Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BP5077

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
1138705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst van 55-jarige werknemer op grond van bedrijfseconomische omstandigheden na dienstverband bij werkgever van 4 jaar. Bepaling in arbeidsovereenkomst dat werkgever het arbeidsverleden van werknemer (vanaf 1 oktober 1974) overneemt. Oude of nieuwe kantonrechtersformule van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0149

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie: Rotterdam

beschikking ex artikel 7:685 burgerlijk wetboek

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster],

gevestigd te [vestigingsadres],

verzoekster,

gemachtigde: mr. Y. Lagendijk te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse.

Partijen worden hierna “[verzoekster]” respectievelijk “[ver[verweerder]” genoemd.

De processtukken en de loop van het geding

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

? verzoekschrift met producties;

? verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, met producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op dinsdag 10 augustus 2010.

Partijen zijn verschenen, [verzoekster] vertegenwoordigd door de heer [A], bestuurder bijgestaan door mevrouw mr. Y. Lagendijk, advocaat te Capelle aan den IJssel

en [ver[verweerder] in persoon, bijgestaan door mr. R.W.F. Heijmeriks, advocaat te Spijkenisse.

[verweerder] heeft het zelfstandig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij aan-vang van de mondelinge behandeling ingetrokken.

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten door hun gemachtigden, de gemachtigde

van [verzoekster] mede aan de hand van pleitaantekeningen, die zij heeft overgelegd.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties wordt –voor zover thans van belang- van het volgende uitgegaan:

2.1 [verzoekster] is een internationale organisatie die gespecialiseerd is in (intercontinentale)

logistiek en het transport van goederen. Het moederbedrijf van [verzoekster] is geves¬tigd in

IJsland.

2.2. [verzoekster] heeft eind 2006 65% van de aandelen van Containerships Ltd. (hierna: Contai-nerships) verwor¬ven.

2.3 [ver[verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 1 januari 2007 bij (de rechtsvoorganger(s) van) [verzoekster] in dienst getreden in de functie van General Manager [verzoekster] Drycargo Lo-gistics (EDL). Het loon van [verweerder] bedraagt thans € 9.090,00 bruto per maand, inclu¬sief vakantiegeld.

Artikel 23.1 van de d.d. 18 augustus 2006 getekende arbeidsovereenkomst tussen partijen luidt:

“23.1 De werkgever zal het arbeidsverleden van de werknemer vanaf 1 oktober 1974 overnemen en onderdeel maken van deze ‘arbeidsovereenkomst’ met uitzondering van de verplichtingen van werkgever met betrekking tot pensioenopbouw.

Middels dit artikel zal de indiensttreding met terugwerkende kracht plaatsvinden op 1 oktober 1974. Indien deze arbeidsovereenkomst eenzijdig door de werkgever wordt beëindigd voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de

werknemer zal 1 oktober 1974 de officiële indiensttreding zijn en het

uitgangspunt vormen voor de zgn. Kantonrechtersformule.”

2.4 De functie van [verweerder] is gewijzigd in de functie van General Manager Business

Development Europe. [verweerder] was in die functie verantwoordelijk voor de logistiek, mar¬keting en de public relations van Eimskip Europe. Daarnaast kreeg [verweerder] de taak de activiteiten van Containerships te integreren in Eimskip Europe. [verweerder] is om die reden in februari 2008 tevens benoemd in de functie van Commercial Director Containerships West Europe.

Containerships droeg vanaf dat moment maandelijks bij in 50% van de loon¬kosten van

[verweerder].

2.5 [verzoekster] heeft in het jaar 2008 verscheidene van haar activiteiten verkocht en voorberei¬dingen getroffen voor de verkoop van haar deelneming in Containerships.

[verweerder] is op basis van een detacheringsovereenkomst per 1 december 2008 bij Contai-nerships tewerk gesteld. Containerships heeft ten tijde van de detacheringsovereenkomst maan¬delijks 55% van de salariskosten van [verweerder] aan [verzoekster] betaald.

2.6 [verzoekster] heeft in 2009 de aandelen van Containerships terugver¬kocht. [verzoekster] en Con-tainerships hebben afgesproken dat Containerships [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou aanbieden waarna Containerships in maart 2010 [verweerder] een dienstbe-trekking voor onbepaalde tijd heeft aangeboden. [verweerder] heeft het aanbod afgewezen.

Containerships heeft de detacheringsovereenkomst per 30 april 2010 opgezegd.

