Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5004

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/1329 WW-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak (LJN BN7227). Uit het nader onderzoek verricht door verweerder blijkt dat de overeenkomst is gericht op re-integratie. Verweerder heeft terecht beslist dat er geen sprake was van verzekeringplicht voor de WW, zodat geen recht bestond op overname van betalingsverplichtingen als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1329 WW-T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. G.H. Amstelveen, advocaat te Capelle aan den IJssel,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (vestiging Utrecht), verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 16 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 november 2008 (hierna: het primaire besluit) ongegrond is verklaard. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen van WorkNet4U, afgewezen. Verweerders standpunt is dat eiser geen werknemer is in de zin van de Werkloosheidswet (WW), omdat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, en hij derhalve niet als verzekerde in de zin van de WW kan worden aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2010. Voor eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden A.M.M. Schalkwijk en J. Kouveld, bijgestaan door A.A. de Ronde, werkzaam bij de Belastingdienst Utrecht-Gooi.

Bij tussenuitspraak van 16 september 2010 (LJN BN7227) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Bij brief van 8 november 2010 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt en een rapportage met de uitkomst van een onderzoek, alsmede statusoverzichten overgelegd. Bij brief van 6 december 2010 heeft eiser zijn reactie op deze rapportage en de statusoverzichten gegeven. Bij brief van 28 december 2010 heeft verweerder een reactie op eisers brief gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

2 Overwegingen

2.1 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft voorts beoordeeld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. In dat kader heeft de rechtbank geconcludeerd dat het geschil zich toespitst op de vraag of eiser verplicht was persoonlijk arbeid te verrichten ten behoeve van WorkNet4U. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, in het licht van hetgeen eiser in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht, onvoldoende onderzoek verricht naar de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger. Verweerder is in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen naar, en rapport uit te brengen over - kort gezegd - de aard en de omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger en, indien verweerder dat wenst, naar aanleiding daarvan een nader besluit te nemen.

2.2 Verweerder heeft gelet hierop de belastingdienst op 18 oktober 2010 een bedrijfsbezoek laten verrichten bij Training Centrum Eemhaven (TCE). De bevindingen van dit onderzoek zijn blijkens het daarvan opgemaakte rapport als volgt.

2.2.1 TCE is een opleidingscentrum dat onder meer de opleiding tot Beveiliger 2 verzorgt. Hiervoor is een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het ROC Zadkine college.

Het betreft een competentie gerichte opleiding in het kader van de Wet Educatie beroepsopleiding (Ecabo). Om de opleiding te volgen wordt aan de leerling een opleidingsplan uitgereikt. In het opleidingsplan staat vermeld: de cursus opzet/competenties en de samenwerkingsovereenkomst tussen TCE en ROC Zadkine en de huisregels. De opleiding wordt in groepsverband gegeven op het TCE leerpark, locaties Rotterdam (bedrijventerrein Pernis) en Amersfoort (NS terrein Centraal Station). Beide leerparken zijn Ecabo erkend. De opleidingskosten worden betaald door de re-integratiebureaus en eventuele andere opdrachtgevers. Daarnaast ontvangt TCE een bijdrage vanuit Ecabo.

2.2.2 Bij een normaal verloop is de duur van de opleiding circa zes maanden. De opleiding bestaat uit een theorie- en een praktijkgedeelte. Daarnaast dient de cursist opdrachten uit te voeren ten behoeve van zijn portfolio welke wordt beoordeeld door de examinator van de Stichting Vakexamen voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties (SVPB). De opleiding verloopt via een zogenaamd continue rooster gericht op de praktijk. Doel hiervan is dat de cursisten weer (werk)structuur gaan ervaren. Nadat het theoriegedeelte is afgerond volgt er een verplichte stageperiode van 480 uur. De stageperiode gebeurt in een carrouselsysteem. Dat houdt in dat de kandidaten worden ingedeeld op ervaringsniveau. Een beginner (een zogenoemde 1 ster) wordt begeleid door een 2 ster en die wordt op zijn beurt weer begeleid door een 3 ster. Een cursist ontvangt een ster nadat hij opdrachten die uitgevoerd moeten worden ten behoeve van zijn portfolio met een positief resultaat heeft afgerond. Alle stageactiviteiten worden verricht onder toezicht en verantwoordelijkheid van een beroepspraktijkvormingsdocent.

2.2.3 De stageactiviteiten vinden geheel en alleen plaats op de leerparken van TCE. In feite is er sprake van een beschermde omgeving waarbinnen de opleiding plaatsvindt. Er wordt gepoogd om de realiteit na te bootsen met dien verstande dat men fouten mag maken omdat men immers aan het leren is. Door TCE worden geen uren gefactureerd aan de op het leerpark (bedrijventerrein) gevestigde private ondernemingen. Er wordt voor de stageactiviteiten aan de cursisten geen vergoeding betaald. Dat is een wezenlijk verschil met commerciële beveiligingsbedrijven. Die bedrijven dienen de stagiairs conform de CAO Beveiligingsbedrijven een ‘stageloon’ te betalen. TCE beschikt over de BD Certificering (bedrijfsbeveiliging 1007) voor niet commerciële bedrijven. Zij mag daarmee cursisten niet commercieel wegzetten. TCE valt ook niet onder de CAO Beveiligingsbedrijven. Na afronding van de opleiding en een met goed gevolg afgelegd examen kan de cursist aan de slag als beveiliger. Zonder diploma kan men niet als beveiliger werken.

