Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BV6681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
1093369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het primaire verzoek, ontbinding op grond van een dringende reden, kan niet worden toegewezen nu de door werkgever hieraan ten grondslag gelegde feiten alle door werknemer gemotiveerd zijn betwist en de lezing van werknemer niet bij voorbaat onaanneme¬lijk voorkomt, zodat van de juistheid van het door werkgever gestelde feitencomplex onvoldoende is gebleken. Werkgever heeft zich verzet tegen nadere bewijsgaring,

Het subsidiaire verzoek van werkgever en het tegenverzoek van werknemer gaan beide uit van door de gerezen situatie veranderde omstandigheden die aan een vruchtbare voortzetting van de arbeidrelatie in de weg staan. De kantonrechter deelt die inschatting van partijen en de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden. Gezien de omstandigheden bestaat er geen aanleiding de hoogte van de aan werknemer toe te kennen vergoeding te differentiëren al naar gelang de indiener van het verzoek. Evenmin zijn er indicatoren om deze anders dan conform de kantonrechtersformule, met inachtneming van een neutrale C-factor van 1, te berekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

beschikking ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[verzoekster]

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. Ch.E. Koster, advocaat te Amsterdam,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens verzoeker in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A.C. Steensma, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[verzoekster]’ respectievelijk ‘[verweerder]’.

1. De processtukken en de loop van het geding

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift van [verzoekster], ingekomen bij de rechtbank op 26 februari 2010, met producties;

- het verweerschrift tevens zelfstandig tegenverzoek van [verweerder], ingekomen bij de rechtbank op 22 maart 2010, met producties;

- aanvullende producties van de zijde van [verzoekster] ingekomen bij de rechtbank op 23 maart 2010;

- aanvullende producties van de zijde van [verweerder] ingekomen bij de rechtbank op 23 maart 2010.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2010. [verzoekster] is verschenen bij [A], [B] en [C], directeur [verzoekster] Holding, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van [verzoekster] heeft zich bediend van pleitaantekeningen, die in het dossier zijn gevoegd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden.

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Aan genoemde processtukken en het verhandelde ter zitting kunnen de volgende vaststaande feiten worden ontleend.

2.1 [verzoekster] houdt zich bezig met de import, export en groothandel in noten en zuidvruchten.

2.2 [verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 1 augustus 1993 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [verzoekster]. Zijn laatstelijk verdiende salaris bedraagt € 10.000,-- per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

3. Het verzoek van [verzoekster]

Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:685 BW, primair be¬staande in een dringende reden subsidiair bestaande in een verandering van omstandigheden, zonder toeken¬ning aan [verweerder] van een vergoeding.

[verzoekster] heeft, naast hetgeen hierboven onder de vaststaande feiten is vermeld, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

3.1 [verweerder] bekleedt de functie van Algemeen Directeur en maakt ook deel uit van de Groepsdirectie. In het kader van de uitoefening van zijn functie heeft [verweerder] vanaf eind 2007 een leidende rol gehad in het proces tot de ontwikkeling en het tot stand brengen van een nieuwe verpakking door [verzoekster]. De eigendom en alle rechten (van intellectuele eigendom) van deze nieuwe verpakking berusten (van rechtswege) bij [verzoekster], uit hoofde van haar werkgeverschap. [verzoekster] heeft ook alle investeringen en kosten gedragen die voor de totstandkoming nodig waren. Eind oktober 2009 waren de contracten met alle betrokken partijen zo goed als rond en kort hierna zou de nieuwe verpakking in productie genomen worden.

3.2 Begin november 2009 kwam [verweerder] met de mededeling dat hij de nieuwe verpakking (in mei 2009) op persoonlijke titel als Gemeenschapsmodel had gedeponeerd. Hij bleek ook de leverancier te hebben opgedragen het modelregistratienummer in de bodem van de te produceren verpakkingen te slaan. Door dit zonder toestemming van [verzoekster] te doen pleegt [verweerder] niet alleen wanprestatie, nu hij immers in strijd met zijn arbeidsovereenkomst zaken voor eigen rekening doet, maar handelt hij ook onrechtmatig jegens [verzoekster], te weten in strijd met haar belang en met haar bovenbedoelde (intellectuele eigendoms)rechten. Dit levert een dringende reden op in de zin van art. 7:677 lid 1 en 678 BW.

