Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP1528

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
368452 / HA RK 10-244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. De omstreden beslissing van de RC het verhoor van de getuige door een kort daarvoor in verband met dat verhoor gewraakte collega-RC zelf voort te zetten en – op mogelijke aanvullende vragen na – af te ronden buiten medeweten en aanwezigheid van de officier van justitie en de raadsman van verzoeker, met het oogmerk te voorkomen dat ook hij zou worden gewraakt nog voor aanvang van dat getuigenverhoor, is naar het oordeel van de rechtbank een zozeer onbegrijpelijke beslissing, dat de door verzoeker gekoesterde vrees dat de RC jegens hem een vooringenomenheid koestert, in ieder geval naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 20 januari 2011

Zaaknummer: 368452

Rekestnummer: HA RK 10-244

Parketnummer: 10/630316-09

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de P.I. [naam PI],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam RC], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechter-commissaris).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechter-commissaris [naam collega-RC] is in behandeling de - door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken naar de rechter-commissaris verwezen - strafzaak onder bovenvermeld parketnummer van de officier van justitie in dit arrondissement tegen verzoeker als verdachte.

Bij faxbericht van 24 november 2010 heeft rechter-commissaris [naam collega-RC] aan de raadsman van verzoeker meegedeeld dat [naam getuige] door hem op 7 december 2010 als getuige wordt gehoord.

Bij faxbericht van 26 november 2010 heeft de raadsman van verzoeker aan rechter-commissaris [naam collega-RC] meegedeeld dat verzoeker bij het verhoor van [naam getuige] als getuige aanwezig wil zijn en eventueel vragen wil stellen.

Bij faxbericht van 30 november 2010 heeft rechter-commissaris [naam collega-RC] aan de raadsman van verzoeker meegedeeld dat hij het bijwonen door verzoeker van het verhoor van [naam getuige] als getuige niet wenselijk acht in het belang van het onderzoek en dat hij om die reden het verzoek zal afwijzen.

Bij faxbericht van 30 november 2010, met bijlagen, heeft de raadsman van verzoeker rechter-commissaris [naam collega-RC] gewraakt.

Bij beschikking van 6 december 2010 heeft de rechtbank bovenomschreven verzoek tot wraking van rechter-commissaris [naam collega-RC] afgewezen.

Op 7 december 2010 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen de beslissing van rechter-commissaris [naam collega-RC] van 30 november 2010 tot afwijzing van het verzoek van verzoeker om bij het verhoor van de getuige [naam getuige] tegenwoordig te zijn.

Op 7 december 2010 heeft de raadsman van verzoeker bij de aanvang door rechter-commissaris [naam collega-RC] van het verhoor van de getuige [naam getuige], rechter-commissaris [naam collega-RC] gewraakt.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris ([naam RC]) op 7 december 2010 - buiten aanwezigheid van verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie - een aanvang gemaakt met het getuigenverhoor en de weerslag daarvan op papier doen stellen. Aansluitend heeft de rechter-commissaris de raadsman van verzoeker en de officier van justitie uitgenodigd tot het bijwonen van het vervolg van het getuigenverhoor, waarop de raadsman van verzoeker de rechter-commissaris heeft gewraakt.

Bij faxbericht van 8 december 2010 heeft de raadsman een schriftelijke bevestiging van het wrakingsverzoek ingezonden.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak, waarin zich onder meer bevinden de hiervoor genoemde faxberichten, alsmede het proces-verbaal van bevindingen op 7 december 2010, opgemaakt door de rechter-commissaris en door rechter-commissaris [naam collega-RC].

Bij beslissing van 14 december 2010 heeft de raadkamer van deze rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de weigering van de rechter-commissaris de verzoeker aanwezig te laten zijn bij het verhoor van de getuige [naam getuige].

Verzoeker, zijn raadsman, de rechter-commissaris, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt in die zin, dat hij aan de rechtbank heeft doen toekomen het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen.

Ter zitting van 6 januari 2011, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen:

de rechter-commissaris, mr. K. Canatan, raadsman van verzoeker, alsmede mr. E. Baars, officier van justitie.

