Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BP0951

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
10/750166-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Loverboy-zaak” Strafzaak tegen de verdachte en zes medeverdachten ter zake van diverse strafbare feiten, welke zich laten omschrijven als Loverboy-feiten. De rechtbank spreekt de verdachte vrij omdat de rechtbank de verklaringen van aangeefster in onvoldoende mate betrouwbaar acht om tot bewezenverklaring te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 17 januari 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsvrouw: mr. W.M. Oosthoek, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7, 9, 14, 15 en 17 december 2010 en op 3 januari 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 6;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling voor seksuele delictplegers bij ‘Het Dok’ danwel een vergelijkbare instelling.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Door de verdediging is aangevoerd dat nu de tussen haakjes geplaatste zinsnede van het 3e gedachtestreepje van feit 5 in de dagvaarding in algemene zin verwijst naar eerdere gebeurtenissen en andere zaaksprocessen-verbaal, de dagvaarding op dit punt onvoldoende duidelijk is. De verdediging concludeert dan ook tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Uitgangspunt is dat de verdachte moet weten tegen welke beschuldiging hij zich heeft te verweren en dat de rechter moet weten welk feit hij tijdens het onderzoek op de zitting heeft te onderzoeken. Nu de tussen haakjes geplaatste zinsnede in het 3e gedachtestreepje van feit 5 verwijst naar eerdere gebeurtenissen en andere zaaksprocessen-verbaal zonder nadere concretisering van deze gebeurtenissen en/of zaaksprocessen-verbaal, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan voornoemd uitgangspunt voldaan. De dagvaarding zal derhalve in zoverre nietig worden verklaard.

VRIJSPRAAK

Inleiding

De strafzaak van de verdachte vormt een onderdeel van de megastrafzaak Koeban tegen in totaal zeven verdachten. Het omvangrijke dossier is op vijf zittingsdagen met de verdachte, zijn medeverdachten (voor zover aanwezig) en ook deels met aangeefster als getuige besproken.

De lokale en landelijke media hebben voorafgaand en tijdens de zittingsdagen uitvoerig over de zaak bericht. In diverse artikelen is ingegaan op hetgeen in de Koebanzaak gebeurd zou zijn. De artikelen schetsen de verdachten als een groep jongens die met respectloos seksueel grensoverschrijdend gedrag langdurig op grove wijze misbruik heeft gemaakt van aangeefster. Ook de reacties op deze berichtgeving, ingezonden op de diverse internetfora van deze media, zijn talrijk en veelal vol negatieve emotie richting de verdachten. De aanleiding voor dit beeld en deze reacties vindt haar basis hoogstwaarschijnlijk in belangrijke mate in de circa 200 pagina's tellende aangifte. In die aangifte doet aangeefster verslag van afschuwelijke gebeurtenissen. De rechtbank heeft, gelet op die aangifte en de rol die de media in onze samenleving hebben, begrip voor de wijze waarop over de zaak is bericht. Ook ziet de rechtbank in dat eenieder het recht heeft om, ook op basis van beperkte informatie, zijn mening te vormen en publiekelijk te uiten.

De rechtbank hecht er aan om op te merken dat de vraag die zij in dit vonnis moet beantwoorden, niet dezelfde vraag is als die waarop in de media en op de fora een antwoord lijkt te worden gegeven. De rechtbank staat in de kern namelijk slechts voor de vraag of de concrete feiten zoals deze aan de verdachte ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen. Anders gezegd of de verdachte een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt. Dat het instrumentarium en het toetsingskader bij de beantwoording van die vraag andere zijn dan die de media en de burger ter beschikking staan, behoeft geen betoog.

Unus testis algemeen

Evenals de officier van justitie en de verdediging onderkent de rechtbank dat in deze strafzaak de unus testis regel (één getuige is géén getuige) zoals deze is neergelegd in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een rol speelt.

Uit de jurisprudentie is ten aanzien van de strekking en reikwijdte van deze regel het volgende af te leiden.

