Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP3518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
369040 / KG ZA 10-1246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG. Stichtingen vorderen medewerking van beroepsbeoefenaren aan verkrijgen van GEZ-gelden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd. Geen deugdelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 369040 / KG ZA 10-1246

Vonnis in kort geding van 21 januari 2011

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING SPRONG,

gevestigd te Rotterdam,

2. de stichting

STICHTING EERSTELIJNS SAMENWERKINGSVERBAND OUDE WESTEN EN COOL,

gevestigd te Rotterdam,

3. de stichting

STICHTING GEZONDHEIDSCENTRUM MATHENESSERLAAN 309,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. R. Zebel te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

5. [gedaagde 5],

6. [gedaagde 6],

7. [gedaagde 7],

8. [gedaagde 8],

9. [gedaagde 9],

10. [gedaagde 10],

11. [gedaagde 11],

12. [gedaagde 12],

13. [gedaagde 13],

14. [gedaagde 14],

15. [gedaagde 15],

16. [gedaagde 16],

17. [gedaagde 17],

18. [gedaagde 18],

19. [gedaagde 19],

20. [gedaagde 20],

allen domicilie gekozen hebbende te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de stichtingen. Naar de gezamenlijke gedaagden zal worden verwezen als [gedaagden]

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 28 december 2010;

- de producties van de stichtingen;

- de producties van [gedaagden];

- de pleitnota van mr. Zebel;

- de pleitnota van mr. Verduijn.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht tijdens de mondelinge behandeling d.d. 11 januari 2011.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de navolgende - voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde - feiten als tussen partijen vaststaand aan.

Stichting Gezondheidscentrum Mathenesserlaan 309 (hierna te noemen: 'Stichting GCML) is opgericht op 11 december 1979 en heeft ten doel het bevorderen van een optimale geïntegreerde eerstelijns gezondheidszorg.

Gedaagden sub 1 tot en met 12 zijn als huisarts, fysiotherapeut of oefentherapeut werkzaam binnen het samenwerkingsverband Gezondheidscentrum Mathenesserlaan 309 (hierna ook wel: 'GCML') te Rotterdam.

Stichting Eerstelijns Samenwerkingsverband Oude Westen en Cool (hierna te noemen: Stichting GCOW) is opgericht op 23 januari 1984 en heeft ten doel het bevorderen van een optimale geïntegreerde eerstelijns gezondheidszorg.

Gedaagden sub 13 tot en met 20 zijn als huisarts of fysiotherapeut werkzaam binnen het samenwerkingsverband Gezondheidscentrum Oude Westen en Cool (hierna ook wel: 'GCOW') te Rotterdam.

In november 1983 is een overeenkomst gesloten getiteld: 'overeenkomst samenwerkingsverband Oude Westen en Cool' (hierna: 'samenwerkingsovereenkomst 1983'). In artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst 1983 staat dat bij deze overeenkomst onder meer de volgende personen partij zijn:

1.2. De rechtspersoon die het samenwerkingsverband Oude Westen en Cool vertegenwoordigt, (...)

1.4. De vrij gevestigde beroepsbeoefenaren, die als medewerkers deel uitmaken van de personeelsformatie van het samenwerkingsverband:

- [gedaagde 14], huisarts,

- [gedaagde 13], huisarts,

- [gedaagde 16], huisarts,

- [persoon A], fysiotherapeut,

- [gedaagde 18], fysiotherapeut,

- [persoon B], tandarts,

- [persoon C], tandarts,

- [persoon D], tandarts.

2.7 Artikel 20 van de samenwerkingsovereenkomst 1983 luidt als volgt:

20.1 Deze samenwerkingsovereenkomst wordt voorlopig aangegaan voor de duur van 2 jaar. Drie maanden voor het verstrijken van deze eerste termijn, komen partijen bijeen teneinde vast te stellen of wijzigingen dan wel aanvullingen van deze overeenkomst noodzakelijk zijn. Wanneer partijen hierover overeenstemming zullen hebben bereikt, zal de dan vastgestelde samenwerkingsovereenkomst voor nog eens drie jaar worden aangegaan.

2.8 In 2007 heeft een wijziging in de financiering in de eerstelijnsgezondheidszorg plaatsgevonden die gevolgen had voor de financiering van de stichtingen GCML en GCOW. Tot 1 januari 2007 hebben de genoemde stichtingen met name op basis van door de overheid verstrekte subsidies gefunctioneerd. Per 1 januari 2007 werd een overgangregeling van kracht die inhield dat de subsidies aan gezondheidscentra in twee jaar tijd zouden worden afgebouwd en vervangen door een andere vorm van financiering (prestatiegerichte bekostiging, vraagsturing in plaats van aanbodsturing, uitbetaling door de zorgverzekeraar in plaats van door de overheid). Omdat de samenwerkingsverbanden GCML en GCOW geïntegreerde multidisciplinaire eerstelijnszorg aanbieden, kunnen zij krachtens de nieuwe regeling onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een door Achmea Zorg uit te keren financiële prestatiebeloning, de zogenaamde GEZ-gelden. Daarvoor is nodig dat de stichtingen GCMl en GCOW, naast de bestaande huurovereenkomsten, ook zogenaamde toetredingsovereenkomsten met de beroepsbeoefenaren sluiten. In beide gezondheidscentra (GCML en GCOW) is over te sluiten toetredingsovereenkomsten gesproken, maar dergelijke overeenkomsten zijn niet tot stand gekomen.

