Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP1894

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
356374 - HA ZA 10-1846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot tussenkomst. De Staat heeft met een ontnemingsvordering voldoende belang om te mogen tussenkomen in een door de Ontvanger tegen gedaagden aangespannen procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2011/39
FutD 2011-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 356374 / HA ZA 10-1846

Uitspraak: 5 januari 2011

VONNIS van de enkelvoudige kamer in het incident

inzake het verzoek tot tussenkomst van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Justitie),

zetel houdende te Den Haag,

eiser in het incident,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek,

in de zaak van:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIJNMOND

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.C.G. Vestjens,

- tegen -

1. [verweerder sub 1],

wonende te Azar (Azerbeidzjan),

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

niet verschenen,

2. [verweerster sub 2],

wonende te Bakü (Azerbeidzjan),

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

niet verschenen,

3. [verweerder sub 3],

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. P.A.R. Dijkers.

Partijen in het incident worden hierna aangeduid als “de Staat”, “de Ontvanger” en “verweerder sub 1”, “verweerster sub 2” en “verweerder sub 3”.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- exploot van dagvaarding d.d. 8 maart 2010;

- akte overlegging producties d.d. 16 juni 2010;

- incidentele conclusie tot tussenkomst met producties;

- betekenings/oproepingsexploot d.d. 16 juli 2010 van de Staat jegens

verweerders sub 1 en 2;

- conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van de Ontvanger;

- conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van verweerder sub 3.

2. Het geschil

In de hoofdzaak

2.1. De Ontvanger heeft gevorderd verweerder sub 3 te veroordelen te dulden dat de Ontvanger de op 20 november 2008 en 2 november 2009 ten laste van verweerder sub 1 gelegde executoriale beslagen op de onroerende zaak van verweerders sub 1 en 2 vervolgt en de onroerende zaak uitwint voor de belastingschulden van verweerder sub 1, zonder dat verweerder sub 3 daarbij uit de executieopbrengst wordt voldaan. Daarnaast heeft de Ontvanger gevorderd verweerder sub 3 te veroordelen de hypothecaire inschrijving op de woning van verweerders sub 1 en 2 met registratiekenmerk “Hyp3 deel 51360 nummer 49” te doen doorhalen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag en de Ontvanger te machtigen de hypothecaire inschrijving te doen doorhalen met veroordeling van verweerders in de kosten van het geding.

2.2. De Ontvanger heeft hieraan - verkort weergegeven en voor zover van belang in het incident - het volgende ten grondslag gelegd.

2.3. Verweerder sub 1 en verweerder sub 2 zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Verweerder sub 3 is de broer van verweerder sub 1.

2.4. Bij vonnis d.d. 12 februari 2009 is verweerder sub 1 door de rechtbank veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie en handel in cocaïne en drugs in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2006 en in de periode van 1 juli 2006 tot en met 10 juli 2007.Verweerster sub 2 is eveneens bij vonnis d.d. 12 februari 2009 door de rechtbank veroordeeld voor dezelfde feiten, waarbij de periode is beperkt tot 1 juli 2006 tot en met 10 juli 2007.

2.5. Verweerders sub 1 en 2 wonen op dit moment in Azerbeidzjan.

2.6. Verweerders sub 1 en 2 hebben de opbrengsten uit de drugshandel witgewassen. Bij vonnis van 12 februari 2009 is de zus van verweerder sub 1 veroordeeld voor het witwassen van gelden afkomstig uit de drugshandel van verweerder sub 1. Hierbij werd gebruik gemaakt van Turkse bankrekeningen.

2.7. Verweerder sub 1 heeft zijn inkomsten uit de drugshandel niet vermeld in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2005. De Ontvanger heeft daarom aan hem een aanslag inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2007 van € 3.154.196,- opgelegd.

2.8. In de periode van 2006 tot 2007 hebben verweerders sub 1 en 2 een perceel grond gekocht en daarop een huis laten bouwen voor een totaalbedrag van € 640.913,- . De woning is gelegen te Rotterdam.