Een louter kwantitatieve toets van bewijsmiddelen volstaat niet langer. De Hoge Raad stelt de eis dat sprake moet zijn van bijkomend bewijs dat voldoende steun biedt. Daarbij is niet nodig dat ieder onderdeel van de tenlastelegging die voldoende steun heeft, maar de tenlastelegging in haar geheel moet die steun krijgen. Het komt erop neer dat de bevestiging die het bijkomend bewijs moet bieden, in een relatie van betekenis moet staan tot het ten laste gelegde. Dit gaat niet zover dat het bijkomend bewijs het strafbare van het handelen in de kern moet bevestigen of dat het bijkomend bewijs een deel van de tenlastelegging zelfstandig moet kunnen dragen. Gezocht moet worden naar het objectieve gegeven waaruit kan worden afgeleid dat het verantwoord is de bewezenverklaring voornamelijk op de verklaring van één getuige te baseren. Zo nodig dient het verband tussen het gebruikte bewijsmateriaal nader te worden gemotiveerd om de relatie van betekenis met het ten laste gelegde duidelijk te maken. Het ‘opplussen’ van de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel dat het bewijs vrijwel zelfstandig dient te leveren, kan niet de eis vervullen die artikel 342 lid 2 Sv stelt.

Feiten die de unus testis toets doorstaan

Bij de ten laste gelegde feiten die hun grondslag vinden in de zaaksdossiers [zaaksdossier 1], [zaaksdossier 2], [zaaksdossier 3] en [zaaksdossier 4] is de bewijsconstructie van de officier van justitie zoals deze is opgenomen in haar requisitoir en het daarbij gevoegde bewijsmiddelen-overzicht (hierna: de bewijsconstructie) in overwegende mate gebaseerd op de verklaringen van aangeefster. Bij deze feiten vinden de verklaringen van aangeefster op onderdelen steun in bijkomend bewijs.

De officier van justitie noemt -zakelijk weergegeven- de volgende bijkomende/ondersteunende feiten en omstandigheden:

[Zaaksdossier 1]

- Het aanwijzen door aangeefster van het portiek in het [straatnaam 1].

- Het aanwijzen door aangeefster van het park achter de [straatnaam 2].

- De verklaring van de verdachte dat hij en twee anderen (waaronder ene ‘[naam 1]’) bij ‘de bankjes’ door aangeefster zijn gepijpt.

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat de verdachte hem heeft verteld dat hij samen met Marokkanen buiten in de open lucht seks met aangeefster heeft gehad en dat [naam 1] daar ook bij was.

- De verklaring van de verdachte dat [naam 1] en/of [naam 2] ook aanwezig waren bij ‘de bankjes’ en dat één van hen in een rode auto reed destijds.

- De verklaring van de verdachte dat er seksuele handelingen in het portiek hebben plaatsgevonden en in het park.

[Zaaksdossier 2]

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) die aangeeft dat hij met de verdachte in de auto zat en dat aangeefster in die auto is gestapt en met hen is meegereden naar het huis van medeverdachte [medeverdachte 2].

- De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en van de verdachte dat er seks is geweest tussen aangeefster en meerdere mensen in die woning, waaronder medeverdachte [medeverdachte 2].

- De verklaringen van de andere aanwezigen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]) dat aangeefster met iedereen in de woning seksuele handelingen heeft verricht.

- Het aanwijzen door aangeefster van de woning in de [straatnaam 3] als de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de plaats van de seksuele handelingen.

[Zaaksdossier 3]

- De verklaring van de verdachte dat hij die dag seks heeft gehad met aangeefster in de woning van [getuige 4].

- De verklaring van [getuige 4] dat de verdachte en aangeefster één keer in zijn woning zijn geweest en dat er een handboei aan het bed in zijn slaapkamer hangt.

[Zaaksdossier 4]

- De verklaring van getuige [getuige 5] dat de verdachte in de [sporthal] was, dat er sprake was van seksuele handelingen met een meisje dat zich met meerdere jongens in de kleedkamer van de sporthal bevond en dat het verhaal ging over het iets in de kont duwen van het meisje.

- De verklaring van getuige [getuige 3] dat de verdachte in de [sporthal] was.