Een andere voorwaarde voor het verwerven van GEZ-gelden betreft de verplichting voor de betrokken beroepsbeoefenaren om Prestatie Indicatoren Gezondheidscentra, ook wel PIG-indicatoren genoemd, aan Achmea aan te leveren. De administratie van de beroepsbeoefenaren moest daarvoor worden ingericht.

Ten slotte was voor dit alles nodig dat de samenwerkingsverbanden concrete zorgprogramma's moest opstellen en implementeren.

2.9 De reguliere medische en paramedische zorg valt buiten de hiervoor onder 2.8 genoemde financiering en wordt ook na 1 januari 2007 rechtstreeks tussen beroepsbeoefenaren en zorgverzekeraars afgerekend.

2.10 Stichting Sprong is opgericht op 12 december 2008 en heeft ten doel het bevorderen van een optimale geïntegreerde eerstelijns gezondheidszorg.

In Stichting Sprong zijn het bestuur, het directiesecretariaat en ondersteunende diensten van Stichting GCML, Stichting GCOW en een derde stichting ondergebracht.

Statutair is bepaald dat de stichtingen allemaal dezelfde bestuurder, te weten [persoon E], en dezelfde raad van toezicht hebben.

2.11 Tussen [gedaagden] en de stichtingen is een geschil ontstaan, onder meer over (het afleggen van verantwoording met betrekking tot) de besteding van zorggelden door de stichtingen en over de voor de stichtingen gekozen constructie (zie hierboven punt 2.9.).

2.12 Op enig moment hebben de stichtingen [gedaagden] verzocht de PIG-indicatoren aan te leveren die nodig zijn om in 2011 in aanmerking te komen voor GEZ-gelden. [gedaagden] heeft niet aan dit verzoek voldaan.

2.13 Op verzoek van Stichting Sprong heeft [naam] N.V. op 1 juli 2010 een zogenaamde 'Transparantiebrief Gezondheidscentrum Oude Westen & Cool' opgesteld.

Op pagina 9 van deze transparantiebrief staat een overzicht getiteld 'aanwezigheid van de basisvoorwaarden per centrum'. Dit zijn de voorwaarden van Achmea waaraan een samenwerkingsverband moet voldoen om in aanmerking te komen voor GEZ-gelden.

In het overzicht staat onder het kopje GCML bij 14 van de 30 voorwaarden: 'Nee'. Onder het kopje GCOW is 9 van de 30 keer "Nee' vermeld.

Aansluitend wordt op pagina 10 van de transparantiebrief opgemerkt:

'Bij de start van Sprong is afgesproken dat indien een centrum niet voldoet aan een basisvoorwaarde, dan door samenhang met Stichting Sprong wel zal kunnen (gaan voldoen aan de basisvoorwaarde. De gezondheidscentra moeten hier naartoe groeien. Achmea zal hier echter ook op output gaan sturen.

Conclusie: na anderhalf jaar voldoen een aantal centra nog niet aan de basisvoorwaarden, voor de GEZ-module zal dit consequenties gaan hebben voor het contracteren.'

2.14 In een brief van 23 november 2010 van Achmea aan Stichting Sprong staat, voor zover hier relevant:

'Op dinsdag 16 november 2010 heb ik het Gezondheidscentrum Mathenesserlaan bezocht. Bij het gesprek was behalve een vertegenwoordiger van bovengenoemd gezondheidscentrum ook een vertegenwoordiger van het gezondheidscentrum oude Westen Cool aanwezig. Onderwerp van gesprek was het conflict tussen twee centra binnen Stichting Sprong enerzijds en Stichting Sprong anderzijds en de gevolgen daarvan.

Met deze brief geef ik een terugkoppeling op dit gesprek en het daaruit voortvloeiende besluit van Achmea om voor 2011 voorlopig beide centra niet te contracteren. Gevolg is dat de GEZ uitbetaling van de gelden hiermee voor 2011 voor beide centra opgeschort zal worden.

(...)

Tevens werd aangegeven door beide centra dat het nagenoeg uitgesloten is dat de beide centra en Stichting Sprong tot een oplossing van het conflict zullen komen. De twee centra hebben in het gesprek te kennen gegeven op zoek te zijn naar mogelijkheden om weer zelfstandig te kunnen opereren. Hierbij is ook aangegeven dat de samenwerking tussen genoemde centra en Sprong dus niet langer zal bestaan.

(...) Achmea is gezien de situatie helaas genoodzaakt voorlopig een besluit te nemen over de contractering en de uitbetaling van de GEZ gelden 2011 voor de twee eerder genoemde centra.

