Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
370476 / JE RK 11-58
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanhouding mondelinge behandeling in verband met plaatsing jeugdige in accommodatie gesloten jeugdzorg. Uitgangspunt is dat de ouders of de gezinsvoogd de jeugdige zelf vervoeren. Als dat niet kan én beschermd vervoer is noodzakelijk, kan de DV&O ingeschakeld worden. De minderjarige wenst te worden gehoord op het verzoek van de stichting. Haar afstandsverklaring lijkt ingegeven door haar tegenzin per DV&O-vervoer naar de rechtbank te gaan. Onvoldoende gebleken dat andere mogelijkheden om de minderjarige naar de rechtbank te vervoeren niet uitvoerbaar zijn en dat beschermd vervoer noodzakelijk is, nu de stichting daaromtrent geen feiten of omstandigheden heeft gesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Integraal jeugdbeleid 2011/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 27 januari 2011

Zaak-/rekestnummer: 370476 / JE RK 11-58

Beschikking in de zaak van:

[instantie 1],

gevestigd te [woonplaats],

namens [instantie 2],

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

[kind], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van [ouder 1], en van de met het gezag belaste ouder [ouder 2],

wonende: [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 7 mei 2010 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 7 mei 2011.

Bij beschikking van 25 november 2010 is met ingang van 30 november 2010 de machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven verlengd tot 2 februari 2011.

De stichting heeft op 11 januari 2011 een verzoekschrift ingediend strekkende tot het verlenen van een machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het plan van aanpak en het indicatiebesluit is daarbij gevoegd.

Verzoeker heeft verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg.

Van de zijde van de stichting is een brief ingekomen, gedateerd 26 januari 2011, met als bijlage een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper.

Aan de minderjarige is als advocaat toegevoegd mr. M.P.G. Rietbergen.

Van de zijde van de minderjarige is een afstandsverklaring d.d. 27 januari 2011 ontvangen.

De zaak is behandeld op 27 januari 2011.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de advocaat van de minderjarige, voornoemd;

- de stichting, vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2]

De ouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

De advocaat heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige graag met de kinderrechter had willen praten. De minderjarige wilde echter niet worden vervoerd met het busje van Dienst Vervoer en Ondersteuning (hierna: DV&O). Dat is haar goed recht, immers Overberg is geen justitiële jeugdinrichting. Haar mentor van de instelling was bereid met haar naar de rechtbank te komen, de leiding van de instelling vond dat oorspronkelijk goed. Na enige overdenking werd aan de advocaat te kennen gegeven dat tòch geen toestemming zou worden gegeven vanwege de precedentwerking. Dat zou betekenen dat alle pupillen zouden kunnen vragen op deze wijze naar de rechtbank te worden vervoerd, hetgeen de instelling voor personele problemen zou kunnen stellen. Thans blijkt dat de minderjarige een afstandsverklaring heeft getekend. Een dergelijke verklaring wordt echter alleen gebruikt voor minderjarigen die in een strafrechtelijk kader in een instelling zijn geplaatst. De advocaat voert aan dat de afstandsverklaring oneigenlijk is omdat de minderjarige wel wil worden gehoord. De advocaat van de minderjarige heeft derhalve verzocht de behandeling van de zaak voor een korte periode aan te houden teneinde de minderjarige in de gelegenheid te stellen alsnog haar mening kenbaar te maken.

De gezinsvoogd heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarige niet wilde worden vervoerd met DV&O. Verder heeft de gezinsvoogd verklaard dat de stichting of de gezinsvoogd de minderjarige kan ophalen maar dat zij niet kan instaan voor de minderjarige dat zij weer terug zal gaan naar de instelling op het moment dat de kinderrechter een beslissing neemt die de minderjarige niet aan staat.

De kinderrechter overweegt als volgt.

De gezinsvoogdij-instelling die de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg uitvoert, is verantwoordelijk voor het vervoer van een minderjarige naar de rechtbank, indien laatstgenoemde gebruik wil maken van haar recht te worden gehoord. Uitgangspunt daarbij, geformuleerd door het voormalig departement voor Jeugd en Gezin is dat de ouders of de gezinsvoogd de jeugdige zelf vervoeren. Als dat niet kan én beschermd vervoer is noodzakelijk, kan de DV&O ingeschakeld worden. De kinderrechter heeft ter zitting de overtuiging gekregen dat de minderjarige wel wenst te worden gehoord op het verzoek van de stichting en dat haar verklaring van het recht te worden gehoord te willen afzien, is ingegeven door haar tegenzin per DV&O-vervoer naar de rechtbank te gaan. De rechtbank is van oordeel dat onder de huidige omstandigheden onvoldoende vaststaat dat andere mogelijkheden om de minderjarige naar de rechtbank te vervoeren niet uitvoerbaar zijn en is er voorts onvoldoende van overtuigd dat beschermd vervoer noodzakelijk is, nu de stichting daaromtrent geen feiten of omstandigheden heeft gesteld.

Op grond van de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen is de kinderrechter vooralsnog van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de kinderrechter er niet in de behandeling van het verzoek af te ronden vóór 2 februari 2011. De kinderrechter zal derhalve de machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen verblijven, verlengen voor de duur van twee weken en de behandeling van het verzoek voor het overig verzochte aanhouden tot na te noemen datum.

De beslissing

Verlegt met ingang van 2 februari 2011 de duur van de machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven tot

16 februari 2011.

Houdt de behandeling van de zaak voor het overig verzochte aan.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de minderjarige, haar advocaat, de belanghebbenden en de stichting in deze zaak zal plaatsvinden op 10 februari 2011 te 13.55 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. C.N. Melkert, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de minderjarige, haar advocaat, de belanghebbenden en de stichting.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, in bijzijn van

H.P. Eekhout, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.