2.7 [verzoekster] heeft in de loop van 2009, begin 2010, haar organisatiestructuur vereenvoudigd en de interne structuur binnen de organisatie onderverdeeld in de divisies “Iceland Sales & Services”, “Iceland Domestic” en “International”. De activiteiten betreffende de uitbreiding van Europese Activiteiten (Business Development) zijn gestopt of overgedragen aan het hoofdkantoor van [verzoekster] te Reykjavik.

2.8 [verzoekster] heeft [verweerder] per 1 mei 2010 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamhe¬den met behoud van salaris en emolumenten.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1. [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] bij beschikking zo spoedig mogelijk op grond van gewichtige redenen te ontbinden, op grond van een verandering van omstandigheden, onder toekenning aan [verweerder] van een schadeloosstelling gelijk aan € 150.000,00 bruto.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek, naast de genoemde vaststaande feiten, zakelijk weergege-ven en voor zover hier van belang, het volgende ten grond¬slag gelegd.

3.2 De organisatorische veranderingen die zich de afgelopen twee jaar binnen [verzoekster] hebben voorgedaan, die mede zijn ingegeven door de wereldwijde (banken)crisis, met name in IJsland waar het moederbedrijf van [verzoekster] is gevestigd, en die uiteindelijk tot gevolg hebben gehad dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen, vormen een verandering van omstandigheden die ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te eindigen.

3.3 In het jaar 2008 raakte [verzoekster] ten gevolge van de financiële crisis in financiële moeilijkheden, waardoor zij zich genoodzaakt zag verscheidene activiteiten, waaronder Containerships te verkopen, teneinde haar schuldenlast te kunnen dragen. Ook besloot zij haar organisatiestructuur te vereenvoudigen en zich in de toekomst slechts te richten op haar “core business”. Alle activiteiten met betrekking tot uitbreiding van Europese activiteiten (Business Development) werden gestopt dan wel overgedragen aan het hoofdkantoor van [verzoekster] te Reykjavik. Door dit besluit kwamen de werkzaamheden van [verweerder] voortvloeiend uit de functie General Manager Business Development Europe te vervallen. De resterende werkzaamheden van [verweerder] zagen volledig op integratie van Containerships binnen de organisatie van Eimskip Europe. Ook die werkzaamheden kwamen te vervallen toen [verzoekster] zich genoodzaakt zag haar deelnemingen in dit bedrijf te verkopen. De werkzaamheden van [verweerder] bij Containerships op detacheringsbasis, zijn per 1 mei 2010 komen te vervallen door opzegging van die detacheringsovereenkomst door Containerships. [verzoekster] zag zich vervolgens genoodzaakt te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, nu zij niet langer werkzaamheden voor [verweerder] voorhanden had.

3.4 [verzoekster] acht een door haar aan [verweerder] te betalen vergoeding van € 150.000,00

passend, gelet op het navolgende:

Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [verzoekster] over een feitelijk arbeidsverleden van [verweerder] van drieënhalf jaar, terwijl partijen bij in dienst treding een langdurig dienstverband voor ogen stond, het volledige verlies van zijn door haar overgenomen arbeidsverleden zou dienen te compenseren. Voorts is [verzoekster] van mening dat de noodzakelijke heroriëntatie op de markt ten gevolge van de financiële crisis niet volledig voor haar rekening dient te komen.

[verweerder] heeft een rooskleurige arbeidsmartktpositie, gelet op zijn lange expertise en ervaring en zal dan ook op korte termijn een nieuwe dienstbetrekking moeten kunnen vinden. Er is dan ook voldoende grond om middels de C-factor af te wijken van het gewogen aantal dienstjaren.

Uitgaan van een neutrale correctiefactor past ook niet in de thans, ten tijde van economische crisis bestaande verontwaardiging over exorbitante ontslagvergoedingen. Deze heersende opvatting is neergelegd in een wetsvoorstel tot limitering van de vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:685 BW voor personen met een jaarslaris van € 75.000,00 of hoger tot maximaal een bruto jaarsalaris, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Partijen zijn geen ontslagvergoeding overeengekomen.

Tenslotte is er ook een zekere verwijtbaarbeid aan de zijde van [verweerder], nu hij zonder hieromtrent inhoudelijk met [verzoekster] te overleggen, het door Containerships gedane aanbod heeft afgewezen en zodoende zijn inkomensschade niet heeft beperkt en aldus in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de thans ontstane situatie.

4. Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van het ontbindingsverzoek als zijnde ongegrond en niet bewezen en bij toewijzing van het verzoek tot toekenning van een vergoeding aan [verweerder] van € 681.480,00 althans een zoda¬nig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal ver-menen te behoren, kosten rechtens.