Ten aanzien van de GEZ gelden ten behoeve van deze beide centra acht Achmea het niet opportuun deze gelden in 2011 te betalen aan Stichting Sprong, nu naar alle waarschijnlijkheid de centra, dan wel de individuele zorgverleners zullen worden losgekoppeld van Stichting Sprong.

Concluderend: Achmea heeft besloten de gezondheidscentra Oude Westen Cool en Mathenesserlaan voor 2011 niet te contracteren in het kader van de GEZ-regeling. De gelden voor deze centra die zijn gebaseerd op de uitslagen van PIG indicatoren 2010 zal Achmea reserveren.'

2.15 In een brief van Achmea aan Stichting Sprong, welke brief op de eerste pagina gedateerd is op 21 december 2010 terwijl op de tweede pagina bovenaan de datum 17 december 2010 vermeld is, staat onder meer:

'Ik stuur u deze brief aangezien Gezondheidscentrum Mathenesserlaan haar verplichtingen omtrent het aanleveren van de PIG resultaten door de zorgaanbieders niet is nagekomen. Zoals bekend is dit een van de contractvoorwaarden vastgelegd in het contracteerbeleid Samen Werken aan een sterke eerste lijn 2009 t/m 2001 versie december 2008.

Met deze brief wijst Achmea u op de consequenties en maatregelen welke voortvloeien uit de beslissing van de zorgaanbieders Mathenesserlaan om niet in te gaan op de voorstellen van Stichting Sprong met betrekking tot de ontvlechting en verzelfstandiging en hiermee het behoud van de gEZ middelen.

Hieronder noem ik de voorwaarden die van toepassing zijn tot het verkrijgen van de GEZ-gelden voor 2011:

* De zorgaanbieders van GHC Mathenesserlaan leveren de PIG resultaten binnen redelijke termijn maar voor eind december 2010 aan St. Sprong, die deze cijfers aan Achmea Zorg zal leveren.

* De Zorgaanbieders van Stichting Mathenesserlaan leveren de voorschrijf indicatoren aan, voor de bepaling van prescriptiecijfers.

* GHC Mathenesserlaan participeert in het traject Zorg in Zicht, vanuit Achmea als eis gesteld voor extra bedrag in de GEZ gelden. (de uiterste instap mogelijkheid is 01-01-2011).

Op alle bovenstaande punten zijn de zorgaanbieders van het GHC Mathenesserlaan in gebreke gebleven. Achmea Zorg wijst de zorgaanbieders op de consequenties van het niet naleven van deze afspraken. Het is voor Achmea nu niet mogelijk om de GEZ module prijs voor 2011 te bepalen wat betekent dat voor 2011 geen GEZ gelden zullen worden uitgekeerd. Indien Stichting GHC Mathenesserlaan alsnog hiervoor in aanmerking wil komen zal aan bovenstaande voor 31 december 2010 moeten worden voldaan.

Nadat de PIG indicatoren zijn aangeleverd en de zorgaanbieders akkoord gaan met deelname van het project Zorg in Zicht zal ik in gesprek gaan met de bestuurder en een afgevaardigde van de zorgaanbieders om het contract 2011 te bespreken. In dit gesprek zal ingegaan worden op continuering GEZ tot 1 juli 2011 aan de Stichting GHC Mathenesserlaan en continuering bij verzelfstandigingen. Tevens worden afspraken gemaakt over het verbetertraject betreffende contractvoorwaarden vastgelegd in eerder genoemde notitie. Deze afspraken moeten uitgewerkt worden in een plan van aanpak. Dit plan van aanpak zal medio februari aan Achmea aangeleverd moeten worden.'

2.16 Op 4 januari 2011 heeft de advocaat van [gedaagden] aan Achmea Zorg een e-mailbericht gestuurd met de navolgende inhoud:

'In aansluiting op ons telefoongesprek van vanmiddag doe ik u bijgaand toekomen de tekst van de dagvaarding die door de stichtingen Sprong GCOW en GCML is uitgebracht aan alle huisartsen en fysiotherapeuten van de gezondheidscentra

Oude Westen & Cool en Mathenesserlaan 309 te Rotterdam.

Wij bespraken dat de dagvaarding de nodige vragen oproept over de positie van Achmea in deze kwestie. Ik heb in het bijzonder de volgende punten met u besproken:

1. In alinea's 64 en 65 van de dagvaarding worden uw e-mail van 29 november en uw brief van 21 december jl. betiteld als respectievelijk het eerste en tweede "voorstel" van Achmea. U bevestigde mij dat, anders dan in de dagvaarding is aangegeven, alleen aan uw e-mail van 26 november jl. overleg met beide partijen heeft plaatsgevonden. Uw e-mail van 29 november jl., zo begreep ik van u, kwam tot stand na een telefoongesprek met [persoon E], waarin zij aangaf dat uw e-mail van 26 november jl. juridisch moeilijk uitvoerbaar zou zijn en deed zij suggesties ten aanzien van een (volgens haar) wel uitvoerbaar traject. In ons telefoongesprek van zojuist benadrukte u dat uw inventie slechts het karakter had van een poging tot bemiddeling en ook dat u geen jurist bent. U gaf aan dat u de inhoud van uw e-mails van 26 en 29 november jl. ook niet met de juridische afdeling van Achmea heeft afgestemd. Bij e-mail aan de heer Metz van 10 december jl. heeft u aangegeven dat u van verdere pogingen tot bemiddeling zou afzien.