Dit bijkomend bewijs staat, in onderlinge samenhang beschouwd, in zodanige betekenisvolle relatie tot het ten laste gelegde dat deze bewijsmiddelen naast de verklaringen van aangeefster een wettige bewezenverklaring in de zin van artikel 342 lid 2 Sv zouden kunnen dragen. Echter, ten aanzien van het punt dat de ten laste gelegde feiten

- kort gezegd - tegen de kenbare wil van aangeefster hebben plaatsgevonden, is er naast de verklaringen van aangeefster geen enkel steunbewijs voorhanden.

Anders gezegd, de bestanddelen die bij die feiten de kern van het strafrechtelijk verwijt vormen, vinden hun fundament louter in de verklaringen van aangeefster. Het zijn dan ook slechts deze verklaringen op grond waarvan buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat met betrekking tot de ten laste gelegde:

- (feiten 1, 4, 5 en 6) ‘verkrachtingen’; de seksuele gedragingen onder dwang, dat wil zeggen tegen de kenbare wil van aangeefster hebben plaatsgevonden, en met zodanig geweld of bedreiging met geweld dan wel andere feitelijkheid dat de wil van aangeefster is gebroken;

- (feiten 2 en 3) ‘vrijheidsberovingen’; de vrijheid van aangeefster opzettelijk en wederechtelijk is ontnomen.

Voor de voor een bewezenverklaring van deze feiten noodzakelijke overtuiging komt het derhalve aan op het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

Ten aanzien van die betrouwbaarheid overweegt de rechtbank als volgt:

Consistentie

De verklaring van aangeefster is op een aantal punten inconsistent. De belangrijkste inconsistenties betreffen de volgende:

- Aangeefster heeft ten aanzien van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het zaaksdossier [zaaksdossier 5] bij de politie verklaard dat zij op 10 maart 2006 een afspraak had met de medeverdachte [medeverdachte 3] in zijn poetsbedrijf en dat zij zijn penis en ballen heeft gelikt en dat hij zijn vinger in haar anus heeft gestopt (pagina 54 en 55 relaas proces-verbaal). Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij eind februari/begin maart 2006 twee keer een afspraak met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gemaakt in zijn garage, dat zij vaginale seks met hem heeft gehad meerdere malen verspreid over diverse afspraken en dat zij hem tijdens de tweede afspraak heeft gepijpt.

- Aangeefster heeft ten aanzien van de gebeurtenissen in het zaaksdossier [zaaksdossier 4] bij de politie verklaard dat verdachte zijn penis tussen haar billen deed, later een flesje in haar anus duwde en dat daarna een andere jongen haar nog ging tongzoenen (pagina 60 en 61 relaas proces-verbaal). Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard seks te hebben gehad met de verdachte en drie andere jongens totdat de verdachte haar met een flesje probeerde van achteren te verkrachten.

- Aangeefster heeft in de loop van de tijd haar verklaring ten aanzien van het aantal klanten waarmee zij tegen betaling seks zou hebben gehad in belangrijke mate gewijzigd, en wel in de navolgende zin:

o verklaring van 23 juni 2008 (intake): dat zij met ongeveer tussen de 20 en 30 mannen seks heeft gehad;

o verklaring van 2 september 2008: 15 klanten per maand in de eerste 8 maanden en 4 klanten per maand in de daarop volgende 4 maanden (minimaal 136 klanten);

o verklaring van 6 november 2008: 3 avonden per week 3 klanten op een avond in de maanden maart en april 2006, alsmede in de periode van 3 september tot 24 november 2006 en in de periode van 5/6 januari 2007 tot eind april 2007, derhalve ongeveer 36 klanten per maand gedurende circa 9 maanden;

o onderbouwing vordering benadeelde partij: 20/30 klanten per dag gedurende 5/6 dagen per week in de periode van maart 2006 tot maart 2007, waarvan 5 weken niet gewerkt en gemiddeld 25 klanten per dag gedurende 2/3 dagen per week in de periode van maart 2007 tot mei 2007.

