Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5372

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
370962 / KG ZA 11-42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorliggende vraag is of (de rechtsvoorganger van) Sparta het bezit van het schilderij heeft prijsgegeven om zich van de eigendom te ontdoen, in de zin van artikel 5:18 BW, dan wel Visser daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen.

Bij de beantwoording van deze vraag kunnen alle feitelijke omstandigheden rond het verlies van het bezit door Sparta en de verkrijging van het schilderij door Visser van belang zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/204
Prg. 2011/121

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 370962 / KG ZA 11-42

Vonnis in kort geding van 22 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPARTA ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.G.D. Hoek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.G.H.M. Ganzeboom.

Partijen zullen hierna Sparta en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 januari 2011;

- de akte wijziging van eis;

- de conclusie van antwoord;

- de producties van Sparta;

- de pleitnotities van mr. Hoek.

De advocaten van partijen hebben hun standpunten toegelicht ter zitting van 8 februari 2011.

De feiten

In een uitzending van het televisieprogramma "Tussen Kunst & Kitsch" van begin november 2010 presenteerde [gedaagde] zich als eigenaar van het schilderij "Gezicht op Delfshaven" van [naam schilder] [geboortedatum], dat hij al jaren in handen had (hierna: het schilderij). Na die uitzending heeft Sparta contact met hem opgenomen en hem verzocht het schilderij af te geven, nu het schilderij van Sparta zou zijn. Afgifte heeft niet plaatsgevonden.

Op 13 december 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan Sparta verlof verleend om conservatoir beslag tot afgifte te laten leggen op het schilderij, met bepaling dat het in beslag te nemen schilderij in gerechtelijke bewaring zal worden gegeven aan [bedrijf X], gevestigd aan de [adres].

Toen de deurwaarder op 14 december 2010 in de woning van [gedaagde] was om beslag te leggen op het schilderij heeft [gedaagde] verklaard het schilderij niet meer in zijn bezit te hebben omdat hij het schilderij - na afloop van de opname van het televisieprogramma Tussen Kunst & Kitsch - had verkocht aan een daar aanwezige persoon.

Op 3 januari 2011 heeft Sparta bij deze rechtbank een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt, waarin zij - onder andere - revindicatie (teruggave) vordert van het schilderij.

Ter zitting in kort geding van 8 februari 2011 heeft [gedaagde] verklaard dat het schilderij nog steeds in zijn bezit is.

Het geschil

Sparta vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, in te gaan op de eerste dag na betekening van het vonnis, zal gelasten om binnen een dag na betekening van het vonnis het schilderij "Gezicht op Delfshaven" aan Sparta te overhandigen op een door de voorzieningenrechter te bepalen wijze, alsmede;

2. [gedaagde] zal veroordelen in alle kosten van dit kort geding.

Sparta legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in haar hoedanigheid van eigenares van het schilderij, mede gelet op artikel 3:296 BW, recht heeft op revindicatie daarvan. Daarnaast handelt [gedaagde] volgens Sparta onrechtmatig jegens Sparta door informatie over het schilderij voor Sparta achter te houden.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vordering, nader ingegaan.

De beoordeling

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [gedaagde] gehouden is het schilderij aan Sparta af te geven. Indien, zoals door Sparta wordt gesteld maar door [gedaagde] wordt betwist, [gedaagde] deze zaak ten onrechte onder zich heeft en Sparta eigenares is van het schilderij, heeft Sparta op grond van artikel 5:2 BW het recht om het schilderij op te eisen van [gedaagde].

Gelet op de waarde van het schilderij en de kwetsbaarheid daarvan heeft Sparta een spoedeisend belang om deze eis in kort geding in te stellen.

Ter zitting heeft Sparta voldoende aannemelijk gemaakt dat het schilderij aanvankelijk eigendom is geweest van de Stichting Sparta Rotterdam en dat zij, als gevolg van een wijziging van rechtsvorm in 2001 van de Stichting Sparta Rotterdam in de besloten vennootschap Sparta, de stichting is opgevolgd in haar (gestelde) rechten met betrekking tot het schilderij.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding, nu in de bodemprocedure - die de gelegenheid biedt tot nadere bewijsvoering door partijen - de eigendomsvraag moet worden beantwoord en de vraag of [gedaagde] gehouden is het schilderij aan Sparta af te geven. De gevraagde voorziening moet daarom worden geweigerd, aldus [gedaagde].