2.2.4 Na afronding van de opleiding heeft TCE geen bemoeienis meer met de cursist en is het de verantwoordelijkheid van het re-integratiebureau om de begeleiding naar arbeid verder vorm te geven. TCE biedt cursisten wel de mogelijkheid om stage te blijven lopen als er bijvoorbeeld nog een herexamen moet worden afgenomen. Deze mogelijkheid wordt door TCE geboden omdat het meestal gaat om herexamens voor praktijkexamens.

2.2.5. Meer specifiek voor eiser heeft verweerder aangegeven dat uit het statusoverzicht niet blijkt dat er door eiser werkzaamheden zijn verricht anders dan in het kader van zijn opleiding. Er blijkt immers alleen van een opleiding/stage bij TCE, zodat er feitelijk geen sprake is van werkzaamheden. Het statusoverzicht van WorkNet4U stopt op de datum 15 januari 2008, kort na het behalen van het diploma. Uit niets blijkt dat er na het behalen van het diploma door eiser via WorkNet4U is gewerkt.

2.2.6. Eiser heeft aangevoerd dat hij in het kader van een arbeidsovereenkomst tussen hem en WorkNet4U een opleiding tot beveiliger bij TCE heeft gevolgd en dat hij gedurende en na de opleiding productieve arbeid heeft verricht. Eiser stelt naast zijn opleiding hetzelfde werk te hebben verricht als elke andere ‘volwaardige’ beveiliger. Eiser stelt ook nachtdiensten te hebben gedraaid en daartoe zijn - aldus eiser - beveiliger-stagiaires niet bevoegd.

2.3 De rechtbank overweegt dat uit de bevindingen van het bedrijfsbezoek bij TCE, zoals hiervoor weergegeven, met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de door eiser verrichte werkzaamheden als beveiliger zijn verricht als onderdeel van de opleiding tot beveiliger. Het door eiser overgelegde werkrooster is uit de periode dat eiser de opleiding heeft gevolgd. Het praktijkgedeelte van die opleiding bestond uit het lopen van een stage, met andere woorden het in de praktijk verrichten van werkzaamheden als beveiliger. Uit het bedrijfsbezoek blijkt dat deze stagewerkzaamheden werden verricht in een continue rooster, gericht op de praktijk. Zo de stelling van eiser dat hij onbevoegd in nachtdiensten heeft moeten werken al juist zou zijn, kan dit hieraan niet afdoen, omdat deze stelling, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet met zich brengt dat de werkzaamheden niet meer als onderdeel van de opleiding zouden moeten worden aangemerkt.

2.4 In dit verband markeert de rechtbank voorts dat eiser op de vragenlijst WorkNet4U bij zijn aanvraag heeft ingevuld dat hij de reguliere opleiding tot Beveiliging 2 heeft gevolgd bij TCE te Rotterdam in de periode april 2007 tot en met 23 december 2007 en dat hij stage heeft gelopen tijdens de opleiding. De vraag of hij tijdens de duur van de overeenkomst productieve arbeid heeft verricht, heeft hij op de vragenlijst ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om vast te kunnen stellen dat eiser na het behalen van zijn diploma op 19 december 2007 ten behoeve van WorkNet4U werkzaamheden heeft verricht.

2.5 Uit het onderzoek verricht door verweerder blijkt dat de overeenkomst tussen eiser en WorkNet4U als zodanig gericht is geweest op het aanbieden van en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten, in het onderhavige geval het volgen van een opleiding als beveiliger, met als oogmerk de uitstroom van eiser naar betaalde arbeid. Dat de overeenkomst eiser verplicht iedere gepaste functie te aanvaarden doet daar niet aan af. In de context van de overeenkomst waren de door eiser verrichte werkzaamheden geen doel op zichzelf, maar een middel om de re-integratie van eiser in het arbeidsproces te bevorderen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van 23 juni 2010 van de Centrale Raad van Beroep (LJN BM9286).

2.6 De aard van de door eiser verrichte stagewerkzaamheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als te zijn verricht uit hoofde van een persoonlijke verplichting tot het verrichten van productieve arbeid in economische zin ten behoeve van WorkNet4U. Verweerder heeft terecht beslist dat er geen sprake was van verzekeringplicht voor de WW, zodat geen recht bestond op overname van betalingsverplichtingen als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW.

2.7. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.8. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,--, aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 41,--, vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,--. te betalen aan eiser en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 17 februari 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: