Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP1893

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
354433 / HA ZA 10-1569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure over de proceskosten van eerdere procedures waarin een vervalst stuk in het geding is gebracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 354433 / HA ZA 10-1569

Vonnis van 5 januari 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. J-F. Grégoire,

tegen

[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. A.G.H.M. Ganzeboom.

Partijen worden hierna aangeduid als: [eiseres] en [gedaagde].

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 3 mei 2010 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiseres] en [gedaagde] zijn op 5 oktober 1972 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 10 april 2003, aangevuld met een herstelbeschikking d.d. 7 juli 2003, is tussen hen de echtscheiding uitgesproken.

2.2 [gedaagde] diende op grond van de beschikking d.d. 10 april 2003 aan [eiseres] een maandelijkse alimentatie te betalen van € 1.960,00.

2.3 Nadat de echtscheiding was uitgesproken, zijn in verband met de alimentatie tussen partijen de navolgende procedures gevoerd:

a. een hoger beroep tegen de beschikking d.d. 10 april 2003, leidende tot een beschikking van het gerechtshof te Den Haag d.d. 10 maart 2004, waarbij de maandelijkse alimentatie is verhoogd tot € 2.300,00;

b. een kort geding, aangespannen door [gedaagde], strekkende tot staking van de inning van de eerder vastgestelde alimentatie, waarin in eerste aanleg op 17 maart 2005 vonnis is gewezen (vordering toegewezen) en waarin op 25 januari 2006 in hoger beroep arrest is gewezen (vordering alsnog afgewezen);

c. een bodemprocedure, aangespannen door [gedaagde], tot verlaging van de alimentatie, waarin op 13 juni 2005 door deze rechtbank een beschikking is genomen en waarin op 19 april 2006 door het gerechtshof in Den Haag een beschikking is genomen (in laatstgenoemde beschikking is de alimentatie met ingang van 1 september 2005 op € 540,00 gesteld).

d. na afwijzing van een nieuw wijzigingsverzoek van [gedaagde] door deze rechtbank heeft het gerechtshof te Den Haag bij beschikking d.d. 2 december 2009 bepaald dat de maandelijkse partneralimentatie voor de periode van 1 augustus 2007 tot 1 januari 2008 € 398,00 bedraagt en dat deze voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 € 232,00 bedraagt en is de partneralimentatie vanaf 1 januari 2009 op nihil gesteld. Tegen deze beschikking van het gerechtshof is door de vrouw cassatie aangetekend bij de Hoge Raad.

2.4 [gedaagde] heeft als gevolg van de ontbinding van zijn dienstverband met een voormalig werkgever een beëindigingsvergoeding ontvangen van circa € 80.000,00 (bruto). Ter zake is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [gedaagde] en die werkgever. In ieder geval in het onder 2.3.b bedoelde kort geding heeft [gedaagde] een afschrift van de vaststellings¬over¬een¬¬komst in het geding gebracht waarin de passage over de beëindigings¬ver¬goeding opzettelijk was weggelaten.

2.5 In of omstreeks maart 2005 is [eiseres] bekend geworden met het feit dat [gedaagde] de hiervoor bedoelde beëindigingsvergoeding had ontvangen en dat in het kort geding een vervalst afschrift van de vaststellingsovereenkomst in het geding was gebracht.

2.6 Op 7 juli en 19 oktober 2006 heeft [eiseres] aangifte gedaan ter zake van het plegen van valsheid in geschrifte. Op 13 maart 2009 is [gedaagde] door de Politierechter te Den Haag schuldig bevonden aan het plegen van valsheid in geschrifte.

3 Het geschil

3.1 [eiseres] vordert - verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 10.774,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede tot vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 1.075,76 (incl. BTW), zulks met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2 [gedaagde] heeft de vordering van [eiseres] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

4 De beoordeling

4.1 [eiseres] vordert in deze procedure vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat [gedaagde] in één of meerdere van de onder 2.3 bedoelde procedures het onder 2.4 bedoelde vervalst afschrift van de vaststellingsovereenkomst in het geding heeft gebracht. [gedaagde] erkent dat hij een vervalst afschrift in het geding heeft gebracht, maar stelt dat [eiseres] hierdoor geen schade heeft geleden.