De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt. Een definitieve beslissing over de eigendom kan - als partijen het hierover niet alsnog onderling eens worden - pas in de bodemprocedure worden genomen. Dat laat echter de ruimte open dat in dit kort geding over een gevraagde (voorlopige) voorziening wordt beslist, zo mogelijk aan de hand van een prognose omtrent de uitkomst van het geschil in de bodemprocedure en verder op basis van een belangenafweging.

[gedaagde] heeft betoogd dat hij eigenaar van het schilderij is. [gedaagde] stelt primair dat Sparta het bezit van het schilderij heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom daarvan te ontdoen (artikel 5:18 BW). Subsidiair stelt [gedaagde] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Sparta afstand had gedaan van het schilderij (artikel 3:35 BW). Vervolgens, aldus [gedaagde], heeft hij het schilderij in bezit genomen, waardoor hij de eigendom heeft verkregen (artikel 5:4 BW). [gedaagde] stelt hiertoe feitelijk het volgende.

[gedaagde] heeft als timmerman in 1997 werkzaamheden verricht voor Sparta ten behoeve van de verbouwing van het stadion ("het Kasteel"). Sparta had hiertoe ook het [bedrijf Y] aangetrokken. Naast de keet waarbij [gedaagde] werkte, stond een afvalcontainer. Eén van de medewerkers van [bedrijf Y] had het schilderij, te midden van afval, in zijn kruiwagen. Alvorens het afval in de container te gooien vroeg deze medewerker aan [gedaagde] of het schilderij misschien iets voor hem was. Daarop heeft [gedaagde] besloten het schilderij mee te nemen. Eerst heeft hij het nog een tijd in de keet laten staan en vervolgens heeft hij het mee naar huis genomen. De lijst om het schilderij was kapot en het schilderij was licht beschadigd. [gedaagde] is geen kunstkenner en het schilderij kwam hem niet waardevol voor, aldus nog steeds [gedaagde].

Sparta betwist dat zij het schilderij heeft willen weggooien. Het was een geschenk van de "Oer-Spartanen" en sinds de jaren dertig van de vorige eeuw in haar bezit. Het hing al die tijd in de bestuurskamer van Sparta. Sparta heeft bij aanvang van de verbouwingswerkzaamheden in 1997 het schilderij, tezamen met de overige inventaris uit de bestuurskamer, opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagcontainer die zich op het terrein van het Kasteel bevond. Nadat de verbouwing van het Kasteel was voltooid, ontdekte Sparta dat het schilderij was verdwenen. Het schilderij kan ook niet te goeder trouw door [gedaagde] zijn verworven, nu het - ook voor een leek - duidelijk was dat het een schilderij van waarde was, mede gelet op het metalen plaatje met inscriptie op de lijst, aldus Sparta.

De voorliggende vraag is of (de rechtsvoorganger van) Sparta het bezit van het schilderij heeft prijsgegeven om zich van de eigendom te ontdoen, in de zin van artikel 5:18 BW, dan wel [gedaagde] daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen.

Bij de beantwoording van deze vraag kunnen alle feitelijke omstandigheden rond het verlies van het bezit door Sparta en de verkrijging van het schilderij door [gedaagde] van belang zijn. Indien het schilderij bij de verbouwing in 1997 door medewerkers van een bouwbedrijf naar een afvalcontainer is afgevoerd, zoals [gedaagde] stelt (maar Sparta betwist), kan onder omstandigheden op [gedaagde] de plicht hebben gerust om te onderzoeken of Sparta zich daadwerkelijk van het schilderij heeft willen ontdoen.

De stellingen van partijen over de feitelijke omstandigheden waaronder het schilderij in handen van [gedaagde] is gekomen en de conditie waarin het zich toen bevond, staan haaks op elkaar. Beide partijen hebben zich op verklaringen van derden beroepen, die evenmin met elkaar in overeenstemming zijn. Partijen hebben verder feitelijk onderzoek naar de omstandigheden van destijds aangekondigd. Een kort gedingprocedure leent zich (in beginsel) niet voor bewijsvoering door middel van het horen van getuigen.

