Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BQ0438

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
1058688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een woningcorporatie vordert ontbinding van de huurovereenkomst, omdat de huurders niet feitelijk woonachtig zijn in de gehuurde woning, aldus de woningcorporaties. De verhuurders krijgen de gelegenheid om te bewijzen dat zij feitelijk woonachtig zij in het gehuurde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de stichting

[eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 6 november 2009,

gemachtigde: mr. R. Kokke

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

die niet heeft gereageerd,

2. [gedaagde sub 2],

wonende, althans ingeschreven staand te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.G. Goedhart

3. [gedaagde sub 3],

wonende, althans ingeschreven staand te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M. G. Goedhart,

4. Hen die verblijven aan [adres] te [woonplaats],

die niet hebben gereageerd.

1. Het verloop van het proces in conventie en in reconventie

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

• het exploot van dagvaarding van 12 juni 2009 met bijlagen (13 producties);

• conclusie van antwoord van gedaagden sub 2 en 3 met bijlagen (6 producties);

• conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis met bijlagen (6 producties);

• conclusie van dupliek van gedaagden sub 2 en 3 met bijlagen;

• akte uitlaten producties.

De uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen

-zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende vast.

2.1. Gedaagde sub 1, de ex-echtgenoot van gedaagde 2 is op 16 augustus 1993 een huurovereenkomst met (de rechtsvoorgangster van) eiseres aangegaan terzake van de vierkamerwoning aan [adres] te [woonplaats] (hierna ook te noemen ‘de huurwoning’).

2.2 Bij rechterlijke uitspraak d.d. 22 mei 2000 is het huurrecht van de echtelijke woning aan [adres] met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding aan gedaagde sub 2 toegewezen. De echtscheiding is op 11 juli 2000 ingeschreven.

2.3 In artikel 7.2 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen is opgenomen dat de huurder verplicht is de huurwoning zelf te bewonen en er zijn hoofdverblijf dient te hebben. Voorts wordt het in het 4e lid van bedoeld artikel de huurder verboden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder, de woning te onderverhuren of in gebruik te geven aan derden.

2.4 In de gemeentelijke basisadministratie staan gedaagden sub 2 en 3 in de huurwoning ingeschreven.

2.5 Op 18 mei 2009 heeft het interventieteam Feyenoord, verder interventieteam genoemd, een huisbezoek aan het gehuurde gebracht waarbij zij twee personen van Mongolische afkomst in de huurwoning aantrof.

3. De stellingen van eiseres

Eiseres heeft onder overlegging van stukken en na wijziging c.q. vermeerdering van eis - zakelijk weergegeven- gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de huurovereenkomst tussen eiseres en (primair) gedaagde sub 1 dan wel de huurovereenkomst tussen eiseres en (subsidiair) gedaagde sub 2 te ontbinden;

b. gedaagden, ieder afzonderlijk te veroordelen om de huurwoning aan [adres] te [woonplaats], binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten, en onder afgifte der sleutels aan eiseres ter beschikking te stellen, met machtiging aan eiseres om, indien voornoemde personen in gebreke blijven aan een desbetreffende veroordeling te voldoen, deze zelf te doen bewerkstelligen;

c. gedaagde sub 1 dan wel gedaagde sub 2 te veroordelen tot betaling van de maandelijkse huurprijs van € 343,33 voor elke maand dat de huurovereenkomst voortduurt, te rekenen vanaf 1 december 2009 tot en met de datum van ontbinding van de huurovereenkomst.;

d. gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding, gelijk aan de thans verschuldigde maandelijkse huurprijs ad € 343,33 voor elke maand dat gedaagden voormelde woning in bezit zullen houden, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot de datum waarop eiseres weer de beschikking over de woning verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend;

e. gedaagden, hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.1 Aan de eis is, naast de hiervoor onder 2 vermelde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft eerst bij dupliek via de overgelegde echtscheidingsbeschikking vernomen dat aan gedaagde sub 2 sedert 11 juli 2000 het huurrecht terzake van de woning toekomt. Noch gedaagde sub 1 noch gedaagde sub 2 is evenwel overwegend woonachtig in de huurwoning. De stukken die gedaagde sub 2 bij dupliek in het geding heeft gebracht overtuigen niet op dit punt.

Door het interventieteam zijn in het gehuurde geen persoonlijke bezittingen van gedaagde sub 1 of gedaagde sub 2 aangetroffen en de huurwoning was uiterst summier ingericht. Er bevonden zich veel slaapplekken en er werd uit koffers geleefd.

Een aantal omwonenden heeft verklaard dat gedaagden sub 1 en 2 naar Turkije zijn vertrokken en dat de huurwoning sindsdien door (veel) verschillende personen (tegelijk) wordt bewoond. Hiermee handelt gedaagde sub 1, respectievelijk gedaagde sub 2, in strijd met de verplichtingen uit de huurovereenkomst en de algemene bepalingen, waarin is bepaald dat de huurder verplicht is het gehuurde zelf te bewonen en het gehuurde niet zonder toestemming aan derden, te weten gedaagden sub 3 en 4 in gebruik mag geven.

3.2 Gedaagde sub 3 verblijft zonder toestemming van eiseres in de huurwoning. Eiseres heeft hem geen verhuurdersverklaring afgegeven en/of ermee ingestemd dat hij zich op het adres van de huurwoning zou inschrijven.

