Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP1975

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10/661122-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV4044, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijke afloop.

Snelheidsovertreding van tenminste 48 km/u onder de gegeven omstandigheden geen roekeloos rijgedrag.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 179
Wegenverkeerswet 1994 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/661122-10

Datum uitspraak: 25 januari 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum[ te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kardol heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- verbeurdverklaring van een auto, merk Honda, type Civic, kenteken 28-HGZ-1.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij op 01 april 2010 te Spijkenisse als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groene Kruisweg, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 80 km/uur) heeft gereden

terwijl verdachte ter plaatse bekend was ,

en

zonder snelheid te minderen en terwijl het toen duister was en twee lichtmasten van de openbare straatverlichting geen licht uitstraalden en het zicht op de kruising tussen de Groene Kruisweg en het parkeerterrein van een aldaar gelegen bioscoop beperkt was,

voormelde kruising is genaderd op het moment dat fietsers doende waren de door verdachte bereden rijbaan via een fietseroversteekplaats over te steken

en

door die veel te hoge snelheid niet de handelingen heeft verricht of heeft kunnen verrichten die van hem, verdachte, werden verwacht, te weten zijn voertuig tot stilstand te brengen over de afstand waarover hij die weg, de Groene Kruisweg kon overzien en waarover deze vrij was

en

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zijn, verdachtes snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Groene Kruisweg en voormelde kruising kon overzien en waarover deze vrij was

en vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met één van die genoemde fietsers, waardoor die fietser, genaamd [slachtoffer], werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een aan verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] werd gedood. Samenvattend onderbouwt de officier van justitie haar standpunt door vast te stellen dat de verdachte de kruising heeft genaderd met een snelheid tussen 130 km/u en 138 km/u, terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 80 km/u was toegestaan. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er ter plaatse van het ongeval een kruising was en dat er eerder wegwerkzaamheden waren geweest. De verdachte heeft voorts verklaard dat de kruising niet goed was verlicht. Deze omstandigheden maken dat de verdachte alert had moeten zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat hoge snelheid het risico op een ongeluk vergroot. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Door onder deze omstandigheden met voornoemde snelheid het kruispunt te naderen en geen snelheid terug te nemen, heeft de verdachte bewust een risico genomen waardoor een ongeluk kon worden veroorzaakt. De verdachte heeft dit risico lichtzinnig terzijde geschoven op het moment dat hij met deze snelheid bleef rijden, terwijl hij een donker, niet overzichtelijk kruispunt naderde. Dat de verdachte op zeer lichtzinnige wijze ervan is uitgegaan dat het risico van ernstige gevolgen zich niet zouden realiseren, blijkt ook uit de omstandigheid dat de verdachte al eerder zijn aandacht niet op de weg heeft gehad. Ook heeft de verdachte zich eerder schuldig gemaakt aan forse snelheidsovertredingen. Op basis van het vorenstaande concludeert de officier van justitie dat sprake is van roekeloos rijgedrag.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte de kruising heeft genaderd met een snelheid tussen 130 km/u en 138 km/u. Op verzoek van de verdediging heeft een contra-expertise plaatsgevonden. Hieruit is naar voren gekomen dat de gereden snelheid lager heeft gelegen. De deskundige van de Technische- en Ongevallendienst van de politie Rotterdam-Rijnmond onderschrijft een deel van de bevindingen en heeft een nieuwe berekening gemaakt. Ook hieruit is naar voren gekomen dat de gereden snelheid lager heeft gelegen. Bij het ongeluk heeft meegespeeld dat de kruising niet volgens de richtlijnen was opgeleverd. Er waren geen stoplichten aanwezig, een deel van de lichtmasten werkten niet en er waren geen waarschuwingsborden geplaatst. De verdachte was met deze nieuwe situatie niet bekend. Gezien vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte roekeloos heeft gereden. Hoogstens kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent de gereden snelheid van de verdachte als volgt.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van de politie Rotterdam-Rijnmond van 21 april 2010. In het proces-verbaal staat beschreven welke remsporen zijn aangetroffen. In de remsporen zijn twee onderbrekingen aangetroffen. Bij de eerste onderbreking zou het slachtoffer op de auto van de verdachte hebben gelegen. Dit verhoogde de neerwaartse druk op de banden, waardoor de banden op dat moment niet of minder aftekenden. Tijdens deze onderbreking is er wel geremd.

Bij de tweede onderbreking zou het linkervoorwiel een trottoirband hebben geraakt, waardoor de band zich niet op het wegdek heeft afgetekend. Er is wel sprake geweest van remvertraging, maar niet is vast te stellen hoe hoog deze was. Bij het berekenen van de gereden snelheid is geen rekening gehouden met de energie die verloren is gegaan in de botsing met de fietser, de trottoirband en de tweede onderbreking. Geconcludeerd wordt dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die heeft gelegen tussen 130 km/u en 138 km/u.

