Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BP8396

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-12-2010
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
364739 / KG ZA 10-1018
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot medewerking aan ontbinding van het religieuze huwelijk na echtscheiding naar Nederlands recht toewijsbaar. Door zijn weigering daaraan mee te werken houdt de man de vrouw gevangen in wat zij ervaart als een religieus huwelijk. De man gedraagt zich aldus in strijd met hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer van hem kan worden gevergd.

NB

Onder de beoordeling staat ten onrechte dat het tweede religieuze huwelijk op 2-12-2001 is voltrokken. Dit betreft echter de eerste ceremonie. De tweede ceremonie vond plaats op 5 februari 2005.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/76
JPF 2011/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 364739 / KG ZA 10-1018

Uitspraak : 8 december 2010

VONNIS in kort geding in de zaak van:

[persoon 1],

wonende te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.H. Bialkowski te Amsterdam,

- t e g e n –

[persoon 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. Heinrici.

Partijen worden nader aangeduid als “de vrouw” respectievelijk “de man”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 16 november 2010;

- producties van mr. D.H. Bialkowski;

- pleitnota en producties van mr. J. Heinrici.

De raadslieden van partijen, mr. Bialkowski voornoemd en mr. S.M. den Hollander namens de man hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 24 november 2010.

2 De vaststaande feiten

Partijen zijn op 27 mei 2002 in het civiele burgerlijke huwelijk getreden.

Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van

30 september 2009 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand op

16 oktober 2009.

3 Het geschil

De vrouw vordert - kort gezegd - te bevelen dat de man zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk waarbij de man een afspraak zal maken met [persoon 3] of met [persoon 4] en de vrouw zo tijdig mogelijk in kennis zal stellen van dag en tijdstip en locatie waarop de man aldaar zal verschijnen en dat de man aldaar en alsdan zijn wens uitspreekt om van de vrouw te scheiden door ontbinding van het religieuze huwelijk en de man de te bevelen om al hetgeen te doen en na te laten noodzakelijk voor de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk, althans een zodanige medewerking aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom en lijfsdwang voor de duur van drie dagen.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.

4 De beoordeling

De vrouw heeft gesteld de man zijn medewerking weigert aan de ontbinding van het tussen partijen naar religieus Islamitisch recht gesloten huwelijk. Door deze weigering houdt de man haar gevangen in dit religieuze huwelijk, hetgeen voor de vrouw onverteerbaar is. Zij blijft zijn “vrouw” waardoor zij nimmer kan huwen met een andere man en een gezin kan stichten. Mocht de vrouw onverhoopt met een andere man een gezin stichten of zij zou alleen naar een Islamitisch land reizen dan zal de vrouw in de meeste Islamitische landen aangemerkt worden als een overspelige vrouw en bloot staan aan een reële mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging, zeker in Pakistan. Zij eist dat de man zijn medewerking zal verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk naar religieus Islamitisch recht. Door zijn medewerking te weigeren handelt de man onrechtmatig jegens de vrouw en schendt hij de artikelen 8 en 12 EVRM. Nu deze bepalingen een horizontale werking kennen tussen burgers, is een schending van deze bepaling in casu een schending van de zorgvuldigheidsnorm c.q. een onrechtmatige daad nu de man de vrouw opzettelijk verhindert haar rechten en vrijheden onder deze bepalingen te mogen uitoefenen. De vrouw heeft een spoedeisend en persoonlijk belang bij een ontbinding van het religieuze huwelijk.

De rechtbank is bevoegd van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen, nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat ten aanzien van de medewerking aan het tot stand brengen van een Islamitische echtscheiding dat deze door een Nederlandse rechter kan worden bevolen. (10/11/89 NJ 1990, 112)

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de eerste keer tussen partijen tegenover een Turkse Iman en twee getuigen een religieus huwelijk is gesloten, waarbij ook haar broer en zus aanwezig waren. Van dit huwelijk heeft zij een bewijsstuk. Op 4 december 2001 is op verzoek van de familie van de man een tweede religieus huwelijk (de Nikah) voltrokken naar Pakistaans recht tegenover een Iman met getuigen en heel veel familie. Van dit religieus huwelijk heeft de vrouw geen bewijsstuk meer.

De man heeft ter zitting erkend dat hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het religieuze huwelijk. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen religieus huwelijk is en dat hij dus niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding daarvan. De door de Nederlandse rechter uitgesproken en ingeschreven echtscheiding is ook naar Pakistaans recht rechtsgeldig. Volgens het recht van Pakistan bestaat er slechts één soort huwelijk en dat is het huwelijk (Nikah) gebaseerd op The Muslim Family Laws Ordinance 1961. Het huwelijk wordt gezien als een civiele overeenkomst. Er bestaat daarnaast niet volgens de wetten van Pakistan nog zoiets als een religieus huwelijk. Wil de man echtscheiding (Talaq) dan is het voldoende aan de vrouw kennis te geven echtscheiding te willen en vervolgens de 90-dagen termijn af te wachten.

De man heeft te kennen gegeven dat er tussen partijen weliswaar een ceremonie met religieuze achtergrond is gehouden, maar deze ceremonie had geen enkele officiële status en kan niet meer dan een sociale bevestiging van het burgerlijk huwelijk worden gezien. Van het bestaan van het religieus huwelijk is ook geen enkel bewijsstuk overgelegd.