Verzoeker heeft bij monde van zijn advocaat meegedeeld afstand te doen van zijn recht bij de zitting aanwezig te zijn.

De rechter-commissaris, de raadsman van verzoeker en de officier van justitie hebben hun standpunten (nader) toegelicht. De rechter-commissaris en de raadsman hebben daarbij ieder pleitnotities voorgedragen en overgelegd. De officier van justitie heeft haar standpunt voorafgaande aan de zitting schriftelijk ingediend en heeft daar ter zitting naar verwezen.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Het door verzoeker op 7 december 2010 ingediende bezwaarschrift ex artikel 208, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is gericht tegen de weigering van rechter-commissaris [naam collega-RC] om verzoeker toe te staan bij het verhoor van de getuige [naam getuige] aanwezig te zijn en vragen te (doen) stellen. Het indienen van dat bezwaarschrift heeft op grond van artikel 557, lid 1 Sv opschortende werking.

2.1.2

De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen met zich dat - alvorens het verhoor van de getuige aan te vangen - de beslissing van de raadkamer van de rechtbank op het bezwaarschrift moet worden afgewacht. Immers, indien het verhoor doorgaat zonder dat die beslissing wordt afgewacht, is er sprake van een onomkeerbare en voor de verdediging onherstelbare situatie.

2.1.3

Rechter-commissaris [naam collega-RC] heeft op 7 december 2010 voor aanvang van het getuigenverhoor meegedeeld dat er geen sprake is van een beslissing als bedoeld in artikel 208 lid 1 Sv, dat het door verzoeker ingediende bezwaarschrift geen opschortende werking heeft en dat hij derhalve een aanvang zou maken met het horen van de getuige. Hierop heeft de verdediging rechter-commissaris [naam collega-RC] gewraakt.

2.1.4

Hierop heeft rechter-commissaris [naam collega-RC] de raadsman verzocht de rechtbank niet te verlaten en per mobiele telefoon bereikbaar te blijven. Dit heeft de raadsman toegezegd. Na verloop van één à twee uur is de raadsman gebeld door de griffier met het verzoek naar het kabinet van de rechter-commissaris te komen. Aldaar is de raadsman, zonder nadere toelichting, door de griffier geleid naar een verhoorkamer, alwaar zich bevonden: de officier van justitie, de getuige [naam getuige] en de (voor de raadsman op dat moment nog onbekende) rechter-commissaris. Na binnenkomst is de raadsman geconfronteerd met een proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige]. Door de raadsman daarnaar gevraagd heeft de rechter-commissaris meegedeeld dat hij dit proces-verbaal heeft opgemaakt. Hierop heeft de raadsman meegedeeld dat deze gang van zaken niet mogelijk is, omdat er nog niet op de wraking van rechter-commissaris [naam collega-RC] was beslist. Volgens de rechter-commissaris was dit wel degelijk mogelijk, omdat er naar zijn mening sprake was van misbruik van procesrecht. Hierop heeft de raadsman de rechter-commissaris gewraakt, waarop de rechter-commissaris meedeelde dat hij een tuchtrechtelijke klacht tegen de raadsman zal indienen bij de Deken van de Orde van Advocaten.

2.1.5

Deze gang van zaken is zodanig onbegrijpelijk, in strijd met de wet en met de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat dit zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor het oordeel dat de rechter-commissaris jegens de verdediging een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdediging dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.1.6

De rechter-commissaris heeft over het eerste en het tweede wrakingsverzoek, zonder daartoe bevoegd te zijn en zonder de verdediging enige mogelijkheid te geven daarop te responderen, geoordeeld dat sprake is van misbruik van procesrecht. Door zo te handelen schendt de rechter-commissaris het beginsel van hoor en wederhoor en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

2.1.7

Het is aan de wrakingskamer om te oordelen of de verdediging bij het indienen van het verzoek tot wraking van rechter-commissaris [naam collega-RC] misbruik maakt van procesrecht. De wrakingskamer had dat nog niet gedaan. Zij had evenmin bij haar beslissing van 6 december 2010 bepaald dat een volgend verzoek tot wraking van [naam collega-RC] niet in behandeling wordt genomen.