2.9. De Ontvanger heeft op 20 november 2008 en 2 november 2009 executoriaal beslag op de woning doen leggen.

2.10. Nadat het executoriaal beslag op 20 november 2008 was gelegd, bleek dat op de woning een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van verweerder sub 3. Volgens de hypotheekakte zou verweerder sub 3 aan verweerder sub 1 en 2 een bedrag van € 600.000,- als geldlening hebben verstrekt. Het hypotheekrecht dient als zekerheid voor de terugbetaling van de geldlening plus rente en kosten.

2.11. Het is niet aannemelijk dat verweerders sub 1 en 2 een bedrag van € 600.000,- hebben geleend van verweerder sub 3 om de volgende redenen: (i) verweerster sub 2 heeft op 12 juli 2007 tegenover de politie verklaard dat de woning is betaald van het geld dat verweerder sub 1 heeft verdiend met de handel in drugs, (ii) het netto inkomen van verweerder sub 3 bedroeg in de jaren 2002 tot en met 2005 € 18.790,75 per jaar zodat niet aannemelijk is dat hij in staat was om aan verweerders sub 1 en 2 een lening van € 600.000,- te verstrekken en (iii) verweerder sub 3 heeft blijkens zijn aangiften inkomstenbelasting een hypotheekschuld van € 166.353,- met betrekking tot zijn eigen woning.

2.12. De koopsom voor de grond en de termijnen van de aanneemsom zijn weliswaar betaald vanuit een bankrekening die op naam van verweerder sub 3 staat, maar uit onderzoek is gebleken dat de betalingen vanuit deze rekening enkel konden worden verricht omdat steeds grote bedragen contant werden gestort of van een Turkse bankrekening werden overgemaakt. In totaal is een bedrag van € 199.398 contant gestort en een bedrag van

€ 441.515 overgemaakt van de Turkse bankrekeningen. Het ligt voor de hand dat deze bedragen afkomstig zijn van verweerder sub 1.

2.13. Tegen de achtergrond van deze feiten heeft de Ontvanger aangevoerd dat van een daadwerkelijke financiering van verweerders sub 1 en 2 door verweerder sub 3 geen sprake is zodat bij gebreke van verzekerde verplichtingen er geen hypotheekrecht ten gunste van verweerder sub 3 bestaat. Het gevolg hiervan is dat de Ontvanger de vordering kan verhalen op de woning van verweerder sub 1 en 2 zonder dat verweerder sub 3 zich hiertegen kan verzetten.

2.14. Subsidiair heeft de Ontvanger aangevoerd dat het samenstel van rechtshandelingen rondom de hypotheekverlening paulianeus is in de zin van artikel 3:45 Burgerlijk Wetboek (BW), danwel dat verweerders onrechtmatig jegens de Ontvanger als schuldeiser hebben gehandeld door ervoor te zorgen dat de Ontvanger geen verhaal meer kan nemen voor zijn vordering. De Ontvanger heeft de rechtshandelingen van lenen, doorlenen, bedingen hypotheekrecht, vestigen hypotheekrecht met een beroep op artikel 3:45 BW vernietigd.

In het incident

2.15. De Staat vordert te worden toegelaten als tussenkomende partij in de procedure in de hoofdzaak.

2.16. De Staat heeft aan deze vordering in aanvulling op de hiervoor weegegeven stellingen van de Ontvanger in de hoofdzaak - verkort weergegeven en voor zover van belang in het incident - het volgende ten grondslag gelegd.

2.17. In verband met het strafrechtelijk onderzoek naar verweerders sub 1 en 2 heeft de rechter-commissaris te Rotterdam op 12 oktober 2007 aan de officier van justitie machtiging verleend om conservatoir beslag ex artikel 94a jo 103 Wetboek van Strafvordering (Sv) te leggen op de woning van verweerders sub 1 en 2 om het verhaal van een in de toekomst op te leggen ontnemingsmaatregel veilig te kunnen stellen. Daarbij is de vordering van de Staat begroot op € 600.000,-.