2. De brieven van Achmea van 17 en 21 december jl. kunnen volgens u niet worden gezien als een voorstel van Achmea. U gaf aan dat in deze brieven een formele conclusie wordt verbonden aan de omstandigheid dat door de gezondheidscentra GCOW en GCML niet tijdig wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van GEZ-gelden in 2011. De deadline voor het voldoen aan deze voorwaarden was 1 januari jl., zo gaf u aan. Op mijn vraag of in deze brieven ook de individuele beroepsbeoefenaren worden aangesproken op het niet nakomen van verplichtingen uit de door elk van hen met Achmea gesloten overeenkomsten, antwoordde u ontkennend. Ook op mijn vraag of in de overeenkomst tussen Sprong en Achmea voor 2010 een verplichting is opgenomen voor het aanleveren van PIG-indicatoren ten behoeve van contractering voor 2011 gaf u een ontkennend antwoord. U gaf aan dat deze verplichting moet worden gezien in het licht van het zorginkoopbeleid voor 2011. Als men daarvoor in aanmerking wil komen, dient men aan die voorwaarde te voldoen.

3. In alinea 74 van de dagvaarding wordt ondermeer gesteld: "Achmea heeft ermee ingestemd een deel van de GEZ-gelden ook in januari aan de stichtingen te betalen onder de strikte voorwaarde dat er op korte termijn (i) door de beroepsbeoefenaren wordt voldaan aan de eisen in het eerste en tweede voorstel van Achmea of (ii) door de voorzieningenrechter duidelijkheid wordt gegeven.". Ik vroeg of deze passage correct is, aangezien cliënten van een dergelijke opstelling van Achmea niet op de hoogte zijn. U gaf aan dat de passage niet klopt. Wel is het zo, gaf u aan, dat [persoon E] Achmea om coulance heeft verzocht omdat de behandeling van het kort geding niet meer in 2010 kon plaatsvinden, maar Achmea heeft enige coulance zeker niet toegezegd. U benadrukte dat Achmea reeds als uitgangspunt geen contracteerplicht heeft en dat in het kader van het zorginkoopbeleid van Achmea formeel alle termijnen om in aanmerking te komen, zijn verstreken. U sloot niet uit dat Achmea zich alsnog coulant zou kunnen opstellen, maar een concrete toezegging daartoe is niet gedaan.

Ik heb vervolgens aangegeven dat, nu de dagvaarding onduidelijkheid doet rijzen over de positie van Achmea in dezen, het wellicht wenselijk is dat u of iemand anders namens Achmea de behandeling van het kort geding zal bijwonen, om desgevraagd het standpunt van Achmea toe te lichten. Als alternatief heb ik gevraagd of Achmea na kennisneming van de dagvaarding niet een schriftelijke verklaring kan afgeven, die in de procedure kan worden overgelegd, waarin het standpunt van Achmea eenduidig wordt verwoord. U gaf aan e.e.a. intern te zullen bespreken en daarop bij mij te zullen terugkomen.

Ik vertrouw erop hiermee ons telefoongesprek correct te hebben weergegeven. Als dat niet het geval is, verneem ik dat graag.'

2.17 Op dit e-mailbericht is door Achmea op 10 januari 2011 als volgt gereageerd:

'Heden morgen heb ik overleg gehad met onze juridische afdeling. In blauw treft u onze extra opmerkingen in uw e-mail aan.'

De betreffende opmerkingen van Achmea luiden als volgt. Ten eerste is in het hiervoor in punt 2.15. geciteerde e-mailbericht van de advocaat van [gedaagden] na punt 2 ingevoegd:

'NB de keuze voor de GEZ gelden is een vrijwillige, indien een rechtspersoon hiervoor opteert dan gelden de voorwaarden van PIG indicatoren.'

Vervolgens is na de eerste alinea van punt 3 vermeld:

' NB Achmea Zorg heeft geen wettelijke contracteer verplichting met betrekking tot GEZ gelden.'

Ten slotte is na de tweede alinea van punt 3 ingevoegd:

' Achmea staat buiten deze procedure en zal ook niet ter zitting verschijnen. In tegenstelling tot hetgeen u in uw e-mail stelt neemt Achmea een geheel eenduidig standpunt in zoals verwoord in de brieven van 23-11-2010 en 17-12-2010.'