[verweerder] heeft daartoe – zakelijk weergegeven en en voor zover hier van belang – het vol¬gende aangevoerd.

4.2 [verweerder] betwist dat zijn werkzaamheden, zoals die oorspronkelijk zijn overeengekomen, zijn komen te vervallen. Indien en voorzover dit wel het geval is, komt dit geheel voor rekening en risico van [verzoekster].

4.3 Betwist wordt dat de wereldwijde bankencrisis, met name in IJsland, grondslag is voor de organisatorische veranderingen binnen [verzoekster] en grondslag voor de gestelde wijziging in omstandigheden. Eerder dient deze wijziging in omstandigheden, voorzover die al heeft plaats gevonden, te worden gezocht in het mislukken van de poging van [verzoekster] om onder andere Containerships over te nemen. Het niet tot standkomen van dit door [verzoekster] beoogde doel kan niet aan [verweerder] worden tegen geworpen, meer speciaal niet met betrekking tot de beëindigingsvergoeding die tussen partijen is overeengekomen.

Aan het besluit tot het per ultimo 2009 terugverkopen van de aandelen in Containerships liggen immers beleidsbeslissingen binnen de bedrijfsvoering van [verzoekster] ten grondslag, waarop [verweerder] geen enkele invloed heeft gehad, noch waarvoor zijn advies en of medewerking is gevraagd.

4.4 Uit de notitie d.d. 14 mei 2010 van de bestuurders van [verzoekster] blijkt dat binnen de organisatie van [verzoekster] in het laatste kwartaal van 2009 een nettoresultaat van 2,3 miljoen euro is gerealiseerd en dat het eigen vermogen is gestegen naar 279 miljoen euro. Voor zover [verzoekster] stelt dat er slechte resultaten zijn geboekt vallen deze resultaten naar alle waarschijnlijkheid binnen het kader van de gehele organisatie van [verzoekster] weg tegen het positieve resultaat van de gehele groep. [verzoekster] heeft de gestelde precaire financiële situatie niet onderbouwd door het overleggen van financiële bescheiden.

Indien er al een noodzaak is om [verweerder] te ontslaan, is dit omdat [verzoekster] hard is geraakt door mismanagement, bestaande uit overinvesteringen, openstapeling van schulden, ineffectieve politiek en een gebrek aan discipline.

4.5 Het door [verzoekster] in het kader van een aan [verweerder] toe te kennen vergoeding gedane beroep op redelijkheid en billijkheid dient niet te worden gehonoreerd nu dit beroep is gebaseerd op feiten en omstandigheden en beleidsbeslissingen binnen [verzoekster] waar [verweerder] geen invloed op heeft gehad.

Nu [verweerder] geen verwijt van de ontstane situatie kan worden gemaakt dient [verzoekster] hem de overeengekomen ontslagvergoeding, gebaseerd op de tussen partijen overeengekomen anciënniteit gerekend vanaf 1 oktober 1974, te betalen.

[verweerder] maakt dan ook aanspraak op een vergoeding berekend volgens de tot 1 januari 2009 geldende kantonrechtersformule, nu de overeenkomst tussen partijen voor 1 januari 2009 is gesloten. [verweerder] hoefde bij het sluiten van de overeenkomst geen rekening te houden met een wijziging in de kantonrechtersformule, zoals die zich na 1 janauri 2009 heeft voorgedaan.

4.6 Het getuigt niet van goed werkgeverschap dat [verzoekster] het weigeren door [verweerder] van het aanbod van Containerships aangrijpt om verwijten te maken aan het adres van [verweerder]. Gezien de enorme teruggang in salaris en annciënniteit kan van een serieuze aanbieding geen sprake zijn en heeft [verweerder] het aanbod terecht geweigerd.

Betwist wordt dat een vergoeding zoals door [verweerder] verzocht, als buitensporig dient te worden aangemerkt. De verontwaardiging in de samenleving tegen de toekenning van een hoge vergoeding neemt niet weg dat partijen als onderdeel van de arbeidsovereenkomst afspraken hebben gemaakt, die nog onder het regime van de oude kantonrechtersformule vielen.

4.7 [verweerder] verzoekt om toekenning van een vergoeding ad € 4681.480,00, welk bedrag is berekend met toepassing van de kantonrechtersformule waarbij is uitgegaan van:

- (1 juni 1974; bedoeld zal zijn:) 1 oktober 1974 als aanvangsdatum arbeidsovereenkomst;

- een basis maandsalaris ad € 9.090,- plus € 350,- pensioenvergoeding;

- een C-factor, bepaald op 1,5, gelet op de wijze waarop de problemen bij [verzoekster] zijn ontstaan en de wijze waarop [verzoekster] via het aanbod van Containerships heeft geprobeerd van hem af te komen.