Op grond van deze conclusie heeft op verzoek van de verdediging een contra-expertise plaatsgevonden. Deze is uitgevoerd door Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse. In een rapport van 8 december 2010 wordt geconcludeerd dat het slachtoffer bij de eerste onderbreking niet op de auto heeft gelegen, nu er sprake was van een deels schampbotsing. Er kan daarom niet worden gesproken van een aanmerkelijke neerwaartse druk over een afstand van 13 meter. Bij de eerste onderbreking dient ook rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zijn rem kort heeft losgelaten en daarna weer heeft ingetrapt. In het rapport staat voorts vermeld dat bij de tweede onderbreking sprake is geweest van een geblokkeerde remming van het linkervoorwiel nadat deze in aanraking was gekomen met de trottoirband. Deze gegevens dienen als correctie in de berekening van de snelheid te worden meegenomen. Op grond van vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die heeft gelegen tussen 116 km/u en 126 km/u.

In een aanvullend proces-verbaal van de hiervoor genoemde Technische- en Ongevallendienst van 10 januari 2011 staat beschreven dat de fietser in de flank is aangereden. Gelet op de schade aan de auto is de fietser met de voorbumper, de motorkap, de A-stijl, de voorruit en het dak in aanrakingen gekomen. Er is derhalve wel degelijk sprake geweest van neerwaartse druk. Gelet op de reactiesnelheid is het zeer onwaarschijnlijk dat de verdachte tijdens deze onderbreking zijn rem los heeft gelaten en daarna weer heeft ingetrapt. De onderbreking kan derhalve worden meegenomen bij het berekenen van de snelheid. Voorts staat vermeld dat een remvertraging met betrekking tot de tweede onderbreking niet kan worden vastgesteld en dat een correctie van 1 meter per seconde in verband met een remvertraging door een lek/blokkerend linker voorwiel reëel is. Op grond van vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die heeft gelegen tussen 128 km/u en 137 km/u.

Gezien de bevindingen omtrent de toedracht van het ongeval, welke worden ondersteund door foto’s van onder meer de schade aan de auto van de verdachte, van de remsporen op het wegdek en van de verkeerssituatie ter plaatse, en de consistentie van de weergave hiervan in het proces-verbaal van 21 april 2010 en het aanvullend proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst van 10 januari 2011 is de rechtbank van oordeel dat er een correctie dient te worden toegepast in verband met een remvertraging door een lek dan wel blokkerend linker voorwiel aan de auto van de verdachte. De rechtbank stelt dan ook op grond van het aanvullende proces-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst vast dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die heeft gelegen tussen 128 km/u en 137 km/u.

De rechtbank overweegt voorts dat in het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) dient te worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden of ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de WVW houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van ‘schuld’ te kunnen komen. Het komt daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Vast is komen te staan dat de verdachte vaker op de Groene Kruisweg heeft gereden. De verdachte kende de kruising tussen de Groene Kruisweg en het parkeerterrein van een aldaar gelegen bioscoop. Op enig moment heeft hij gezien dat daar wegwerkzaamheden waren. Op het moment van de aanrijding was de kruising opgeleverd, met dien verstande dat op dat moment nog geen stoplichten waren geplaatst, een deel van de lichtmasten - in de middenberm ter hoogte van de nieuw aangelegde fietsersoversteekplaats - niet werkten en er geen waarschuwingsborden waren geplaatst.

Door de rechtbank is reeds vastgesteld dat de verdachte de maximaal toegestane snelheid aanzienlijk, te weten met tenminste 48 km/u, heeft overschreden. De verdachte heeft zonder snelheid te minderen de kruising genaderd. Toen de verdachte zag dat twee fietsers doende waren de kruising over te steken, kon hij door zijn veel te hoge snelheid zijn voertuig niet tijdig tot stilstand te brengen. De verdachte is zodoende tegen één van de fietser aangereden. De fietser is ten gevolge van deze aanrijding overleden.

Dit gedrag, in het bijzonder het excessief te hard rijden op een plaats waar ook zwakkere verkeersdeelnemers kunnen worden verwacht, is onder genoemde omstandigheden in strijd met de verkeersnormen en wordt aangemerkt als zeer onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag, hetgeen schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW.

Als schuld in de zin van artikel 6 van de WVW bestaat uit roekeloosheid gelden ingevolge de wet hogere maximumstraffen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij roekeloosheid sprake moet zijn van ‘een of meer gedragingen van de dader […] die erop duiden dat door hem welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen’, van ‘bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren’. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte welbewust risico’s heeft genomen en deze risico’s zeer lichtzinnig uitgesloten heeft geacht. Dit blijkt niet uit de verklaringen van de verdachte noch uit zijn verkeersgedrag onder de vastgestelde omstandigheden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte niet wist van de gewijzigde verkeerssituatie, waaronder de aangelegde fietsersoversteekplaats die er voorheen niet was, dat juist ter plaatse van die fietsersoversteekplaats twee lichtmasten niet werkten en dat de verkeerslichtinstallatie ter plaatse van de kruising - waar voorheen een t-splitsing was – nog niet volledig was geplaatst en daarom niet werkte. De verdachte zal derhalve van dit onderdeel worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander wordt gedood.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich door zijn rijgedrag schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersongeval. De verdachte heeft met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan een kruising genaderd. Op dat moment staken het slachtoffer en haar vriendin fietsend de kruising over. De verdachte heeft vanwege zijn te hoge snelheid het slachtoffer en haar vriendin te laat opgemerkt en is, omdat hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen, tegen het slachtoffer aangereden. Het slachtoffer is ten gevolge van deze aanrijding overleden.