Het geschil

Na eiswijziging vorderen de stichtingen dat de voorzieningenrechter:

Primair:

1. [gedaagden] zal verbieden de opzegging van de samenwerkingsovereenkomsten tussen de beroepsbeoefenaren en Stichting GCOW of Stichting GCML te effectueren, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per gedaagde voor iedere dag dat die gedaagde in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

2. [gedaagden] zal gebieden om de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomsten tussen de beroepsbeoefenaren en Stichting GCOW of Stichting GCML ook na 1 januari 2011 na te komen op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per gedaagde voor iedere dag dat die gedaagde in verzuim is met de nakoming van zijn/haar verplichtingen jegens Sichting GCOW of Stichting GCML;

3. [gedaagden] zal gebieden om met inachtneming van de gerechtvaardigde en redelijke belangen van de stichtingen in onderhandeling te treden over de beeindiging van de samenwerking en mee te werken aan een redelijke oplossing;

4. [gedaagden] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis, volledig en onverkort mee te werken aan het verstrekken van alle benodigde informatie, aan de stichtingen of aan een door hen aan te wijzen derde, benodigd om te kunnen voldoen aan de door Stichting GCOW en Stichting GCML gesloten overeenkomsten met Achmea ten behoeve van de GEZ-gelden, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per gedaagde voor iedere dag dat die gedaagde in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

Subsidiair:

5. een zodanige voorziening zal treffen als de voorzieningenrechter, met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van de stichtingen, geraden acht;

Primair en subsidiair:

met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding.

Het verweer van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vorderingen van de stichtingen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

Alle vorderingen van de stichtingen zijn gebaseerd op de stelling dat uit tussen partijen geldende samenwerkingsovereenkomsten verplichtingen voor [gedaagden] voortvloeien. De standpunten van partijen over het bestaan en de inhoud van die samenwerkingsovereenkomsten lopen uiteen. Zoals [gedaagden] echter terecht hebben opgemerkt, vloeit reeds uit de eigen stellingen van de stichtingen voort dat tussen Stichting Sprong en [gedaagden], tussen Stichting GCML en gedaagden sub 13 tot en met 20 alsmede tussen Stichting GCOW en gedaagden sub 1 tot en met 12 geen overeenkomst bestaat. Zonder nadere feiten of omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn, moet daarom worden geconcludeerd dat de stichtingen in zoverre geen geldig procesbelang hebben en niet ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vorderingen.

Bespreking van de vorderingen

Gelet op de vorderingen van de stichtingen en de daarop gegeven toelichting beogen de stichtingen met dit kort geding met name te bereiken dat de GEZ-gelden voor het jaar 2011 worden veiliggesteld, omdat zonder deze inkomsten het faillissement van de stichtingen dreigt. De voorzieningenrechter zal daarom eerst ingaan op sub 4 van de primaire vordering. Daarna zullen achtereenvolgens de primaire vorderingen sub 1, 2 en 3 en de subsidiaire vordering worden besproken.

Primaire vordering sub 4: verstrekken informatie t.b.v. GEZ-gelden

Deze vordering strekt ertoe [gedaagden] te veroordelen tot het verstrekken van de informatie die nodig is voor het verkrijgen van de GEZ-gelden voor het jaar 2011 door Stichting GCML en Stichting GCOW.

(Spoedeisend) belang

[gedaagden] heeft betwist dat het voor een voorziening in kort geding vereiste (spoedeisend) belang bij deze vordering aanwezig is.

De stichtingen hebben gesteld dat zij belang hebben bij het primair sub 4 gevorderde omdat anders faillissement van de stichtingen en gedwongen ontslag van medewerkers dreigt. De stichtingen gaan er daarbij kennelijk vanuit dat met de toewijzing van hun vorderingen in dit kort geding de uitbetaling van de GEZ-gelden 2011 verzekerd zal zijn. Zij baseren dit uitgangspunt op hun stelling dat Achmea ermee ingestemd heeft een deel van de GEZ-gelden in januari 2011 aan de stichtingen te betalen onder de voorwaarde dat er ofwel op korte termijn door de beroepsbeoefenaren wordt voldaan aan bepaalde eisen, waaronder het aanleveren van de PIG-indicatoren, ofwel door de voorzieningenrechter duidelijkheid wordt gegeven.

Uit de e-mailwisseling tussen de advocaat van [gedaagden] en Achmea d.d. 4 en 10 januari 2011 kan echter worden afgeleid dat de aanlevering van de PIG-indicatoren door de betrokken huisartsen niet de enige voorwaarde is om aanspraak op de GEZ-gelden te kunnen maken. Daarvoor gelden immers bepaalde basisvoorwaarden en, zoals [gedaagden] naar voren hebben gebracht, blijkt uit de transparantiebrief d.d. 1 juli 2010 dat de stichtingen GCML en GCOW op een niet onaanzienlijk aantal punten niet aan deze basisvoorwaarden voldoen. Weliswaar dateert de transparantiebrief van ruim een half jaar geleden maar de stichtingen hebben na de opmerking van [gedaagden] hierover niet gesteld dat het oordeel thans anders zou moeten luiden. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat nog altijd niet aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Bovendien betreft een van deze voorwaarden waaraan niet wordt voldaan de aanwezigheid van zogenaamde toetredingsovereenkomsten die tussen de beroepsbeoefenaren en Stichting GCML dan wel Stichting GCOW zouden moeten worden gesloten, iets waarover partijen nu juist geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de twee stichtingen (binnen afzienbare termijn) wel aan de voorwaarden zullen kunnen voldoen.