5 De beoordeling

5.1 [verzoekster] heeft meegedeeld dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een op¬zegverbod. [verweerder] heeft dit bevestigd en de kantonrechter ziet geen aanleiding aan de juistheid van de mededeling van [verzoekster] te twijfelen.

5.2 In het kader van de beantwoording van de vraag of er sprake is van een verandering van omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn dient te eindigen, wordt het volgende overwogen.

Niet weersproken is dat de taak van [verweerder], behorend bij zijn functie van General Mana-ger Business Develop¬ment Europe, is geëindigd nadat de activiteiten betreffende de uitbrei-ding van Euro¬pese Activiteiten waren gestopt of overgedragen aan het hoofdkan¬toor van [verzoekster] te Reykjavik. Ook is komen vast te staan dat de taak van [verweerder] om de activitei-ten van Containerships in [verzoekster] te integreren, is geëindigd doordat [verzoekster] de overname van Containerships ongedaan heeft gemaakt.

Hiermee is komen vast te staan dat de functies van [verweerder] als gevolg van organisatori-sche veranderingen binnen [verzoekster] zijn komen te vervallen.

Een werkgever heeft een grote mate van beleidsvrijheid met betrekking tot de bedrijfsvoe-ring en inrichting van zijn organisatie. Het staat [verzoekster] als werkgever daarom vrij om

-binnen de grenzen die de redelijkheid stelt- de reorganisatie naar eigen inzicht vorm te ge-ven door het laten vervallen van de functies van [verweerder]. Feiten en of omstandigheden waaruit blijkt dat [verzoekster] de grenzen van het redelijke heeft overschreden zijn gesteld noch gebleken.

De kantonrechter is van oordeel dat door het vervallen van de functies van [verweerder] sprake is van een verandering van de omstan¬digheden die van dien aard is dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Het verzoek zal daarom worden toegewezen met dien verstande dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 15 september 2010.

5.3 Tussen partijen is niet in geschil dat, in geval van ontbinding van de arbeidsovereen¬komst, een vergoeding voor [verweerder] ten laste van [verzoekster] op zijn plaats is.

Partijen verschillen echter van mening over de te hanteren uitgangspunten bij de vaststelling van de hoogte daarvan.

5.4 In de eerste plaats verschillen zij van mening over de vraag of zij in artikel 23.1 van de tussen hen geldende arbeidsoverenkomst al dan niet een beëindigingsvergoeding volgens de “oude kantonrechtersformule”zijn overeengekomen.

Anders dan [verweerder] heeft betoogd wijzen de bewoordingen van het betreffende artikel er niet op dat dit het geval is.

Met de zinssnede

“zal 1 oktober 1974 de officiële indiensttreding zijn en het uitgangspunt vormen voor de zgn. Kanton-rechtersformule”

verwijst de betreffende bepaling naar de datum van indiensttreding die tussen partijen heeft te gelden in geval van ontbinding en toepassing van de kantonrechtersformule. Niet blijkt uit die zinssnede dat partijen daarmee gewogen dienstjaren en daarmee de oude kantonrechters-formule voor ogen heeft gestaan.

Niet alleen de tekst van artikel 23.1 wijst niet in die richting, ook het karakter van de kan-tonrechtersformule biedt voor de interpretatie van [verweerder] geen steun. De kantonrechters-formule is immers niet een voor onbeperkte duur vastgestelde formule.

Bij de totstandkoming van de kantonrechtersformule in 1996 is besloten dat deze van tijd tot tijd zou worden geëvalueerd om deze aan ontwikkelingen in de maatschappij aan te kunnen passen. Dit heeft ertoe geleid dat sinds 1 januari 2009 de “nieuwe’ kantonrech¬tersformule toepassing vindt.

Het voorgaande leidt er toe dat voor de vaststelling van een aan [verweerder] toe te kennen vergoeding uitgegaan zal worden van de huidige kantonrechtersformule en het aantal dienst-jaren dat [verweerder] sedert 1 oktober 1974 heeft opgebouwd. Voor beperking van het aantal dienstjaren zoals door [verzoekster] verzocht, ziet de kantonrechter onvoldoende (billijk-heids)reden, nu partijen expliciet een anciënniteitsopbouw vanaf 1 oktober 1974 zijn over-eengekomen bij het aangaan van hun arbeidsovereenkomst.

5.7 Een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een bedrijfseconomische nood-zaak komt in beginsel voor rekening en risico van de werkgever. In dat geval is in beginsel een vergoeding op zijn plaats waarbij uitgegaan wordt van de zogenaamde neutrale factor C=1.