Onbeantwoorde vragen

Belangrijke onderdelen van de verklaring van aangeefster roepen vragen op. De rechter-commissaris en de rechtbank hebben aangeefster op deze onderdelen expliciet ondervraagd. Aangeefster heeft voor deze ongerijmdheden geen plausibele verklaring kunnen geven. De rechtbank doelt in het bijzonder op de volgende onderdelen:

- Tijdens de zitting is vast komen te staan dat het politiebureau van [plaatsnaam 1] op een steenworp afstand ligt van het portiek waarin aangeefster tegen haar wil en in het bijzijn van andere jongens de verdachte zou hebben moeten pijpen (onderdeel van zaaksdossier [zaaksdossier 1]), alsmede dat aangeefster wist dat dit politiebureau daar lag. Aangeefster is toen zij de mogelijkheid kreeg om weg te rennen niet richting dit politiebureau gerend maar is volgens haar eigen verklaring een rondje om de flat waarin het portiek is gelegen, gaan rennen.

- Aangeefster heeft verklaard dat zij op of omstreeks 14 januari 2006 vrijwillige vaginale seks heeft gehad met [naam 2], dat het heel fijn was en dat zij is klaargekomen. Uitgaande van haar verklaring heeft deze vrijwillige seks plaatsgevonden een paar dagen nadat zij op grove wijze door meerdere jongens zou zijn verkracht in een park en een portiek (zaaksdossier [zaaksdossier 1]). De omstandigheid dat aangeefster blijkbaar een paar dagen nadat zij door meerdere mannen bruut is verkracht, in staat is om vrijwillig seks te hebben in een auto en hiervan te genieten, roept bij de rechtbank vragen op. Dit geldt te meer nu aangeefster blijkens haar verklaring [naam 2] pas twee weken kende en zij voorafgaande aan de seks met hem was geschrokken omdat de condooms die hij gebruikte van eenzelfde onbekende soort waren als de condooms die de verdachte en een andere jongen in het park tijdens de verkrachtingen hadden gebruikt en zij hierdoor een relatie vermoedde tussen [naam 2] en de jongens die haar een paar dagen eerder hadden verkracht.

- Aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat zij onvrijwillige seks met de verdachte had gehad op de [straatnaam 3] (zaaksdossier [zaaksdossier 3]) en weer thuis in bed lag, werd gebeld door de verdachte met de mededeling dat zij naar buiten moest komen. Dit heeft zij gedaan en dat heeft volgens haar verklaring geresulteerd in de gebeurtenissen die zijn ten laste gelegd in het zaaksdossier [zaaksdossier 4]. Als de verklaring van aangeefster ten aanzien van hetgeen is gebeurd in de [straatnaam 3] juist is, valt niet te begrijpen dat aangeefster haar veilige thuisomgeving na een telefoontje van de verdachte heeft verlaten.

- In het zaaksdossier [zaaksdossier 4] is onder andere een verklaring afgelegd door de jongerenwerker [getuige 5]. Uit deze verklaring volgt dat hij op de avond waarover aangeefster heeft verklaard op enig moment constateerde dat er in de kleedkamer seksuele handelingen plaatsvonden tussen een aantal jongens en aangeefster en dat hij hen hierop heeft aangesproken. Aangeefster zou toen hebben gezegd dat hij ook mee kon doen. Tevens werd hem, zo verklaart hij, door één van de jongens een sms‘je van aangeefster getoond waarin stond dat zij alleen zou komen als zij seks zou kunnen hebben met 10 jongens. Als de seks in het zaaksdossier [zaaksdossier 4] vrijwillig was, waarop de verklaring van getuige [getuige 5] lijkt te duiden, dan valt niet te verklaren dat de seks die eerder op diezelfde avond plaatshad in de [straatnaam 3] niet vrijwillig was. Bij beide gebeurtenissen vervulde de verdachte volgens de verklaring van aangeefster immers een belangrijke rol.