2.1.8

Hangende een wrakingsverzoek dienen alle handelingen, die zien op datgene waar de wraking zich op richt, te worden opgeschort. De rechter-commissaris had de behandeling van het verzoek tot wraking van rechter-commissaris [naam collega-RC] moeten afwachten. De rechter-commissaris heeft echter, zonder de verdediging daarover in te lichten, de getuige [naam getuige] eerst zelfstandig gehoord. Hij meent de bevoegdheid te hebben eerst de getuige buiten aanwezigheid van de raadsman te horen en de raadsman daarna in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen te stellen. Hij heeft de verdediging voor een voldongen feit gesteld en daarmee miskent de rechter-commissaris het recht van de verdediging om ex artikel 186, lid 2 en lid 3 Sv en artikel 6 EVRM bij het verhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen. Er is sprake geweest van een verhoor van de getuige in strijd met de wet.

2.1.9

De door de rechter-commissaris gehanteerde werkwijze is kennelijk gestoeld op artikel 187, lid 3 Sv., echter dat kan alleen indien dat met het oog op de in artikel 187d, lid 1 Sv vermelde belangen strikt noodzakelijk is. Dat is in dit geval niet aan de orde en de rechter-commissaris heeft zich niet op het standpunt gesteld dat deze belangen zich voordeden. Er is derhalve sprake van evident handelen in strijd met de wet.

2.1.10

De rechter-commissaris heeft zich klaarblijkelijk laten leiden door zijn ergernis over het optreden van de verdediging. De getuige [naam getuige] werd uitsluitend op verzoek van de verdediging gehoord en het doel van het verhoor was het uitoefenen door de verdediging van het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM. De rechter-commissaris heeft dit uit het oog verloren.

2.1.11

De rechter-commissaris is in meerdere opzichten zijn boekje te buiten gegaan en wel zodanig dat daaruit blijkt van partijdigheid, aldus verzoeker.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

De rechter-commissaris bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Hij voert daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan:

2.2.1

De verdediging grijpt het indienen van het wrakingsverzoek aan als middel om inhoudelijke bezwaren tegen een door de verdediging onjuist geachte beslissing van de rechter-commissaris voor te leggen aan de wrakingskamer. De wrakingskamer is geen intern appelcollege; immers, men wraakt niet een beslissing, maar een rechter. In strafzaken is de partijdigheid of vooringenomenheid van een rechter onlosmakelijk verbonden met de beantwoording door de rechter van de vragen ex artikel 348 - 350 Sv.. De rechter is partijdig of vooringenomen indien hij door zijn uitlatingen, handelen of beslissingen op ongeoorloofde wijze preludeert op of invulling geeft aan de beantwoording van die, voor de verdachte cruciale, vragen. De wrakingskamer treedt niet in de inhoudelijke beoordeling van de vraag of een rechterlijke beslissing op grond waarvan een rechter is gewraakt juist of onjuist is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen binnen het strafrecht heeft als consequentie dat een dergelijk inhoudelijk oordeel niet aan de wrakingskamer, maar uitsluitend aan de volgens de wet daartoe bevoegde instantie is.

2.2.2

De rechter-commissaris in strafzaken, die in opdracht van de zittingsrechter en in het kader van een terugverwijzing, met name genoemde getuigen hoort, neemt een unieke positie in: hij kan in ieder geval nooit partijdig of vooringenomen worden geacht met betrekking tot de vraag welk belang met het horen van die getuige is gediend in het licht van de beantwoording van de vragen van artikel 348 - 350 Sv., dan wel - in voorkomende gevallen - waarover die getuige moet worden gehoord. Immers, niet de rechter-commissaris beslist daarover, maar de zittingsrechter heeft daarover reeds een beslissing genomen. De door de raadsman gestelde partijdigheid of vooringenomenheid kan dus niet blijken uit de beslissing de getuige [naam getuige] te horen.