Bij de nabestaanden is sprake van groot en onherstelbaar leed, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken toen de moeder van het slachtoffer een verklaring heeft voorgelezen. Sinds het ongeval is het leven van de nabestaanden ingrijpend veranderd. De gebeurtenis heeft hen ongelofelijk veel pijn gedaan en doet dat nog steeds. Geen enkele straf zal het leed van de nabestaanden kunnen verzachten. Het ongeval heeft daarnaast ook een grote impact gehad op degenen die daarvan getuige waren en hen die daarover hebben gelezen.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met een bestraffing door middel van een onvoorwaardelijke straf. Mede gezien de impact die het feit heeft op de verdachte en de gevolgen hiervan ook op zijn leven, ziet de rechtbank aanleiding dit onvoorwaardelijk deel op te leggen als een taakstraf in de vorm van een werkstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast wordt de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. Het belang van de algemene verkeersveiligheid is er mee gediend dat de verdachte gedurende enige tijd niet als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deelneemt.

De rechtbank heeft kennis genomen van een advies van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 30 juli 2010. In het rapport wordt het recidiverisico ingeschat als laag. De Stichting Reclassering Nederland adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en het afronden van zijn behandeling bij de psycholoog.

Nu de rechtbank een mindere mate van schuld bewezen acht dan de officier van justitie en het recidiverisico blijkens het reclasseringsadvies wordt ingeschat op laag, ziet de rechtbank aanleiding van de eis van de officier van justitie en het advies van de reclassering af te wijken. Gebleken is dat de verdachte op vrijwillige basis zijn contacten met en behandeling bij de psycholoog heeft voortgezet en daarvoor ook gemotiveerd is. De rechtbank ziet verder geen meerwaarde voor de verdachte in een reclasseringscontact.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen auto, merk Honda, type Civic, kenteken 28-HGZ-1, verbeurd te verklaren.

Nu het bewezen feit met voornoemde auto is begaan, zal deze worden verbeurd verklaard.

Die verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 9, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 148 (honderdachtenveertig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 74 dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf:

een auto, merk Honda, type Civic, kenteken 28-HGZ-1.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Verweij en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van Rijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 25 januari 2011:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij op of omstreeks 01 april 2010 te Spijkenisse als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groene Kruisweg, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een snelheid die ten minste heeft gelegen tussen de 130 en 138 km/uur, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 80 km/uur) heeft gereden

en/of

terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of op de hoogte was van de gewijzigde omstandigheden aldaar,

en/of

zonder snelheid te minderen en/of terwijl het toen duister was en/of twee lichtmasten van de openbare straatverlichting geen licht uitstraalden en/of het zicht op de kruising tussen de Groene Kruisweg en het parkeerterrein van een aldaar gelegen bioscoop beperkt was,

voormelde kruising is genaderd en/of opgereden op het moment dat één of meer fietsers doende waren de door verdachte bereden rijbaan via een fietseroversteekplaats over te steken

en/of

door die veel te hoge snelheid niet de handelingen heeft verricht of heeft kunnen verrichten die van hem, verdachte, werden verwacht, te weten zijn voertuig tot stilstand te brengen over de afstand waarover hij die weg, de groene Kruisweg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekend 1990, zijn, verdachtes snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Groene Kruisweg en/of voormelde kruising kon overzien en waarover deze vrij was

en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met één van die genoemde fietsers, waardoor die fietser, genaamd [slachtoffer], werd gedood

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 april 2010 te Spijkenisse als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdend op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Groene Kruisweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij (verdachte) toen daar,

met een snelheid die ten minste heeft gelegen tussen de 130 en 138 km/uur, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 80 km/uur) heeft gereden

en/of

terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of op de hoogte was van de gewijzigde omstandigheden aldaar,

en/of

zonder snelheid te minderen en/of terwijl het toen duister was en/of twee lichtmasten van de openbare straatverlichting geen licht uitstraalden en/of het zicht op de kruising tussen de Groene Kruisweg en het parkeerterrein van een aldaar gelegen bioscoop beperkt was,

voormelde kruising is genaderd en/of opgereden op het moment dat één of meer fietsers doende waren de door verdachte bereden rijbaan via een fietseroversteekplaats over te steken

en/of

door die veel te hoge snelheid niet de handelingen heeft verricht of heeft kunnen verrichten die van hem, verdachte, werden verwacht, te weten zijn voertuig tot stilstand te brengen over de afstand waarover hij die weg, de groene Kruisweg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekend 1990, zijn, verdachtes snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Groene Kruisweg en/of voormelde kruising kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met één van die genoemde fietsers