3.3 Vanwege de grote belangen die er voor [verzoekster] op het spel stonden en rekening houdende met het lange dienstverband van [verweerder] heeft [verzoekster] getracht met hem tot een oplossing te komen. [verweerder] was echter slechts bereid aan [verzoekster] een licentie te verstrekken onder door hem bepaalde, voor [verzoekster] onaanvaardbare condities en sommeerde [verzoekster] bij gebreke hieraan het gebruik van de nieuwe verpakking te staken.

3.4 Daarnaast is [verzoekster] gebleken dat [verweerder] (ook anderszins) bezig is met voor [verzoekster] concurrerende activiteiten. Hij heeft een derde partij, met wie [verzoekster] in overleg was over een toekomstige samenwerking, alsmede een werknemer van [verzoekster] die met het oog op die samenwerking was aangetrokken, gepolst om buiten [verzoekster] om te gaan samenwerken.

3.5 Met zijn handelwijze heeft [verweerder] een situatie gecreëerd waarin het benodigde vertrouwen volledig is komen te vervallen en waarin is gebleken dat hij de op hem rustende verplichtingen grovelijk veronachtzaamt. Op 24 februari 2010 is [verweerder] door [verzoekster] op non-actief gesteld.

4. Het verweer van [verweerder] tegen het verzoek van [verzoekster]

[verweerder] bepleit afwijzing van het verzochte. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

4.1 [verweerder] heeft de nieuwe verpakking zelfstandig, in eigen tijd en op eigen kosten ontworpen. Hem komen dan ook als ontwerper de model- danwel auteursrechten toe. Hij heeft zijn ontwerp op eigen kosten laten registreren.

4.2 [verzoekster] was hiervan op de hoogte en had dit in elk geval kunnen zijn. De nieuwe verpakking werd steevast aangeduid als ‘het cupje van Perry’ en het kon haar dan ook niet verbazen dat [verweerder] het model op eigen naam heeft laten registreren. Er is van aanvang af, in elk geval (veel) eerder dan november 2009 tussen partijen over het model en de registratie ervan door [verweerder] gesproken. In een publicatie op de eigen website van [verzoekster] wordt ook melding gemaakt van een ‘aangevraagd patent’. [verzoekster] wist ook van het instansen van de initialen van [verweerder], respectievelijk het registratienummer in de verpakkingen.

4.3 Door met [verweerder] een licentieovereenkomst te willen aangaan heeft [verzoekster] de rechten van [verweerder] ook onderkend. [verweerder] heeft bij het opstellen van de voorwaarden van die overeenkomst het voor [verzoekster] spelende belang terdege gerespecteerd.

4.4 Om de juistheid van de door [verzoekster] aangevoerde gronden en omstandigheden te kunnen beoordelen zal het horen van getuigen noodzakelijk zijn. Op hetgeen thans voorligt zal in elk geval de conclusie niet gebaseerd kunnen worden dat [verweerder] aanleiding heeft gegeven die noopt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zodat het verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen.

5. Het tegenverzoek van [verweerder]

Het verzoek van [verweerder] strekt ertoe de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:685 BW, bestaande in een verandering van omstandigheden, onder toekenning aan [verweerder] van een beëindigingsvergoeding ter hoogte van € 392.683,-- en een vergoeding voor kosten rechtsbijstand van € 11.320,-- ex BTW.

5.1 Verwijzend naar hetgeen ten verwere is aangevoerd tegen het verzoek van [verzoekster] stelt [verweerder] dat [verzoekster] met haar handelen frontaal heeft aangestuurd op een breuk en daarbij door roeien en ruiten is gegaan. Haar verwijten zijn ongefundeerd en grievend. In feite wil [verzoekster] van [verweerder] af om zo een hogere prijs te kunnen krijgen bij de verkoop van de onderneming, die al lang in de planning zit. Op meerdere manieren heeft zij getracht zijn functie overbodig te maken en hem buiten spel te zetten.