- Aangeefster is pas tweeënhalf jaar nadat zij voor de eerste keer door een aantal van de verdachten en hun vrienden zou zijn verkracht bij de politie hierover gaan verklaren. Als verklaring voor dit lange zwijgen noemt zij in hoofdzaak:

o dat zij toch niet zou kunnen bewijzen wat er was gebeurd;

o dat de verdachten dreigden haar dan wel haar nichtje iets aan te doen als zij niet meewerkte en haar in dit verband meerdere malen een vuurwapen hebben getoond;

o dat zij de politie, haar ouders en de huisarts niet vertrouwde.

Deze verklaring overtuigt de rechtbank niet om de volgende redenen:

o aangeefster kwam ter zitting intelligent over, hetgeen ook niet verraste in aanmerking nemende dat zij in de periode van de ten laste gelegde gebeurtenissen een opleiding HBO-V volgde. Onder verwijzing naar genoemde opleiding HBO-V benadrukte zij ook haar medische kennis. In het licht hiervan is het opmerkelijk dat aangeefster in die tweeënhalf jaar blijkbaar niet heeft bedacht dat zij vlak na het plaatsvinden van de gestelde verkrachtingen veel meer bewijs had om haar verhaal te ondersteunen dan tweeënhalf jaar na dato;

o de dreigementen met het vuurwapen en het nichtje zijn volgens de verklaring van aangeefster pas vanaf 12 februari 2006 begonnen. Deze dreigementen waren derhalve nog niet van kracht ten tijde van de voorvallen zoals beschreven in de zaken [zaaksdossier 1] en [zaaksdossier 2];

o niet duidelijk is geworden waarom aangeefster noch haar ouders noch de politie noch haar huisarts vertrouwde, nu zij volgens eigen zeggen goed contact met haar ouders had, nergens uit blijkt dat zij voorafgaand aan deze zaak enige ervaring met de politie heeft gehad en zij moet hebben geweten dat een huisarts een beroepsgeheim heeft.

- Aangeefster is volgens eigen zeggen ruim een jaar vele avonden per week ’s nachts door haar slaapkamerraam (op de eerste verdieping van het huis van haar ouders) naar buiten geklommen om in opdracht van een of meer verdachten tegen betaling seks te hebben met klanten om later die nacht via datzelfde slaapkamerraam weer naar binnen te klimmen. Nog daargelaten dat het bepaald geen eenvoudige opgave is om meerdere keren per week deze klim te maken, is het vreemd dat -voor zover de rechtbank uit het dossier kan afleiden- deze veelvuldige nachtelijke klimpartijen door niemand zijn opgemerkt. Ook niet door haar ouders, die sliepen in de kamer boven haar kamer.

- Uit de verklaring van aangeefster volgt dat aan de prostitutie een einde is gekomen toen zij er een streep onder wilde zetten en dat het toen ook is gestopt (pagina 80 van het relaas proces-verbaal). De vraag rijst dan, waarom er op dat willekeurig door aangeefster bepaalde moment kennelijk geen dwang of dreiging meer was.

- Uitgaande van de verklaring van aangeefster heeft zij in de ten laste gelegde periode verplichte seks gehad met honderden mannen, en met sommige mannen meerdere keren. Verwacht zou worden dat in ieder geval een paar van deze mannen aan de hand van informatie van aangeefster over hun naam, uiterlijk en/of andere bijzonderheden getraceerd zouden kunnen worden, maar er is geen één man gevonden. In dit verband is opmerkelijk de opmerking van aangeefster op de zitting dat zij bewust informatie voor de politie heeft achtergehouden om (het gezinsleven van) haar klanten te beschermen.

- Aangeefster heeft in de periode van anderhalf jaar (januari 2006 tot en met circa april 2007) dat zij door de door haar genoemde groep mannen werd gedwongen tot het hebben van seks met hen en met heel veel klanten de medeverdachte [medeverdachte 4] leren kennen, namelijk in maart 2006. Met hem heeft zij in [plaatsnaam 2] (in de buurt van [plaatsnaam 3]) een relatie en een bestaan opgebouwd, welke relatie heeft geleid tot een huwelijk in december 2007. Daarnaast heeft zij in die periode in [plaatsnaam 4] (met succes) haar opleiding HBO-V voortgezet. De rechtbank acht het welhaast onmogelijk dat aangeefster al deze dingen naast elkaar heeft kunnen uitvoeren.