Daar komt nog bij dat de stichtingen formeel geen enkele aanspraak meer kunnen doen gelden omdat de daarvoor geldende termijnen inmiddels zijn verstreken. Het is niet uitgesloten dat Achmea in dit geval coulance zal betrachten, maar van enige toezegging van Achmea op dit punt is geen sprake.

Betwijfeld moet dan ook worden of toewijzing van de vorderingen van de stichtingen zou leiden tot uitbetaling van de GEZ-gelden aan de stichtingen.

4.10 Ook als er veronderstellenderwijs van uit zou moeten worden gegaan dat toewijzing van de vorderingen zou leiden tot uitbetaling van de GEZ-gelden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang onvoldoende is onderbouwd. De stichtingen hun stelling dat een faillissement dreigt op geen enkele manier geconcretiseerd. Niet duidelijk is wat de omvang van hun of het (financiële) belang is, en evenmin of, zoals [gedaagden] ter zitting hebben gesteld, er sprake is van vermogen waarop zou kunnen worden ingeteerd nu de beroepsbeoefenaren en de stichtingen niet samen verder gaan.

Vordering voor zover ingesteld tegen fysiotherapeuten niet toewijsbaar

4.11 Er vooralsnog vanuit gaande dat het vereiste (spoedeisend) belang aanwezig is, geldt dat de primaire vordering sub 4 hoe dan ook niet toewijsbaar is voor zover deze is ingesteld tegen de fysiotherapeuten. [gedaagden] heeft immers onbetwist gesteld dat de PIG-indicatoren uitsluitend uit de patiëntenadministratie van de huisartsen kunnen worden betrokken.

Grondslag van de vordering

4.12 [gedaagden] heeft betwist dat, zoals de stichtingen hebben gesteld, de betrokken huisartsen op basis van een tussen de betrokken partijen geldende overeenkomst gehouden zijn de door de stichtingen verlangde informatie te verstrekken. Op dit punt wordt als volgt overwogen.

Statuten 1979 en samenwerkingsovereenkomst 1983

4.13 Volgens de stichtingen vloeit de contractuele verplichting om de vereiste gegevens aan te leveren voor samenwerkingsverband GCML voort uit de statuten van Stichting GCML van 1979, en voor samenwerkingsverband GCOW uit de samenwerkingsovereenkomst 1983.

4.14 [gedaagden] heeft betwist dat de statuten van Stichting GCML als samenwerkingsovereenkomst kunnen worden beschouwd. Voorts wordt betwist dat de huisartsen en fysiotherapeuten die thans binnen GCML en GCOW werkzaam zijn allemaal als partij bij de volgens de stichtingen bestaande samenwerkingsovereenkomsten kunnen worden beschouwd.

4.15 Nog afgezien van deze door van Doorn c.s. opgeworpen vragen, is niet zonder meer duidelijk of nog betekenis kan worden toegekend aan de in 1979 en 1983 opgestelde documenten, gelet op de grote wijzigingen die nadien in de (financiering van de) eerstelijnsgezondheidszorg zijn doorgevoerd.

In ieder geval valt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, uit de beide documenten geen concrete verplichting tot het aanleveren van gegevens, zoals door de stichtingen gesteld, af te leiden. De stichtingen hebben ter onderbouwing van hun standpunt ook niet naar specifieke onderdelen van de samenwerkingsovereenkomst 1982 of van de statuten uit 1979 verwezen. De stichtingen hebben wel gesteld dat de inhoud van de samenwerking door de jaren heen geëvolueerd is. Zij hebben echter nagelaten concreet te stellen (en te onderbouwen) welke afspraken de partijen volgens hen op dit moment binden, en hoe en waar dit uit blijkt. In dit kort geding kan daarom onvoldoende worden vastgesteld of er (nog) rechten en plichten over en weer tussen partijen bestaan en hoe deze dan luiden. Aan het vereiste van artikel 6:227 BW, dat verbintenissen bepaalbaar moeten zijn, lijkt dan ook vooralsnog niet te worden voldaan. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen grond om op basis van de samenwerkingsovereenkomst 1983 of de statuten uit 1979 een (algemene) verplichting tot het verstrekken van gegevens zoals door de stichtingen gevorderd aan te nemen.

Toetredingsovereenkomsten

4.16 Nu ondanks daartoe strekkend overleg tussen de stichtingen GCML en GCOW en [gedaagden] ook geen zogenaamde toetredingsovereenkomsten zijn gesloten, moet worden vastgesteld dat van een concrete overeenkomst of afspraak omtrent het aanleveren van informatie ten behoeve van de verkrijging van GEZ-gelden geen sprake is.