In deze situatie kan de voorzieningenrechter dan ook niet beoordelen wie van partijen het gelijk aan zijn zijde heeft waar het gaat om de gang van zaken in 1997. Het betoog van Sparta dat [gedaagde] op diverse momenten blijk heeft gegeven van onbetrouwbaarheid - waartegen [gedaagde] verweer heeft gevoerd - kan dat op zichzelf niet anders maken.

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in artikel 3:119 lid 1 dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. In dit kort geding is dit vermoeden dus niet weerlegd. De gevorderde afgifte van het schilderij aan Sparta wordt daarom afgewezen.

Wel ziet de voorzieningrechter aanleiding om een maatregel te treffen, te weten een gebod aan [gedaagde] het schilderij aan een derde in bewaring te geven. Sparta heeft ter zitting aangegeven dat in haar vordering besloten ligt (subsidiair) dat afgifte aan een derde wordt bevolen. [gedaagde] heeft ter zitting bevestigd dat het schilderij voor hem uitsluitend financiële betekenis heeft en dat hij tot een financiële regeling met Sparta wenst te komen. Sparta daarentegen wil het schilderij zelf terug hebben en wil dit geschenk van de Oer-Spartanen weer ophangen in de bestuurskamer. Een maatregel die geen afbreuk doet aan het financiële belang van [gedaagde] en voldoende zekerheid biedt voor het belang van Sparta, acht de voorzieningenrechter in deze situatie doelmatig en proportioneel. Verder is in aanmerking genomen dat [gedaagde] - nadat aan Sparta verlof was verleend tot beslaglegging - in strijd met de waarheid tegenover de gerechtsdeurwaarder heeft verklaard dat hij het schilderij al had verkocht. Door deze gedraging van [gedaagde], waarvoor hij ter zitting geen afdoende verklaring heeft gegeven, is de bij Sparta bestaande vrees voor verdwijning van het schilderij niet geheel ongerechtvaardigd.

De voorzieningenrechter zal een gerechtelijke bewaring bevelen (artikel 853 Rv). [gedaagde] zal worden verplicht tot afgifte aan de door de voorzieningenrechter op 13 december 2010 genoemde bewaarder, van wie kan worden aangenomen dat deze ook nu nog bereid is als bewaarder op te treden. De bewaarder dient het schilderij onder zich te houden voor [gedaagde]. Deze voorziening dient te gelden totdat in de bodemprocedure bij (uitvoerbaar bij voorraad verklaard of onherroepelijk) vonnis een beslissing is genomen (vergelijk artikel 861 lid 2 Rv). Aldus wordt zeker gesteld dat afgifte van het schilderij kan plaatsvinden aan de partij die in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld.

Met betrekking tot deze - door Sparta gewenste en gevorderde - bewaring bepaalt de voorzieningenrechter dat zij voor rekening van Sparta plaatsvindt. Sparta dient derhalve de kosten van de bewaring (inclusief verzekering) te voldoen en te dragen.

De gevorderde dwangsom zal in hoogte worden beperkt en aan een maximum worden verbonden.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om te bepalen dat beide partijen de eigen proceskosten dienen te dragen. In aanmerking is genomen dat Sparta na de verbouwing in 1997, waarna het schilderij niet meer is aangetroffen, geen concrete actie heeft ondernomen om te achterhalen waar het schilderij was gebleven, hetgeen kan hebben bijgedragen aan de uiteindelijke noodzaak om dit kort geding in te stellen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

beveelt de gerechtelijke bewaring van het schilderij "Gezicht op Delfshaven" van [naam schilder] en wijst [bedrijf X], gevestigd aan de [adres], aan als bewaarder;

beveelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis het schilderij af te geven aan de bewaarder, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag tot een maximum van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) voor elke dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen;

bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans in tegenwoordigheid van

mr. H.C. Fraaij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

1862/1694

5

370962 / KG ZA 11-42

22 februari 2011