3.3 Tenslotte heeft eiseres aangegeven dat in het geval de kantonrechter van mening mocht zijn, dat in deze zaak bewijslevering noodzakelijk is, op de huurder de bewijslast dient te rusten om aan te tonen dat deze hoofdverblijf in het gehuurde heeft en heeft gehad en het gehuurde niet aan derden heeft gegeven. Uitsluitend voor zover de bewijslast op grond van artikel 150 Rv op eiseres zou rusten, biedt zij bewijs aan van haar stellingen door alle middelen rechtens.

4. Het verweer van gedaagden sub 2 en 3

4.1 Gedaagde sub 2 heeft tegen de eis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat zij haar hoofdverblijf in de huurwoning aan [adres] heeft. Bij de echtscheiding kreeg zij de woning toebedeeld. Gedaagde sub 2 verblijft wel geregeld bij familie in Turkije, maar dit heeft geen consequenties voor haar hoofdverblijf. Uit de door gedaagde sub 2 in het geding gebrachte stukken, zoals bankafschriften en correspondentie met officiële instanties blijkt dat zij haar hoofdverblijf aan [adres] te [woonplaats] heeft. Gedaagde sub 2 heeft ook een aantal verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat zij de huurwoning als hoofdverblijf heeft.

4.2 Gedaagden sub 2 en 3 hebben gesteld dat er in redelijkheid geen bezwaren kunnen bestaan dat gedaagde sub 3 bij zijn tante inwoont. Mocht dit wel zo zijn dan kunnen deze bezwaren, gelet op de enorme gevolgen, geen ontbinding van de huurovereen-komst rechtvaardigen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1 Tegen de gedaagden sub 1 en sub 4 wordt, nu ten aanzien van hen de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, verstek verleend en zal een vonnis worden gewezen, dat tegen elk van hen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 7:266lid 5 BW en de rechterlijke uitspraak van 22 mei 2000 alsmede de inschrijving in de registers van 11 juli 2000 is gedaagde sub 2 met ingang van laatstgenoemde datum de huurder van de huurwoning. Per dezelfde datum is de huurovereenkomst tussen de (rechtsvoorgangster van) eiseres en gedaagde sub 1 geëindigd. Een en ander impliceert dat de primaire, jegens gedaagde sub 1 gerichte, vorderingen dienen te worden afgewezen.

5.3 Op gedaagde sub 2 rust als huurder de verplichting in de huurwoning haar hoofdverblijf te houden en het verbod deze, behoudens toestemming van eiseres, aan derden te verhuren of in gebruik te geven.

5.4 De kantonrechter is van oordeel dat de stellingen van partijen en de producties, c.q. verklaringen die eiseres en gedaagde sub 2 in het geding hebben gebracht geen duidelijkheid geven over de vraag of gedaagde sub 2 haar hoofdverblijf heeft (gehad) in de huurwoning. Zo kan bijvoorbeeld aan de ene kant waarde worden gehecht aan de bevindingen van het interventieteam en de verklaringen van de omwonenden die door eiseres zijn overgelegd. Daartegenover staat dat gedaagde sub 2 onder meer een betaalrekening waarvan zij de bankafschriften op het adres van de huurwoning ontvangt, alsmede andere daar ontvangen correspondentie, in het geding gebracht. Voorts heeft ook zij verklaringen van omwonenden overgelegd.

5.5 De juistheid van de lezing van betrokken partijen volgt niet zonder meer uit hetgeen zij ter ondersteuning daarvan aanvoeren. Daarom is nadere bewijslevering noodzakelijk. Bij de hiervoor weergegeven stand van zaken en gegeven het feit dat gedaagde sub 2 als huurder geacht moet worden beter te weten wat zich afspeelt in het gehuurde dan de verhuurder ziet de kantonrechter, in het spoor van de bedoelingen van de wetgever op dit punt zoals die blijken uit de wetsgeschiedenis, aanleiding om de bewijslast van het een en ander bij de huurster, derhalve gedaagde sub 2, te leggen. Zij zal derhalve dienen te bewijzen dat zij haar hoofdverblijf heeft en heeft gehad in de huurwoning.

5.6 Voorshands is de kantonrechter van oordeel dat, nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde sub 2 en sub 3 een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 7: 267 lid 1 BW (medehuur) hebben ingediend, er vanuit kan worden gegaan dat gedaagde sub 3 zonder recht en titel in de huurwoning verblijft.

5.7 Ten aanzien van gedaagden sub 4 komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat deze zal kunnen worden toegewezen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

1. laat gedaagde sub 2 eiseres toe tot het bewijs dat zij haar hoofdverblijf heeft en de afgelopen jaren heeft gehad in de huurwoning aan [adres] te [woonplaats];

2. verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van deze rechtbank sector kanton op dinsdag 14 december 2010 om 14.30 uur teneinde gedaagde sub 2 in staat te stellen zich bij akte uit te laten of en op welke wijze zij het bewijs wenst bij te brengen, Indien gedaagde sub 2 dat bewijs wenst te leveren door getuigen, op te geven het aantal en de namen van de voor te brengen getuigen (onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de maanden januari en februari 2011, zodat onmiddellijk ter zitting een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald);

3. de akte dient in tweevoud ingestuurd te worden en uiterlijk 13 december 2010 om 12.00 uur ter griffie ontvangen te zijn;

4. bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gerechtsgebouw B (rode gebouw) aan het Wilhelminaplein 100 te Rotterdam voor de hierna te noemen kantonrechter;

5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.