2.2.3

Die partijdigheid of vooringenomenheid blijkt evenmin uit de beslissing de getuige [naam getuige] in aanvang zelf, buiten aanwezigheid van de raadsman en de officier van justitie te horen en pas daarna de procespartijen in de gelegenheid te stellen hun vragen aan de getuige te stellen. Dat was enkel een beslissing van orde. Een verhoor van een getuige door de rechter-commissaris is een verhoor van die rechter-commissaris; hij stelt zijn vragen en eerst daarna participeren de andere procespartijen. Dat is zo gebeurd, alleen aanvankelijk buiten aanwezigheid van die andere procespartijen. Daarna zouden zij alle gelegenheid hebben gekregen hun vragen aan de getuige te stellen.

2.2.4

Nadat de raadsman en de officier van justitie in mijn kabinet waren uitgenodigd en waren verschenen, heb ik hen verteld dat ik een aanvang had gemaakt met het verhoor van de getuige en dat zij de weerslag daarvan op papier voor zich hadden. Ik heb hun gezegd dat wij verder zouden gaan met het getuigenverhoor en dat zij gelegenheid hadden vragen te stellen. Hierop heeft de raadsman gezegd dat dit ongehoord was, hij is opgestaan en heeft het kabinet verlaten. Ik was van mening dat dergelijk gedrag van de advocaat van verzoeker niet door de beugel kon en ik heb aangekondigd dat een en ander voor mij aanleiding was om een klacht tegen hem in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten.

2.2.5

De beslissing om de getuige [naam getuige] aanvankelijk buiten aanwezigheid van de raadsman en de officier van justitie te horen werd ingegeven door de redelijke inschatting dat de raadsman kennelijk alles op alles wilde zetten om de doorgang van het verhoor van deze getuige te frustreren. Het was de eerste keer dat ik een getuigenverhoor op deze manier heb doen plaatsvinden. Ik wilde voorkomen dat ik door de verdediging werd gewraakt zonder dat er nog een vraag aan de getuige was gesteld. Het gegeven dat ambtgenoot [naam collega-RC] inmiddels vier keer was gewraakt tijdens zijn eerdere pogingen deze getuige te horen gaf voldoende voeding aan die inschatting. De getuige [naam getuige] is lange tijd onvindbaar geweest. Er is heel veel moeite gedaan haar op te sporen.

2.2.6

De beslissing het verhoor van de getuige [naam getuige] op deze wijze in te richten is een procedurele beslissing en dus geen grond voor wraking, want die preludeert op geen enkele wijze op of geeft invulling aan de beantwoording van de vragen van artikel 348 - 350 Sv. in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte.

2.2.7

Alle overige argumenten die de verdediging heeft aangevoerd hebben uitsluitend tot doel de wrakingskamer te verleiden tot een inhoudelijke beoordeling van de beslissing om het getuigenverhoor op deze wijze in te richten. De rechter-commissaris is van mening dat die argumenten om de uiteengezette redenen buiten beschouwing moeten blijven. Voor die argumenten is geen steun te vinden in de wet.

2.3

De officier van justitie stelt dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn die het oordeel rechtvaardigen dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Zij kan zich voorstellen dat bij verzoeker de vrees bestaat dat de rechter-commissaris jegens hem enige vooringenomenheid koestert, gelet op het feit dat de rechter-commissaris heeft aangekondigd dat hij tegen de advocaat van verzoeker een klacht zou indienen bij de Deken van de Orde van Advocaten. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vraag of die vrees objectief gerechtvaardigd is.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt:

3.2

Aan het verzoek tot wraking van de rechter-commissaris is - kort samengevat - ten grondslag gelegd de beslissing van de rechter-commissaris voort te gaan met het verhoor van de getuige [naam getuige], nog lopende het door de verdediging op die dag voorafgaande aan de aanvang van het getuigenverhoor ingediende verzoek tot wraking van rechter-commissaris [naam collega-RC] en (in ieder geval aanvankelijk) buiten aanwezigheid van de verdediging en de officier van justitie.

3.3

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.4

Dat kan slechts anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Voormelde toets is niet beperkt tot die beslissingen van de rechter, die preluderen op, of invulling geven aan de beantwoording door de rechter van de vragen van artikel 348 - 350 Sv.

