Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5591

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
352537 / HA ZA 10-1247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Arbitrage. Arbitrageovereenkomst in algemene voorwaarden gedaagde. Toepasselijkheid algemene voorwaarden. 'Battle of forms'. Geschil over welke algemene voorwaarden van toepassing zijn. Oordeel dat algemene voorwaarden van eiser van toepassing zijn, op grond waarvan de rechtbank bevoegd is. Vordering afgewezen. Tevens verzocht tussentijds hoger beroep toe te staan. Tussentijds beroep is uitzondering, bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter een grote mate van terughoudendheid te betrachten. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden, zodat het verzoek tot tussentijds beroep wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 352537 / HA ZA 10-1247

Uitspraak: 12 januari 2011

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IMTECH INFRA B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.J. Bakker,

- tegen -

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LANDUSTRIE SNEEK B.V.,

gevestigd te Sneek,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R. Glas.

Partijen worden hierna aangeduid als "Imtech" respectievelijk "Landustrie".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 juni 2008;

- herstelexploot d.d. 1 oktober 2008 van Imtech;

- herstelexploot d.d. 3 april 2009 van Imtech;

- herstelexploot d.d. 5 oktober 2009 van Imtech;

- herstelexploot d.d. 6 april 2010 van Imtech;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid d.d. 21 juli 2010;

- conclusie van antwoord in het incident d.d. 4 augustus 2010.

2 De vordering in het incident en de beoordeling daarvan

2.1 Landustrie heeft gevorderd dat de rechtbank zich, voor zover nodig en mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak, met veroordeling van Imtech in de kosten van het incident.

2.2 Landustrie heeft aan haar vordering - kort gezegd – ten grondslag gelegd dat op de tussen partijen gesloten overeenkomst, die aan de vordering in hoofdzaak ten grondslag ligt, de algemene inkoopvoorwaarden van Landustrie van toepassing zijn, die in art. 21.2 bepalen dat de Raad van Arbitrage met uitsluiting van de gewone rechter bevoegd is.

2.3 Imtech heeft de vordering gemotiveerd weersproken.

2.4 Niet in geschil is dat een overeenkomst tussen partijen (hierna: de overeenkomst) tot stand is gekomen, aan welke overeenkomst (mede) ten grondslag ligt het aanbod van Imtech d.d. 26 oktober 1999 met referentie ZA 19614. Dat volgt niet alleen uit de stellingen van partijen, maar ook uit de opdrachtbevestiging in de brief van Landustrie aan Imtech

d.d. 11 oktober 2002. Daarin wordt immers het aanbod van 26 oktober 1999 als één van de onderliggende documenten genoemd. Evenmin is in geschil dat het aanbod van Imtech de toepasselijkheid van de ALIB ’92 vermeldde.

2.5 Tussen partijen is wel in geschil welke algemene voorwaarden van toepassing zijn. Landustrie heeft aangevoerd dat, ondanks dat zij het aanbod van Imtech d.d.

26 oktober 1999 – met inbegrip van het toepasselijk verklaren van de ALIB ’92 voorwaarden – heeft aanvaard, niet de ALIB ’92 van toepassing zijn, maar de inkoopvoorwaarden van Landustrie.

2.6 Op grond van artikel 6:225 lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komt, indien aanbod en aanvaarding verwijzen naar verschillende algemene voorwaarden, aan de tweede verwijzing geen werking toe, wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Gelet op het overwogene onder 2.4 moet de brief van Imtech d.d. 26 oktober 1999 worden beschouwd als eerste verwijzing naar algemene voorwaarden in de zin van deze bepaling. Dat betekent dat die eerste verwijzing in beginsel doorslaggevend is (en dus de algemene voorwaarden van Imtech van toepassing zijn) tenzij Landustrie de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Imtech nadien uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

2.7 Landustrie heeft (onder 5 van de incidentele conclusie van eis) aangevoerd dat partijen tijdens een bespreking op 12 juli 2000 afspraken hebben gemaakt, waaronder de afspraak dat de inkoopvoorwaarden van Landustrie van toepassing zouden zijn in plaats van de

ALIB ’92. Ter onderbouwing van deze door Imtech betwiste afspraak heeft zij een afschrift van aantekeningen van het gesprek d.d. 12 juli 2000 overgelegd. Uit dit afschrift volgt echter niet dat tijdens het gesprek is gesproken over algemene voorwaarden, zodat hieruit niet is af te leiden dat partijen tijdens dit gesprek hebben afgesproken terzake van de toepasselijke algemene voorwaarden af te zullen wijken van het aanbod van Imtech. Landustrie heeft overigens niets concreets gesteld over de inhoud van het gesprek, althans voor wat betreft de toepasselijkheid van (welke) algemene voorwaarden.