Al het voorgaande in aanmerking nemende, heeft de rechtbank de sterke indruk dat de verklaring van aangeefster (op onderdelen) niet (geheel) op de waarheid berust. Deze indruk wordt versterkt door de omstandigheid dat alle verdachten en alle getuigen die verklaringen in de in deze paragraaf aan de orde zijnde zaken hebben afgelegd op belangrijke onderdelen anders verklaren dan aangeefster en de rechtbank deze verklaringen geloofwaardig acht. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaringen van deze verdachten en getuigen op veel punten (en ook op detailniveau) gelijkluidend zijn, een aantal getuigen geen kenbaar eigen belang hadden bij het afleggen van een voor de verdachten gunstige verklaring (o.a. [getuige 5]. Uit de verklaring van de leidinggevende van [getuige 5] volgt dat [getuige 5] dit incident destijds bij hem heeft gemeld op de wijze als hij tegenover de politie heeft verklaard), alsmede dat twee van de verdachten zichzelf in hun verklaringen een groter aandeel in de gebeurtenissen toe hebben gedicht dan aangeefster hen in haar verklaring had gegeven waardoor deze verdachten de verdenking op zichzelf hebben vergroot in plaats van hebben verkleind. De verdachte verklaart immers in het zaaksdossier [zaaksdossier 2] twee keer vaginale seks met aangeefster te hebben gehad terwijl aangeefster verklaart hem uitsluitend te hebben moeten pijpen. De medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart in diezelfde zaak dat aangeefster bij hem en de verdachte in de auto is gestapt terwijl aangeefster verklaart hem voor het eerst te hebben ontmoet in zijn huis aan de [straatnaam 3] na de rit met de auto, waar zij met geweld ingetrokken zou zijn.

De rechtbank concludeert dat zij de verklaringen van aangeefster niet betrouwbaar acht. Dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden tegen de kenbare wil van aangeefster -de kern van het strafrechtelijk verwijt- komt daarom niet buiten redelijke twijfel vast te staan. Dit staat een bewezenverklaring van deze feiten in de weg.

De verdachte zal dan ook van deze feiten worden vrijgesproken.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], terzake van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6. [benadeelde partij] vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 411.183,33 en van immateriële schade tot een bedrag van € 75.000.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde partij] niet ontvankelijk dient te worden verklaard voor wat betreft de schadepost ‘gederfde inkomsten’, nu mensenhandel niet aan de verdachte ten laste is gelegd. Zij acht toewijzing van de gevorderde schadeposten studie (€ 22.150,10) en overige (€ 533,23) in de rede liggen . De officier van justitie acht toewijzing van een immateriële schadevergoeding van € 25.000, gelet op de rol van de verdachte, redelijk en billijk.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten, zal [benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu [benadeelde partij] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de tussen haakjes geplaatste zinsnede van het 3e gedachtestreepje van het ten laste gelegde feit 5;

verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging van de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Commandeur en McGivern, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2011.

Bijlage bij vonnis van 17 januari 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

(zaken [zaaksdossier 1])

hij

in of omstreeks de periode van 7 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te [plaatsnaam 5], thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal (telkens),

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [aangeefster], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [aangeefster] gebracht/geduwd en/of het lichaam/borsten van die [aangeefster] betast

en bestaande dat geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- opzettelijk en met kracht die [aangeefster] heeft/hebben beetgepakt en/of

- die [aangeefster] in een auto heeft/hebben getrokken en/of

- die [aangeefster] aan haar haren heeft/hebben getrokken en/of

- het hoofd van die [aangeefster] in de richting van hun penis heeft/hebben geduwd en/of

gestuurd en/of

- in de borsten van die [aangeefster] heeft/hebben geknepen en/of

- die [aangeefster] tegen een metalen rek heeft/hebben geduwd en/of

- de polsen van die [aangeefster] heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [aangeefster] de (dreigende) woorden heeft/hebben toegevoegd, dat ze haar bek moest

houden en dat ze een vieze slet was en/of dat als ze, [aangeefster], mee zou werken, hij,

verdachte, of een of meer van zijn mededaders, haar geen pijn zou/zouden doen, en/of dat

ze, [aangeefster], haar mond moest houden omdat anders haar laatste uren waren geteld,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- gebruik heeft/hebben gemaakt van het numerieke en fysieke overwicht van verdachte en

zijn mededader(s) op die [aangeefster] en aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan, waardoor die [aangeefster] zich niet(langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten;