2.18. Vervolgens is op 30 oktober 2007 op bevel van de officier van justitie beslag gelegd op de onverdeelde helft van de woning van verweerder sub 1. Op 3 juni 2010 is ten laste van verweerder sub 1 conservatoir beslag gelegd op de gehele woning.

2.19. Door de rechter-commissaris is op 26 oktober 2007 een machtiging tot opening van een strafrechtelijk financieel onderzoek in de zin van artikel 126 lid 3 Sv verleend teneinde inzicht te verkrijgen in het door de Staat gestelde wederrechtelijk verkregen vermogen van verweerder sub 1. De ontnemingszaak bevindt zich op dit moment in de rapportagefase.

2.20. De Staat heeft belang bij uitwinning van de woning van verweerders sub 1 en 2 omdat de Staat toekomstig schuldeiser is van verweerder sub 1 vanwege de in de toekomst op te leggen ontnemingsmaatregel in de zin van artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr).

2.21. De Ontvanger heeft geen bezwaar tegen het verzoek tot tussenkomst.

2.22. Verweerder sub 3 heeft het verzoek van de Staat gemotiveerd betwist en afwijzing van het verzoek gevorderd.

3. De beoordeling in het incident

3.1. De rechtbank stelt voorop dat het incident er niet toe dient om een inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen de Staat enerzijds en verweerder sub 3 anderzijds te geven. Beoordeeld dient te worden of de Staat in de zin van artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een belang heeft bij het tussen de Ontvanger en verweerders sub 1 tot en met 3 aanhangige geding.

3.2. Bij de uitleg van het begrip “belang” neemt de Hoge Raad (HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313) tot uitgangspunt dat de verzoekende partij een (voldoende) belang dient te hebben bij tussenkomst om benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen.

3.3. De Staat heeft aangevoerd dat hij een belang heeft om tussen te komen in de procedure tussen de Ontvanger en verweerders omdat de Staat een vordering wenst in te stellen tot vernietiging van het hypotheekrecht van verweerder sub 3 op de woning van verweerders sub 1 en 2 althans het samenstel van de rechtshandelingen rondom de vestiging van dit hypotheekrecht. Aangezien een tussen de Ontvanger en verweerders gewezen vonnis alleen gezag van gewijsde heeft tussen deze partijen en de actio pauliana relatieve werking heeft, heeft de Staat belang om een eigen vordering jegens verweerders in te stellen.

Als de Staat daartoe niet in de gelegenheid wordt gesteld, bestaat de kans op feitelijke benadeling van de Staat. Immers, als de Ontvanger tot uitwinning van de woning overgaat, terwijl het hypotheekrecht ten gunste van verweerder sub 3 in de verhouding met de Staat nog niet is vernietigd, dan wordt de Staat in zijn verhaalspositie benadeeld omdat de Staat het hypotheekrecht voor zich moet dulden. Volgens de Staat vormt de omstandigheid dat er nog geen ontnemingsmaatregel in de zin van artikel 36e Sr is opgelegd, geen beletsel voor het thans inroepen van de actio pauliana op grond van artikel 94d Sv jo artikel 3:45 BW.

3.4. Verweerder sub 3 heeft betoogd dat de Staat geen belang heeft bij de uitwinning van de woning van verweerders sub 1 en 2 omdat de Staat (nog) geen schuldeiser is, nu de Staat geen ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr jegens verweerder sub 1 heeft ingesteld en aan hem de ontnemingsmaatregel nog niet is opgelegd. Aangezien de Staat geen schuldeiser van verweerder sub 3 is, kan de Staat zich jegens verweerder sub 3 niet beroepen op artikel 3:45 BW.