4.2 Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een vervalst afschrift van de vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen. [gedaagde] is op grond van artikel 6:162 BW in beginsel dan ook aansprakelijk voor de schade die [eiseres] hierdoor heeft geleden. Hiervoor is wel vereist dat deze schade is veroor¬zaakt door het gebruik van het vervalste afschrift: kosten die hier niet het gevolg van zijn en die [eiseres] ook had moeten maken als [gedaagde] geen valsheid in geschrifte had gepleegd, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast is vereist dat de kosten niet reeds zijn verdisconteerd in door deze rechtbank of het gerechtshof genomen beslissingen omtrent de proces¬kosten in de diverse procedures. Indien de kosten reeds verdisconteerd zijn in reeds eerder genomen beslissingen over proceskosten, en die beslissingen zijn in kracht van gewijsde gegaan (dat wil zeggen: definitief geworden omdat er geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan), dan kan hierover niet opnieuw worden geprocedeerd. Dat geldt ook indien de uitgesproken proceskostenveroordeling lager is dan de werkelijke kosten of indien de proceskosten zijn gecompenseerd.

4.3 Tegen deze achtergrond wordt over de gevorderde schadevergoeding het volgende overwogen. [eiseres] vordert vergoeding van de kosten van bijstand van advocaten, deur¬waar¬ders¬kosten en een vergoeding van de kosten die zij heeft moeten om haar belasting¬aangiften te corrigeren. In de specificatie van deze kosten maakt [eiseres] een onderscheid tussen bedragen die aan haar gefactureerd zijn en die zij rechtstreeks heeft betaald enerzijds en bedragen die door de deurwaarder in mindering zijn gebracht op geïnde alimentatie anderzijds.

4.4 [eiseres] specificeert de aan haar gefactureerde en door haar betaalde bedragen als volgt:

Factuur d.d. Van bedrag

03 maart 2005 Rietveld & Fontijne Advocaten € 229,50

01 maart 2005 Rietveld & Fontijne Advocaten € 322,50

07 april 2005 Maas-Delta Deurwaarders (explootkosten) € 85,60

28 april 2005 Rietveld & Fontijne Advocaten € 106,50

2 maart 2006 Stok Advocaten (eigen bijdrage op toevoeging) € 90,00

4 april 2006 Financieel en Rechtskundig Adviesbureau Van Oostrom (i.v.m. aangifte IB / premieheffing 2005) € 113,05

10 januari 2007 Financieel en Rechtskundig Adviesbureau Van Oostrom (inzake advieswerkzaamheden augustus t/m december 2006) € 196,25

6 februari 2008 Stok Advocaten (eigen bijdrage op toevoeging) € 49,75

22 juli 2008 Stok Advocaten (eigen bijdrage op toevoeging) € 94,00

4.5 [eiseres] specificeert de op de achterstallige en lopende alimentatie ingehouden bedragen als volgt:

Factuur d.d. Van Bedrag

5 januari 2005 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 1.119,96

3 augustus 2006 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 2.362,59

4 december 2006 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 1.905,44

10 mei 2007 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 794,16

20 september 2007 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 1.049,73

2 april 2008 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 1.745,28

4 december 2008 Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders € 510,37

4.6 De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.6.1 Ten aanzien van de onder 4.4 genoemde facturen van Rietveld & Fontijne Advocaten, Stok Advocaten en Maas-Delta Deurwaarders geldt het volgende. [eiseres] heeft niet gespecificeerd op welke procedures deze facturen zien, behalve dat zij stelt dat het gaat om kosten gemaakt na maart 2005, zodat deze facturen kennelijk niet zien op de echtscheidingsprocedure en het eerste hoger beroep (zie onder 2.1 en 2.3.a). Het kan echter in het midden blijven op welke van de overige procedures deze kosten precies zien.

a. Ten aanzien van het onder 2.3 onder b bedoelde kort geding stelt [eiseres] onbetwist dat [gedaagde] in eerste aanleg de vervalste vaststellingsovereenkomst in het geding heeft gebracht en dat dit mede aanleiding was voor toewijzing van de vordering van [gedaagde] in eerste aanleg. In het hoger beroep van dit kort geding was de vervalsing inmiddels bekend geworden en het gerechtshof heeft toen de vordering van [gedaagde] alsnog afgewezen. In de wijze van procederen van [gedaagde] heeft het gerechtshof daarbij aanleiding gezien om [gedaagde] in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen, zulks in afwijking van het gebruikelijke beleid dat de proceskosten tussen (ex)echtelieden worden gecompenseerd. Nu het gerechtshof in zijn arrest van 25 januari 2006 de proceskosten op deze wijze heeft afgedaan en tegen die beschikking geen cassatie is ingesteld, is die wijze van verdeling van de proceskosten thans definitief.