3.5

Na wraking van de behandelend rechter-commissaris [naam collega-RC] - het tweede daartoe strekkende verzoek van de verdediging in deze zaak, welke verzoek telkens ook werd overgenomen door de raadsman van een medeverdachte - heeft de rechter-commissaris ([naam RC]), terwijl de officier van justitie en de raadsman van verzoeker daarbij niet aanwezig waren of van dat verhoor op de hoogte waren, de getuige onder ede verhoord, waarbij de getuige in antwoord op alle vragen die de rechter-commissaris zelf aan de getuige wilde stellen heeft geantwoord.

Eerst nadat de in zoverre afgelegde verklaring van de getuige op schrift was gesteld, aan haar was voorgelezen en na volharding daarbij door haar was ondertekend, zijn de officier van justitie en de raadsman van verzoeker, die zich op verzoek van [naam collega-RC] beschikbaar hadden gehouden, uitgenodigd om kennis te nemen van deze verklaring en desgewenst nog hun aanvullende vragen aan de getuige te stellen.

3.6

Bij de hiervoor onder 3.4 omschreven beoordeling van de beslissing van de rechter-commissaris de getuige [naam getuige] in afwezigheid en buiten medeweten van de raadsman van verzoeker (en de officier van justitie) te gaan verhoren neemt de rechtbank in aanmerking dat de getuige [naam getuige] door de rechter-commissaris in strafzaken in deze rechtbank diende te worden gehoord in opdracht van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank, en wel op verzoek van de verdediging.

3.7

Vooropgesteld moet worden dat artikel 186a lid 1 Sv als hoofdregel de raadsman de bevoegdheid geeft de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen.

Vast staat dat de rechter-commissaris niet met toepassing van het bepaalde in het laatste zinsdeel van artikel 186a lid 1Sv heeft geoordeeld dat het belang van het onderzoek de aanwezigheid van de raadsman bij het verhoor van de getuige [naam getuige] verbiedt.

3.8

De rechter-commissaris heeft desgevraagd toegelicht dat hij het getuigenverhoor slechts op de hiervoor omschreven wijze heeft ingericht omdat hij wilde voorkomen dat ook hij door de verdediging zou worden gewraakt nog voor aanvang van het getuigenverhoor. Daarbij speelde voor de rechter-commissaris mee dat de getuige [naam getuige] moeilijk te traceren was geweest en eerst na verschillende pogingen voor haar verhoor in het kabinet was verschenen.

3.9

Naar het oordeel van de rechtbank kan het oogmerk een verwacht volgend wrakingsverzoek het horen van een, in dit geval juist op verzoek van de verdediging opgeroepen, getuige buiten aanwezigheid van die verdediging niet rechtvaardigen.

De wet omschrijft immers in welke gevallen tot het horen van een getuige in afwezigheid van de raadsman kan worden beslist. Het mogelijk (opnieuw) uitoefenen van een in beginsel aan de verdediging toekomend - maar door de rechter-commissaris niet gewild en bovendien misplaatst geacht rechtsmiddel van wraking - behoort niet tot die bij wet omschreven gevallen en kan ook niet anderszins het horen van de getuige buiten aanwezigheid en wetenschap van de verdediging rechtvaardigen.

3.10

De omstreden beslissing van de rechter-commissaris het verhoor van de getuige door een kort daarvoor in verband met dat verhoor gewraakte collega-rechter-commissaris zelf voort te zetten en - op mogelijke aanvullende vragen na - af te ronden buiten medeweten en aanwezigheid van de raadsman van verzoeker op de hiervoor uiteengezette gronden is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het bepaalde in artikel 186a lid 1, eerste zinsdeel, Sv een zozeer onbegrijpelijke beslissing, dat de door verzoeker gekoesterde vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, in ieder geval naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.11

Op grond van het vorenstaande is de wraking gegrond. Het verzoek wordt toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van [naam RC].

Deze beslissing is gegeven op 20 januari 2011 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. W.J.J. Wetzels, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.