3.5. De rechtbank oordeelt als volgt.

3.6. Tussen partijen staat vast dat de ontnemingsvordering jegens verweerder sub 1 nog niet is ingesteld. Uit de tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis volgt dat de vordering van de Staat eerst ontstaat door de oplegging van de maatregel van artikel 36e Sr door de rechter (MvT TK 1989-1990, 21 504, nr. 3 p. 24).

3.7. Op grond van het bepaalde in artikel 94d lid 1 Sv jo artikel 3:45 BW kan de officier van justitie namens de Staat de nietigheid inroepen van een door een verdachte of veroordeelde onverplicht verrichte rechtshandeling die benadeling van de Staat als schuldeiser tot gevolg heeft en waarvan de schuldenaar ten tijde van het verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de Staat als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.

3.8. Ingevolge artikel 552c Sv is de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van geschillen over de toepassing van de bevoegdheden die het Openbaar Ministerie uit hoofde van artikel 94d Sv toekomen.

3.9. Blijkens de tekst van artikel 94d Sv en de parlementaire geschiedenis kan de actio pauliana door de officier van justitie worden ingesteld voorafgaande aan een veroordeling of oplegging van de ontnemingsmaatregel (MvT 21 504 p.26 e.v. en p. 55). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de officier van justitie er belang bij kan hebben op voorhand een oordeel te krijgen over de vernietigbaarheid van de rechtshandeling, teneinde, bij een afwijzend oordeel, te kunnen omzien naar andere verhaalsobjecten. Hieruit kan worden afgeleid dat deze actio pauliana kan worden ingesteld voordat de vordering is ontstaan, terwijl zelfs onzeker is of die zal ontstaan en tot welke hoogte.

3.10. Gezien het voorgaande kan de Staat worden ontvangen in de vordering tot vernietiging van het hypotheekrecht van verweerder sub 3 op de woning van verweerders sub 1 en 2 althans het samenstel van de rechtshandelingen rondom de vestiging van dit hypotheekrecht, zelfs al is de ontnemingsvordering jegens verweerder sub 1 nog niet ingesteld. De Staat heeft, mede gelet op de relatieve werking van artikel 3:45 BW, een eigen recht dat zij ook in een zelfstandig geding geldend zou kunnen maken. Hiermee is het voor een toewijzing van het verzoek tot tussenkomst van de Staat vereiste belang gegeven.

3.11. Anders dan verweerder sub 3 heeft aangevoerd, strekt het belang zich ook uit jegens verweerder sub 3. Een geslaagd beroep op artikel 94d Sv jo 3:45 BW zal vernietiging van het hypotheekrecht van verweerder sub 3 tot gevolg hebben en verweerder sub 3 zal die vernietiging ingevolge lid 2 van artikel 3:45 BW tegen zich moeten laten werken indien wordt vastgesteld dat hij wist of behoorde te weten dat de Staat door de vestiging van het hypotheekrecht in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld.

3.12. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Staat voldoende belang heeft om benadeling van een hem toekomend recht te voorkomen. Daarmee is voldaan aan het criterium voor tussenkomst als gegeven in het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2003 (NJ 2003, 313). De rechtbank zal het verzoek tot tussenkomst van de Staat in het tussen de Ontvanger en verweerders sub 1 tot en met 3 aanhangige geding daarom toewijzen.

3.13. De uitspraak over de kosten zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

3.14. Nu de Staat zijn zelfstandige vordering in de hoofdzaak in een petitum heeft neergelegd en in de incidentele conclusie tot tussenkomst heeft onderbouwd, kan deze conclusie tevens als conclusie in de hoofdzaak worden aangemerkt. De rechtbank zal de hoofdzaak daarom verwijzen naar de rol voor conclusie van antwoord aan de zijde van verweerder sub 3.

4. De beslissing

De rechtbank,

in het incident

staat de Staat toe om in de hoofdzaak tussen te komen;

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 16 februari 2011 voor conclusie van antwoord aan de zijde van verweerder sub 3;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en op 5 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.

2235/1401