(artikelen 47, 242 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

(zaken [zaaksdossier 1])

hij

in of omstreeks de periode van 7 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te [plaatsnaam 5], thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [aangeefster] in een auto gesleurd/getrokken en/of

- die [aangeefster] op de achterbank van die auto, tussen verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), laten plaatsnemen en vervolgens met die auto is/zijn gaan rijden en/of

- die [aangeefster]n in haar nek gezoend en/of tussen haar benen gegrepen en/of

- die [aangeefster] niet alleen gelaten en/of (aldus) belet/belemmerd dat die [aangeefster] de auto kon verlaten;

(artikelen 47, 282 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

(zaak [zaaksdossier 2])

hij

in of omstreeks de periode van 7 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te [plaatsnaam 1], thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [aangeefster] vastgepakt en/of

- de armen/polsen van die [aangeefster] vastgepakt en/of

- de arm van die [aangeefster] op haar rug gedraaid en/of

- die [aangeefster] in een auto gesleurd/getrokken en/of

- die [aangeefster] op de achterbank van die auto, tussen verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), laten plaatsnemen en/of vervolgens met die auto met gierende banden is/zijn weggereden en/of

- in die auto een hand van die [aangeefster] vastgepakt en haar been geblokkeerd waardoor die [aangeefster] in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en/of

- die [aangeefster] niet alleen gelaten en/of (aldus) belet/belemmerd dat die [aangeefster] de auto kon verlaten en/of

- die [aangeefster] (vervolgens) onder dwang uit de auto laten stappen en/of

- die [aangeefster] hebben getrapt en geslagen en/of

- die [aangeefster] in een woning naar binnen gesleurd, althans onder dwang meegenomen naar binnen in een woning;

(artikelen 47, 282 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

(zaak [zaaksdossier 2])

[naam 1] en/of een Antilliaanse man en/of één of meer vooralsnog onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 7 januari 2006 tot en met 14 januari 2006 te [plaatsnaam 5], thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland, in een woning, meermalen althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [aangeefster], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebbende die [naam 1] en/of Antilliaanse man en of één of meer vooralsnog onbekend gebleven personen zijn/hun vinger(s) in de vagina en/of zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [aangeefster] gebracht/geduwd/gehouden

en welk geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (onder meer)

- uittrekken van de (onder)broek, althans één of meer kledingstuk(ken) van die [aangeefster]

en/of

- (met kracht) uit elkaar trekken van de benen/knieën van die [aangeefster] en/of

- fixeren van de benen van die [aangeefster] door met zijn/hun lijf bovenop die [aangeefster] te gaan liggen en/of

- in een positie duwen/houden van die [aangeefster] waardoor zij zich niet meer kon bewegen en/of

- vastpakken van de nek/keel van die [aangeefster] en/of

- het vastpakken bij de schouders en vasthouden van die [aangeefster] en/of

- misbruik maken van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht en/of

zijn/hun fysieke en/of psychische en/of emotionele overwicht en/of

- aandringen op seksuele handelingen waartegen die [aangeefster] zich niet meer kon en/of

durfde te verzetten (gelet op de omstandigheid dat die [aangeefster] de woning waar zij op dat moment verbleef niet mocht verlaten van verdachte en/of zijn mededader(s)) en/of

- misbruik maken van het nummerieke overwicht van verdachte en zijn mededader(s) op die

[aangeefster] en aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan, waardoor die [aangeefster] zich niet (langer) tegen (verdergaande) seksuele handelingen kon verzetten

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrij(f)(ven) verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot dit feit gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- die [aangeefster] onder dwang naar die woning te brengen en/of