5.2 [verweerder] heeft er geen enkel vertrouwen meer in dat een zinvolle continuering van het dienstverband nog tot de mogelijkheden behoort en verzoekt derhalve op zijn beurt de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het verwijt voor de noodzaak hiertoe treft evenwel niet hem, maar [verzoekster]. De handelwijze van [verzoekster] dient tot uitdrukking gebracht te worden in de aan [verweerder] toe te kennen ontbindingsvergoeding, door de C-factor op 1,6 te stellen. Voorts dient bij de bepaling van de aanmerking te nemen beloning rekening gehouden te worden met de door [verweerder] gemiddeld genoten bonus over de afgelopen 3 jaren, hetgeen in een B-factor ter hoogte van € 11.687,-- (inclusief vakantietoeslag) resulteert.

Voorts dienen de kosten van rechtsbijstand voor rekening van [verzoekster] te komen. Met verwijzing naar het bepaalde in artikel 1019 Rv. dienen die te worden gesteld op € 11.320,-- ex BTW.

6. Het verweer van [verzoekster] tegen het verzoek van [verweerder]

[verzoekster] heeft geen andere argumenten aangevoerd dan die ter onderbouwing van haar eigen verzoek.

7. De beoordeling

7.1 De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat er geen sprake is van strijd met een opzegverbod.

7.2 Gezien de samenhang van de verzoeken over en weer zullen ze gezamenlijk worden behandeld.

7.3 Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie de (intellectuele eigendoms)rechten toekomen die verbonden zijn aan de nieuw ontworpen verpakking. Door [verzoekster] is inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Den Haag om hieromtrent een uitspraak te krijgen. [verweerder] heeft bepleit dat in de onderhavige procedure nader onderzoek, in de vorm van het horen van getuigen, zal plaatsvinden naar (de afspraken over) (de aanspraken op) die rechten. Immers, eerst dan zal het handelen van partijen ten opzichte van elkaar in een juist daglicht kunnen worden gezien om een oordeel te kunnen te geven over eventuele verwijtbaarheid van (een der) partijen bij een uit te spreken ontbinding. [verzoekster] heeft zich uitdrukkelijk verzet tegen het horen van getuigen, stellende dat de aard van de onderhavige procedure zich met het hiermee gepaard gaande uitstel niet verdraagt alsmede dat de vraag wie rechthebbende is geen beantwoording behoeft om het handelen van partijen te kunnen beoordelen.

7.4 De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de thans voorliggende gegevens niet valt vast te stellen wie de rechthebbende is en ook dat duidelijkheid hierover noodzakelijk is om de primaire grondslag van het verzoek van [verzoekster] te kunnen toetsen. Immers, indien partijen (uitdrukkelijk of stilzwijgend) overeen zijn gekomen dat [verweerder] de rechten toekwamen (zoals zijn standpunt luidt) zal dat tot een geheel andere waardering van diens handelen aanleiding geven dan wanneer [verweerder] zich eigenmachtig en zonder instemming van [verzoekster] als rechthebbende heeft laten registreren (zoals [verzoekster] stelt).

Nu de door [verzoekster] aan de primaire grondslag van haar verzoek ten grondslag gelegde feiten alle door [verweerder] gemotiveerd zijn betwist, diens lezing niet bij voorbaat onaanneme¬lijk voorkomt en [verzoekster] zich verzet tegen nadere bewijsgaring, moet de conclusie zijn dat van de juistheid van het door [verzoekster] gestelde feitencomplex onvoldoende is gebleken. Het primaire verzoek kan dan ook niet worden toegewezen.