Redelijkheid en billijkheid

4.17 Anders dan [gedaagden] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de relatie tussen partijen niet slechts als een huurder-onderhuurder(s) relatie kan worden gekarakteriseerd. In dit verband kan worden verwezen naar de producties van [gedaagden] die zien op de samenwerkingsvergoeding voor de fysiotherapeuten van samenwerkingsverband GCOW en de eveneens door [gedaagden] overgelegde verslagen van het in 2007 en 2008 met enige regelmaat gehouden 'toekomstoverleg'. Deze producties ondersteunen de stelling van de stichtingen GCML en GCOW dat zij zich onder meer bezig hielden met het beleid binnen de samenwerkingsverbanden.

Gegeven deze relatie tussen partijen, waarin kennelijk in de praktijk wel steeds in meer of mindere mate sprake is geweest van samenwerking en overleg, is in beginsel is denkbaar dat de eisen van de redelijkheid en de billijkheid met zich meebrengen dat [gedaagden] gehouden is medewerking te verlenen aan de verkrijging van de GEZ-gelden.

De voorzieningenrechter ziet echter onvoldoende grond om daar in dit kort geding van uit te gaan. In dit verband wordt het navolgende van belang geacht.

4.18 Door de wijzigingen in de financiering van de eerstelijnsgezondheidszorg is vanaf het jaar 2007 voor zowel de stichtingen als voor de beroepsbeoefenaren een nieuwe situatie ontstaan. Gelet op de financiële gevolgen hiervan mocht zowel van de stichtingen als van [gedaagden] worden verwacht dat zij met elkaar in overleg zouden treden en bij de vormgeving van de toekomstige samenwerking en het bepalen van hun verdere beleid rekening zouden houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Een dergelijk overleg heeft ook plaatsgevonden. Dit heeft echter niet geleid tot overeenstemming over de verdere samenwerking. Integendeel, de verwijdering tussen partijen is vanaf 2007 en in het bijzonder in het jaar 2010 alleen maar groter geworden.

4.19 De stellingen van de stichtingen komen er op neer dat [gedaagden] medewerking aan de aanvraag van GEZ-gelden niet kan weigeren omdat de stichtingen dan niet langer aan hun financiële verplichtingen zullen kunnen voldoen. Volgens de stichtingen wordt al vanaf 2006 onderhandeld over de te sluiten toetredingsovereenkomsten, zonder resultaat. Niet gesteld of gebleken is dat de stichtingen hebben erop hebben vertrouwd, en erop mochten vertrouwen, dat dergelijke toetredingsovereenkomsten uiteindelijk wel zouden worden gesloten. De stichtingen hadden er dan ook rekening mee moeten houden dat (na de overgangsperiode 2008-2009) wellicht geen aanspraak op de GEZ-gelden meer zou kunnen worden gemaakt. Indien zij dit niet of onvoldoende hebben gedaan, is dat niet de verantwoordelijkheid van [gedaagden]

4.20 Onder deze omstandigheden kunnen de stichtingen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid van [gedaagden] verlangen dat zij, zonder dat daarvoor een wettelijke of contractuele grondslag valt aan te wijzen, hun medewerking verlenen aan het verkrijgen van de GEZ-gelden door de stichtingen. Dit geldt temeer nu [gedaagden] onbetwist heeft gesteld dat de prestatie waar de GEZ-gelden tegenover staan door de beroepsbeoefenaren en niet door de stichtingen moeten worden geleverd, zodat voor hen sprake is van extra administratieve lasten, en in dit kort geding niet duidelijk is geworden welk (financieel) voordeel [gedaagden] daarbij hebben.

4.21 De stichtingen hebben nog naar voren gebracht dat partijen zich tot het jaar 2010 als volwaardige contractspartners hebben opgesteld en dat [gedaagden] in het jaar 2009 wel hebben meegewerkt aan het aanleveren van de PIG-indicatoren, maar deze stellingen zijn door [gedaagden] uitdrukkelijk betwist en door de stichtingen niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat dan ook aan deze stellingen voorbij.

4.22 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat van een deugdelijke grondslag voor de door de stichtingen gestelde verplichting van [gedaagden] tot het aanleveren van gegevens geen sprake is. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder het kopje 'Redelijkheid en billijkheid' is overwogen, wordt de weigering van [gedaagden] om de betreffende gegevens aan te leveren ook niet onrechtmatig geacht.

Sub 4 van de primaire vordering van de stichtingen dient reeds hierom te worden afgewezen.

Primaire vordering sub 1: verbod effectueren opzegging van de samenwerkingsovereenkomsten

4.23 De stichtingen vorderen dat het [gedaagden] zal worden verboden de opzegging van de samenwerkingsovereenkomsten tussen de beroepsbeoefenaren en Stichting GCML of Stichting GCOW te effectueren, zulks op straffe van een dwangsom.