2.8 Ook de brief van Landustrie d.d. 10 april 2001 waarin zij de gemaakte afspraken d.d.

12 juli 2000 bevestigt, kan niet leiden tot het oordeel dat de inkoopvoorwaarden van Landustrie van toepassing zijn. De in de brief opgenomen zinsnede dat op de opdracht ‘tevens van toepassing zijn de inkoopvoorwaarden van Landustrie’ is niet voldoende om hieruit af te leiden dat de toepasselijkheid van de inkoopvoorwaarden in de plaats komt van de toepasselijkheid van de ALIB ’92. Een dergelijke zinsnede kan immers niet worden beschouwd als een “uitdrukkelijke” verwerping van deze algemene voorwaarden in de zin van art. 6:225 lid 3 BW. Dat zou misschien anders zijn als deze opmerking zou voorvloeien uit hetgeen ter zake tijdens de bespreking van 12 juli 2000 uitdrukkelijk is besproken, maar van dat laatste is (zie 2.7) nu juist niets gebleken. Dat de bij de brief van 10 april 2001 gevoegde algemene voorwaarden zelf inhouden dat zij exclusief van toepassing zijn (zoals Landustrie onder 6 van haar conclusie heeft aangevoerd), kan evenmin worden beschouwd als een (voldoende kenbare) uitdrukkelijke verwerping van de ALIB ’92. Een dergelijke verwerping is daarvoor te zeer gecamoufleerd, opgenomen als zij is in de algemene voorwaarden waarvan nu juist de vraag is of zij dankzij een voldoende uitdrukkelijke verwerping van de andere algemene voorwaarden van toepassing zijn.

2.9 Landustrie heeft aangevoerd dat nadien op verschillende momenten overleg heeft plaatsgevonden tussen partijen. Zij refereert aan gesprekken van 3 mei 2002 en

16 september 2002 en de bij die gelegenheden gemaakte aantekeningen. Landustrie heeft niet gesteld, en zulks blijkt ook niet uit de aantekeningen, dat het bij die gelegenheden over de toepasselijke algemene voorwaarden is gegaan, laat staan dat zij de algemene voorwaarden van Imtech uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. Dat bij die laatste bespreking de concept-opdrachtbevestiging op tafel lag, die voor zover voor hier relevant gelijkluidend is aan de definitieve bevestiging van 11 oktober 2002, maakt dat niet anders. Uit die (concept-) opdrachtbevestiging kan immers niet worden afgeleid dat de ALIB '92 alsnog (uitdrukkelijk) van de hand worden gewezen. Integendeel, deze stukken stellen juist expliciet dat de inkoopvoorwaarden van Landustrie ‘als aanvullend document te lezen zijn’, hetgeen er niet op wijst dat deze in de plaats van de ALIB '92 zouden komen. De opmerking dat de opsomming van documenten ‘in volgorde van prioriteit’ staan doet hier niet aan af.

2.10 De regel van art. 6:225 lid 3 BW heeft op zichzelf te gelden als niet meer dan een vuistregel die door de omstandigheden van het geval opzij gezet kan worden. Uit het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd volgt dat van zodanige omstandigheden echter niet is gebleken.

2.11 Op grond van het bovenstaande zal de incidentele vordering worden afgewezen, met veroordeling van Landustrie, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incident.

2.12 Landustrie heeft de rechtbank verzocht tussentijds appel toe staan, indien zij zou oordelen bevoegd te zijn kennis te nemen van het geschil in hoofdzaak. Imtech heeft zich tegen toewijzing van dit verzoek verzet. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

2.13 Het verzoek strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter een grote mate van terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken.

2.14 Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het enkele feit dat het tussentijds appel “proceseconomisch” voordeel zou opleveren, omdat mogelijk een inhoudelijke procedure zou worden voorkomen, is onvoldoende om een uitzondering te maken op het wettelijke uitgangspunt.

De aangevoerde grote financiële belangen en vereiste technische deskundigheid zijn op zichzelf niet uitzonderlijk en daarom onvoldoende om een tussentijds appel te rechtvaardigen. Van omstandigheden die dat anders maken is niet gebleken.

2.15 Het verzoek tot tussentijds appel zal op grond van het bovenstaande worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

wijst de vordering af;

veroordeelt Landustrie in de kosten van dit incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Imtech begroot op € 452,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek om te bepalen dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 23 februari 2011 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1634/1980