De stelling van de vrouw is onjuist is als zou zij in een Islamitisch huwelijk gevangen zijn. Voor beide partijen geldt dat zij na inschrijving van de echtscheiding vrij zijn opnieuw in het huwelijk te treden. Ook Pakistaans recht verzet zich daar niet tegen.

Voorts is de man van mening dat de zaak zich niet leent voor beoordeling in kort geding, althans is hij van mening dat de door de vrouw gewenste ontbinding van het religieus huwelijk niet uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard. Immers elk hoger beroep zou illusoir zijn. De uitspraak van de Hoge Raad (10/11/89 NJ 1990, 112) waar de vrouw zich op beroept laat zich echter niet vergelijken met deze zaak. In de onderhavige kwestie is slechts van een civiel huwelijk, afgesloten in Nederland en de echtscheiding is zowel naar Nederlands als naar Pakistaans recht op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen.

Tenslotte is de man van mening dat de door de vrouw genoemde personen geen enkele officiële wettelijke of religieuze autoriteit bezitten om het religieus huwelijk te ontbinden. De man maakt voorts bezwaar tegen de gevorderde dwangsom en lijfsdwang, waarbij gijzeling een zeer ultiem middel is dat niet lichtvaardig toegepast dient te worden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ter zake van de bevoegdheid kennis te nemen van de vorderingen van de vrouw is de voorzieningenrechter is van oordeel dat zij de medewerking aan de totstandkoming van een Islamitische echtscheiding kan bevelen, refererend aan voormelde uitspraak van de Hoge Raad (10/11/89 NJ 1990, 112).

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat van de eerste religieuze bijeenkomst tussen partijen een bewijsstuk aanwezig is en dat getuigen kunnen verklaren dat dit religieuze huwelijk heeft plaatsgevonden. Ook staat vast dat sprake is geweest van een tweede ceremoniële bijeenkomst met een religieuze achtergrond, waarbij getuigen en familieleden, waaronder de vader van de man aanwezig waren. Van deze bijeenkomst zijn eveneens foto’s gemaakt.

Op 27 mei 2002 zijn partijen gehuwd naar Nederlands recht. Ter zitting is niet weersproken dat partijen tot 5 februari 2005 niet hebben samengewoond. Het huwelijk is dus na de burgerlijke huwelijksvoltrekking niet geconsumeerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat partijen vorenbedoelde religieuze ceremonie zo belangrijk vonden, dat zij pas na die bijeenkomst zijn gaan samenwonen.

De eerste en tweede religieuze ceremonie worden door de vrouw als een religieus huwelijk op Islamitische grondslag beschouwd en het is niet uitgesloten dat andere mensen uit die Islamitische gemeenschap dat ook zo ervaren.

De man respecteert de beslissing van de Nederlandse rechter betreffende het door echtscheiding tussen partijen ontbonden huwelijk. De man stelt zich op het enkele standpunt dat de echtscheiding naar Nederlands recht door het Pakistaanse recht als zodanig wordt erkend. Dit zegt nog niets over de Islamitische gebruiken ter zake van rituelen die een religieus verbond tussen man en vrouw kunnen beëindigen. De man heeft niets gesteld, dat zou er geen sprake zijn van (een) echt(e) religieus(ze) huwelijk(en), waarom hij weigert zijn medewerking te verlenen aan een dergelijk ritueel, al dan niet in persoon door aanwijzing van twee getuigen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man zich jegens de vrouw onrechtmatig gedraagt, nu zijn gedragingen in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer van hem kan worden gevergd. Door zijn medewerking te weigeren houdt de man de vrouw gevangen in wat zij ervaart als een religieus huwelijk.

De vorderingen van de vrouw zullen dan ook op dit punt worden toegewezen.

De dwangsom is eveneens voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat deze, gelet op het inkomen van den man zal worden beperkt en gemaximeerd tot na te melden bedragen.

De gevorderde lijfdwang acht de voorzieningenrechter thans een te zwaar dwangmiddel.

De vrouw is niet-ontvankelijk in haar vordering de man te veroordelen tot betaling van (eventuele) executiekosten, nu de wet daarin reeds voorziet.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering tot betaling ingeval van niet nakoming door de man van de veroordelingen, de executiekosten ten laste van de man komen.

beveelt dat de man zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk waarbij de man een afspraak zal maken met [persoon 3] of met [persoon 4] en de vrouw zo tijdig mogelijk (uiterlijk 48 uur voor de afspraak) in kennis zal stellen van dag en tijdstip en locatie waarop de man aldaar zal verschijnen, zodat de vrouw de autoriteit kan machtigen en een tweetal getuigen kan verzoeken aldaar te verschijnen en dat de man aldaar en alsdan zijn wens uitspreekt om van de vrouw te scheiden door ontbinding van het religieuze huwelijk;

beveelt de man om al hetgeen te doen en na te laten noodzakelijk voor de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk;

bepaalt dat de man ten titel van dwangsom aan de vrouw zal verbeuren een bedrag van [bedrag 1] per dag ingaande 22 december 2010 dat de man met de veroordelingen in strijd handelt c.q. het religieuze huwelijk niet is ontbonden per 22 december 2010, aan welke dwangsom een maximum wordt verbonden van [bedrag 2];

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van A.J.M. de Ronde, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

247/120