7.5 Het subsidiaire verzoek van [verzoekster] en het tegenverzoek van [verweerder] komen in zoverre met elkaar overeen, dat zij beide uitgaan van veranderde omstandigheden die maken dat een vruchtbare voortzetting van de arbeidrelatie niet reëel lijkt. De kantonrechter deelt die inschatting van partijen en de arbeidsovereenkomst van [verweerder] zal dan ook worden ontbonden. Te beantwoorden resteert dan de vraag of [verweerder] vanwege de beëindiging een vergoeding dient te worden toegekend en zo ja, die welke hoogte die vergoeding moet hebben.

7.6 Verwijzend naar het overwogene onder 7.3 moet geconstateerd worden dat er onvoldoen¬de feitelijke informatie voorhanden is om een oordeel te kunnen geven over de vraag wie er, in welke mate, debet is aan het rijzen van de veranderde situatie die thans tot de ontbinding noopt, zodat in elk geval niet gezegd kan worden dat [verweerder] het overwegende verwijt treft en er dus in beginsel aanleiding is voor het toekennen aan hem van een vergoeding. Nu partijen eendrachtig zijn in hun wens tot beëindiging, er onvoldoen¬de aanknopingspunten zijn waar het de verwijtbaarheid betreft en de voor [verweerder] door de beëindiging resulterende situatie in beide gevallen gelijk zal zijn, ziet de kantonrechter geen aanleiding de hoogte ervan te differentiëren al naar gelang de indiener van het verzoek. Evenmin zijn er, wederom verwijzend naar het onder 7.3 overwogene, indicatoren om de hoogte van de toe te kennen vergoeding hoger of lager te laten zijn dan die berekend volgens de kantonrechtersformule met inachtneming van een neutrale C-factor van 1.

Voorts zullen in aanmerking genomen worden de (afgerond) 17 (20 gewogen) dienstjaren van [verweerder] en diens bruto maandsalaris ad € 10.000,-- exclusief vakantietoeslag. Nu onweersproken is door [verweerder] dat de toekenning van de bonussen afhankelijk was van het maken van winst en de omvang ervan vervolgens van de hoogte hiervan, ziet de kanton¬rechter hierin geen vaste looncomponent, zodat de bonussen bij de berekening niet zullen worden meegenomen. Al met al resulteert een vergoeding ter hoogte van € 210.600,--.

7.7 Het verzoek van [verweerder] om toekenning aan hem van een separate vergoeding voor zijn kosten van rechtsbijstand zal niet worden gehonoreerd. Nog daargelaten dat het artikel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarop hij zich beroept niet voor deze procedure geschreven is en de hoogte van een eventuele vergoeding derhalve niet conform de hierin beschreven maatstaf dient te worden bepaald, is de kantonrechter van oordeel dat de aard van de procedure met zich meebrengt dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

7.8 Ingevolge het bepaalde in het negende respectievelijk het tiende lid van artikel 7:685 BW zal aan elk der partijen op de hierna aan te geven wijze de gelegenheid worden geboden het verzoek in te trekken.

8. De beslissing

De kantonrechter:

op het verzoek van [verzoekster]:

- stelt partijen in kennis van haar voornemen om de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerder] met ingang van 1 mei 2010 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] van € 210.600,--;

- bepaalt dat [verzoekster] tot en met 30 april 2010 bevoegd is haar verzoek tot ont¬binding van de arbeidsovereenkomst in te trekken waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van de intrekking ter griffie;

en indien [verzoekster] het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2010 en kent aan [verweerder] deswege toe een vergoeding ter hoogte van € 210.600,--;

- veroordeelt [verzoekster] deze vergoeding aan [verweerder] te betalen.

op het verzoek van [verweerder]:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2010 en kent aan [verweerder] deswege toe een vergoeding ter hoogte van € 210.600,--;

- bepaalt dat [verweerder] tot en met 30 april 2010 bevoegd is zijn verzoek tot ont¬binding van de arbeidsovereenkomst in te trekken waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van de intrekking ter griffie;

en indien [verweerder] het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2010 en kent aan [verweerder] deswege toe een vergoeding ter hoogte van € 210.600,--;

- veroordeelt [verzoekster] deze vergoeding aan [verweerder] te betalen;

ten aanzien van beide verzoeken:

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en uitgesproken ter openbare terechtzitting.