5.8 [verzoekster] heeft bepleit dat deze factor naar beneden bijgesteld moet worden, [verweerder] is daarentegen van mening dat de factor naar boven bij gesteld dient te worden, naar mening van elk van partijen vanwege omstandigheden die verwijtbaar zijn aan de ander.

5.8.1 [verzoekster] maakt [verweerder] het verwijt dat deze niet positief heeft gereageerd op het aanbod van Containerships voor een andere functie.

[verzoekster] kon terecht van [verweerder] verlangen dat deze in beginsel positief in zou gaan op het voorstel van Containerships om daarmee te voorkomen dat hij zonder dienstbetrekking zou komen en om zijn schade te beperken. Het voorstel hield echter –naar tussen partijen is komen vast te staan- een forse inkomensachteruitgang voor [verweerder] in alsmede het niet overnemen door Containerships van de tussen [verweerder] en [verzoekster] expliciet overeenge-komen anciënniteit. [verweerder] heeft onweersproken gesteld dat de overeengekomen anci-enniteit voor hem steeds zwaar heeft gewogen en dat zonder de afspraak daarover hij des-tijds ook niet in dienst van [verzoekster] zou zijn getreden.

Daarenboven heeft [verzoekster] weliswaar te kennen gegeven dat zij overwoog [verweerder] voor de niet geringe inkomensachteruitgang een al dan niet volledige compensatie te geven maar tot meer dan het noemen van deze mogelijkheid is het niet gekomen. [verzoekster] was ook niet volledig op de hoogte van het voorstel van Containerships, zodat zij ook geen concreet voorstel tot compensatie heeft kunnen doen.

In die gegeven omstandigheden kon van [verweerder] redelijkerwijze niet worden verlangd dat hij op het aanbod van Containerships positief zou reageren.

5.8.2 [verweerder] wijt de ontstane problematische situatie bij [verzoekster] aan door [verzoekster] ge-nomen beleidsbeslissingen waar [verweerder] geen invloed op heeft gehad en verwijt [verzoekster] dat zij via Containerships heeft geprobeerd van [verweerder] af te komen.

Met betrekking tot beleidskeuze’s verwijst de kantonrechter naar hetgeen zij hiervoor onder 5.2 heeft overwogen.

[verzoekster] heeft met Containerships afgesproken dat zij [verweerder] een aanbod voor een vaste dienstbetrekking zou doen. De geboden arbeidsvoorwaarden waren weliswaar minder gun-stig dan [verweerder] met [verzoekster] was overeengekomen, maar dit brengt niet zonder meer mee dat [verzoekster] daarmee heeft geprobeerd op een goedkope manier van [verweerder] af te komen. [verzoekster] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij tot compensatie bereid was en ook dat zij niet van het concrete aanbod van Containerships op de hoogte was. Dat de mogelijk-heid van volledige of gedeeltelijke compensatie tussen [verzoekster] en [verweerder] niet verder is uitonderhandeld brengt niet mee dat die mogelijkheid niet aanwezig is geweest.

5.9 Dit brengt de kantonrechter tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat het ont-staan van de ontbindingsgrond in overwegende mate aan een van de partijen is te verwijten of toe te rekenen wat er toe zou dienen te leiden dat de factor C=1 naar boven of naar be-neneden zou moeten worden bijgesteld.

Een vergoeding aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] ten bedrage van € 299.970,00 (C=1) is dan ook op zijn plaats. Bij de vaststelling daarvan is de € 350,- pensioenvergoeding werkge-versaandeel ingevolge aanbeveling 3.3 van de aanbevelingen van de kring van kantonrech-ters buiten beschouwing gelaten.

5.10 Nu [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht zonder een voor¬stel te doen tot toekenning van een vergoeding gelijk aan de thans toegekende vergoe-ding, dient [verzoekster] in de gelegenheid te worden gesteld het verzoek in te trekken.

[verzoekster] zal tot uiterlijk dinsdag 14 september 2010 het verzoek mogen intrekken.

5.11 Gelet op de aard van het geschil en de gebleken omstandigheden worden geen termen aan-wezig geacht om de ene partij de proceskosten van de andere partij te laten vergoeden.

De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat [verzoekster] de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 14 september 2010 te 16.00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval [verzoekster] het verzoek niet intrekt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 september 2010;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van € 299.970,00 bruto en veroordeelt [verzoekster] deze vergoeding aan [verweerder] te betalen binnen een maand na de da¬tum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

en in beide gevallen:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare

terechtzitting.