent, maar zij heeft deze stelling ook niet betwist. Nu de processtukken en het debat tussen partijen geen aanleiding geven aan te nemen dat de stelling van de gemeente Schiedam onjuist is, gaat de voorzieningenrechter er in het navolgende van uit dat het beslag als jegens DVRG rechtmatig gelegd moet worden beschouwd.

4.17. Ondanks dit uitgangspunt is in beginsel denkbaar dat het gelegde beslag moet worden opgeheven, namelijk indien zou moeten worden geoordeeld dat de belangen van de beslaglegger onvoldoende zwaar wegen om de gevolgen van het desbetreffende beslag – voor wat betreft de beoordeling in dit kort geding: de gevolgen voor H.M.H. – te rechtvaardigen. Op dit punt wordt als volgt overwogen.

4.18. Het belang van de gemeente Schiedam bij handhaving van het beslag is erin gelegen dat zij de beslagen rechten als verhaalsobject voor de schulden van DVRG behoudt.

4.19. Wat voor betreft de gevolgen van het beslag is relevant de stelling van H.M.H. dat zij zonder opheffing van het beslag niet de voor haar bedrijfsvoering benodigde financiering kan verkrijgen.

4.20. Zoals hiervoor al is overwogen, wordt er voorshands van uitgegaan dat het beslag jegens DVRG rechtmatig is gelegd en is de gemeente Schiedam in beginsel niet gehouden rekening te houden met het ‘economisch eigendomsrecht’ van H.M.H. Onder deze omstandigheden brengt de enkele omstandigheid dat H.M.H. zonder de gevorderde opheffing mogelijk niet de door haar gewenste financiering kan verkrijgen, niet met zich mee dat de gemeente Schiedam gehouden zou zijn het beslag op te heffen.

4.21. Dit geldt temeer nu H.M.H., destijds een aan DVRG gelieerde vennootschap waarbij volgens de eigen stellingen van H.M.H. sprake was van een personele unie, zelf heeft gekozen voor de constructie waarbij de juridische eigendom van een gedeelte van het onroerend goed aan DVRG werd overgedragen terwijl het niet de bedoeling was dat dit gedeelte tot het vermogen van DVRG zou gaan behoren.

4.22. Bovendien heeft de gemeente Schiedam ter zitting laten weten dat zij het beslag zal opheffen zodra haar vordering op DVRG voldaan is, zodat H.M.H. tegen betaling van (het relatief geringe bedrag van) EUR 9.589,86 de opheffing kan bewerkstelligen.

4.23. Een en ander voert tot de slotsom dat zich hier niet de situatie voordoet dat de belangen van de beslaglegger onvoldoende zwaar wegen om de gevolgen van het beslag te rechtvaardigen.

4.24. De vordering van H.M.H. tot opheffing van het beslag zal dan ook worden afgewezen. H.M.H. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente Schiedam worden begroot op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt H.M.H. in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente Schiedam tot op heden begroot op EUR 1.384,00,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzieningrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Wieman-Bart, griffier.

2171/1694?