- in de slaapkamer en/of woonkamer van die woning toe te kijken terwijl die [naam 1] en/of

Antilliaanse man en of één of meer vooralsnog onbekend gebleven personen zijn/hun

vinger(s) in de vagina en/of zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [aangeefster]

brachten/duwden;

(artikelen 47, 48 en 242 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

(zaak [zaaksdossier 3])

hij

in of omstreeks de periode van maart 2006 tot en met 15 april 2006 te [plaatsnaam 5], thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [aangeefster], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) zijn/hun penis in de vagina en/of mond van die [aangeefster] gebracht/geduwd/gehouden

en bestaande dat geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- die [aangeefster] de (dreigende) woorden toegevoegd dat zij, [aangeefster], nog steeds een straf zou krijgen en/of dat dit een gedeelte van de wraak is en/of dat zij binnenkort een

telefoontje zou krijgen en dat dan het volgende gedeelte zou komen en/of dat als zij gebeld

zou worden door een bekende dat zij dan mee zou moeten en/of dat zij niet moest zeuren

en het gewoon moest doen en/of dat zij mee moest werken anders zou ze worden

vastgebonden (hierbij wijzende naar handboeien), althans woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

- misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende

overwicht en/of zijn/hun fysieke en/of psychische en/of emotionele overwicht en/of

- heeft/hebben aangedrongen op seksuele handelingen waartegen die [aangeefster] zich

niet meer kon en/of durfde te verzetten (gelet op de omstandigheden voortvloeiend uit de

eerdere gebeurtenissen zoals gerelateerd in de verschillende zaaksprocessen-verbaal);

(artikelen 47 en 242 van het Wetboek van Strafrecht)

6.

(zaak [zaaksdossier 4])

hij

in of omstreeks de periode van maart 2006 tot en met 15 april 2006 te [plaatsnaam 5] thans gemeente [plaatsnaam 6], in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [aangeefster], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) zijn/hun penis en/of tong in de mond van die [aangeefster] gebracht/geduwd/gehouden en/of de mondopening/hals van een flesje tegen en/of in de anus van die [aangeefster] gebracht/geduwd/gehouden

en bestaande dat geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- die [aangeefster] de (dreigende) woorden toegevoegd dat zij, [aangeefster], naar buiten moest komen en/of niet moest zeuren en moest luisteren en moest doen wat er werd gezegd en/of dat de tijd opnieuw was ingegaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [aangeefster] naar een kleedkamer heeft/hebben geleid en/of haar vervolgens opgedragen naar de doucheruimte te gaan en/of hier vervolgens de deur dichtgedaan en/of

- die [aangeefster] in een hoek heeft/hebben geplaatst en/of haar kleding heeft/hebben

losgemaakt en/of uitgedaan en/of

- met zijn/hun penis tegen de rug van die [aangeefster] heeft/hebben gewreven en/of tussen de billen van die [aangeefster] gedaan en/of

- met zijn/hun handen overal aan het lichaam van die [aangeefster] heeft/hebben gezeten en/of

- de keel/strot van die [aangeefster] heeft/hebben vastgepakt en/of dichtgedrukt en/of haar tegen de deur van het douchehokje heeft/hebben gedrukt en/of

- misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende

overwicht en/of zijn/hun fysieke en/of psychische en/of emotionele overwicht en/of

- heeft/hebben aangedrongen op seksuele handelingen waartegen die [aangeefster] zich niet

meer kon en/of durfde te verzetten (gelet op de omstandigheid dat die [aangeefster] de

doucheruimte/kleedkamer waar zij op dat moment verbleef niet mocht/kon verlaten) en/of

- misbruik heeft/hebben gemaakt van het nummerieke overwicht van verdachte en zijn

mededader(s) op die [aangeefster] en aldus voor die [aangeefster] een bedreigende situatie

heeft/hebben doen ontstaan, waardoor die [aangeefster] zich niet (langer) tegen verdergaande seksuele handelingen kon verzetten;

(artikelen 47 en 242 van het Wetboek van Strafrecht)