b. Voor de onder 2.3 onder c bedoelde bodemprocedure geldt dat - naar [eiseres] onbetwist stelt - op de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan de orde is gekomen dat [gedaagde] getracht had de uitkomst van de procedures te beïnvloeden met een vervalste stuk. Het gerechtshof heeft in hoger beroep de partneralimentatie verlaagd, waarbij onder meer rekening is gehouden met de inmiddels bekende ontslagvergoeding. Anders gezegd: weliswaar had [gedaagde] getracht om de ontslagvergoeding te verhullen, maar uitein¬delijk is hij in zoverre in het gelijk gesteld dat ook rekening houdend met die ver¬goeding de alimentatie is verlaagd. Het gerechtshof heeft in zijn beschikking het verzoek van [eiseres] om een veroordeling in de proceskosten afgewezen. Deze beschikking is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan en daarom kan over de kosten van deze procedure niet opnieuw worden geprocedeerd.

c. Ten aanzien van de onder 2.3 onder d bedoelde procedure is gesteld noch gebleken dat vervalste stukken daarin een rol hebben gespeeld. Het ligt ook niet voor de hand dat deze bodemprocedure is gevoerd omdat [gedaagde] in een eerder stadium deze rechtbank onjuist had voorgelicht. Immers, op 19 april 2006 was de alimentatie door het gerechts¬hof vastgesteld, rekening houdend met de ontslagvergoeding. Bij gebreke aan een onderbouwde toelichting van de zijde van [eiseres] moet daarom aangenomen worden dat de latere procedure een reguliere procedure over de aanpassing van alimen¬tatie is. De kosten daarvan kunnen niet worden toegerekend aan het onrechtmatige handelen van [gedaagde].

4.6.2 Over de gevorderde kosten van de belastingadviseur ad € 196,25 wordt als volgt overwogen. Het gevorderde bedrag ziet op de factuur van Van Oomstrom d.d. 10 januari 2007 en betreft advieswerkzaamheden in de periode augustus tot en met december 2006. Het is voldoende aannemelijk dat deze kosten gemaakt zijn doordat de alimentatie als gevolg van de valsheid in geschrifte in het kort geding enige tijd voor een te laag bedrag werd geïncasseerd, dit later moest worden bijbetaald en hierdoor extra werk is ontstaan in de belastingaangiftes. Deze kosten kunnen daarom worden toegerekend aan het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. De vordering van [eiseres] wordt op dit punt daarom toegewezen.

4.6.3 Over de onder 4.5 bedoelde ingehouden kosten wordt als volgt geoordeeld. Uit de omschrijving van de afrekeningen van Van Es Gerechtsdeurwaarders & Incasseerders maakt de rechtbank op dat dit de kosten van de incasso van de alimentatie vormt. Deze kosten zijn echter niet het gevolg van de valsheid in geschrifte van [gedaagde] in de onder 2.3 bedoelde procedures. Nu de vordering van [eiseres] daarop is gebaseerd, zal haar vordering op dit punt worden afgewezen.

4.7 [eiseres] verwijt in de inleidende dagvaarding [gedaagde] niet alleen dat deze een vervalste afschrift van de vaststellingsoverkomst in het geding heeft gebracht. Daarnaast verwijt zij hem tevens dat hij een processtuk heeft ingediend met daarop een vervalste handtekening. Het is de rechtbank niet duidelijk of [eiseres] [gedaagde] verwijt dat hij de handtekening van zijn advocaat heeft vervalst of dat de advocaat van [gedaagde] de handtekening van [gedaagde] zou hebben vervalst. Wat daar ook van zij, dit verwijt is op geen enkele wijze nader onderbouwd: [eiseres] geeft niet aan om welk processtuk het gaat, in welke procedure dit gebeurde, noch stelt zij welke schade zij hierdoor heeft geleden. De rechtbank gaat daarom aan dit verwijt verder voorbij.

4.8 De slotsom is dat de vordering van [eiseres] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 196,25 en dat de vordering voor het overige zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal eveneens worden toegewezen.

4.9 Gelet op het voorgaande is er geen ruimte voor een vergoeding wegens buitengerech¬telijke incassokosten.

4.10 Gelet op het bepaalde in artikel 237, 2de volzin, Rv worden de proceskosten over en weer gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank,

a. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 196,25 (zegge: honderdzesennegentig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 3 mei 2010 tot aan de dag der voldoening;

b. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

c. verklaart dit vonnis voor zover het de onder a bedoelde veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

d. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1876