4.24 Ten aanzien van het samenwerkingsverband GCML geldt het volgende.

Uit de eigen stellingen van de stichtingen (met name punt 50 van de dagvaarding) vloeit voort dat van opzegging van een samenwerkingsovereenkomst door de beroepsbeoefenaren van dit samenwerkingsverband geen sprake kan zijn. Zij hebben volgens de stichtingen immers juist steeds het standpunt ingenomen dat van een samenwerkingsovereenkomst in het geheel geen sprake is. Aangezien een nadere toelichting van de stichtingen met betrekking tot GCML ontbreekt, is daarmee onduidelijk wat onder het 'effectueren van de opzegging' moet worden verstaan. Daarmee is tevens onvoldoende omlijnd waartoe de huisartsen en fysiotherapeuten van GCML bij toewijzing van de vordering zouden worden veroordeeld. De vordering jegens de beroepsbeoefenaren van GCML komt reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

4.25 Ten aanzien van het samenwerkingsverband GCOW overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Bij brief van 2 september 2010 hebben de huisartsen en de fysiotherapeuten van het samenwerkingsverband GCOW de samenwerkingsovereenkomst 1983 opgezegd, dit 'voor de goede orde en slechts voor zover de samenwerkingsovereenkomst 1983 ook thans nog enig rechtsgevolg zou hebben'. Ook hier is door de huisartsen en fysiotherapeuten betwist dat er (nog) een geldige samenwerkingovereenkomst bestaat. Voor wat betreft de concrete verplichtingen die (thans nog) uit de samenwerkingsovereenkomst zouden voortvloeien hebben de stichtingen slechts de vermeende verplichting tot het verlenen van medewerking aan de aanvraag van GEZ-gelden genoemd. Nu, zoals hiervoor overwogen, die verplichting in dit kort geding niet is komen vast te staan, heerst ook hier onduidelijkheid over de vraag wat het 'effectueren van de opzegging' precies inhoudt. Bij gebreke van deze duidelijkheid kan ook de vordering jegens de beroepsbeoefenaren van GCOW niet worden toegewezen.

Primaire vordering sub 2: gebod nakomen samenwerkingsovereenkomsten

4.26 De primaire vordering sub 2 strekt ertoe dat de voorzieningenrechter [gedaagden] zal gebieden de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomsten na te komen.

4.27 Deze vordering stuit reeds af op het feit dat de stichtingen, gelet op de betwisting door [gedaagden], in dit kort geding niet duidelijk hebben gemaakt om welke concrete verplichtingen het hier zou gaan. De vordering kan voorts niet slagen omdat uit het hiervoor overwogene volgt dat voorshands niet zonder meer aannemelijk is dat (nog) samenwerkingsovereenkomsten bestaan.

Primaire vordering sub 3: gebod in onderhandeling treden over beëindiging samenwerking

4.28 De stichtingen vorderen hier dat de voorzieningenrechter [gedaagden] zal gebieden om in onderhandeling te treden over de beëindiging van de samenwerking en mee te werken aan een redelijke oplossing.

4.29 Nu de door de stichtingen in algemene termen gestelde samenwerking door [gedaagden] is betwist en deze samenwerking door de stichtingen niet nader is toegelicht of geconcretiseerd, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld wat precies onder de 'beëindiging van de samenwerking' moet worden verstaan. Dit staat aan toewijzing van de vordering in de weg.

4.30 Daarbij komt nog het volgende. Uit punt 79 van de dagvaarding kan worden afgeleid dat de stichtingen onder 'redelijke oplossing' verstaan dat men moet komen tot samenwerkingsverbanden zonder Stichting GCML en GCOW die voldoen aan de door Achmea gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de GEZ-gelden. Bij de bespreking van de primaire vordering sub 4 is echter al overwogen dat die vordering moet worden afgewezen omdat er naar voorlopig oordeel geen verplichting bestaat voor [gedaagden] om mee te werken aan de aanvraag van GEZ-gelden. Ook de vordering sub 3 zal derhalve worden afgewezen.

Subsidiaire vordering: voorziening die de voorzieningenrechter geraden acht

4.31 De stichtingen vorderen - subsidiair - het treffen van een zodanige voorziening als de voorzieningenrechter geraden acht. De voorzieningenrechter ziet hiertoe, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, echter geen aanleiding. Ten overvloede zij hier nog aan toegevoegd dat deze vordering bovendien onvoldoende bepaalbaar is.

Conclusie

4.32 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen van de vorderingen toewijsbaar is. De stichtingen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht EUR 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.074,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart Stichting Sprong niet ontvankelijk in haar vorderingen;

verklaart Stichting Gezondheidscentrum Mathenesserlaan 309 niet ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze tegen gedaagden sub 13 tot en met 20 zijn ingesteld;

verklaart Stichting Eerstelijns Samenwerkingsverband Oude Westen en Cool niet ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze tegen gedaagden sub 1 tot en met 12 zijn ingesteld;

wijst af de vorderingen van Stichting Gezondheidscentrum Mathenesserlaan 309 tegen gedaagden sub 1 tot en met 12 alsmede de vorderingen van Stichting Eerstelijns Samenwerkingsverband Oude Westen en Cool tegen gedaagden sub 13 tot en met 20,

veroordeelt de stichtingen hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.074,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2011 in tegenwoordigheid van mr. H.J. Wieman-Bart.?

21712009

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

369040 / KG ZA 10-1246

21 januari 2011