Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BP3141

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
960329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een woningcorporatie heeft een bewijsopdracht gekregen om aan te tonen dat een huurder niet zijn hoofdverblijf heeft in de door hem van die woningcorporatie gehuurde woning. De woningcorporatie slaagt niet in het haar opgedragen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam, rechtsopvolgster onder algemene titel van

Stichting Woningbedrijf Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 13 februari 2009,

gemachtigde: mr. M.H.L. van Dijkman,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal.

Parijen worden verder aangeduid als “Woonstad” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verdere verloop van het proces

Verwezen wordt naar:

- de tussenvonnissen van 7 augustus 2009 en 2 oktober 2009 en de hieraan ter grondslag liggende stukken. De inhoud van deze vonnissen wordt hierbij als overgenomen en ingelast beschouwd;

- proces-verbaal van het op 15 juni 2010 gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Woonstad vier getuigen zijn gehoord;

- conclusie na enquête van Woonstad met producties;

- conclusie na enquête van [gedaagde].

Het eindvonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 In het vonnis van 2 oktober 2009 is Woonstad toegelaten tot het leveren van bewijs dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf elders heeft dan in de woning aan de [locatie].

2.2 Woonstad heeft vier getuigen doen horen

Uit de verklaring van de particulier rechercheur [A] komt naar voren dat [gedaagde] zelf aangeeft dat hij vaak niet in het gehuurde aanwezig is.

De getuige [B] was tot anderhalf jaar geleden woonachtig aan de [locatie II]. Deze getuige verblijft en verbleef veelal binnenhuis. Wanneer hij buiten was, zag hij [gedaagde] weleens (één à twee keer per week) met een hond lopen of constateerde hij dat er licht brandde in de woning van [gedaagde]. [B] vermoedt dat [gedaagde] meestal bij zijn vriendin is, maar weet dit niet zeker.

De getuige [C] ontkent dat hij tegen [A] heeft gezegd dat [gedaagde] bij zijn vriendin zou wonen. Zelf heeft [C] weleens licht zien branden in de gang van de woning van [gedaagde].

De laatste tijd, sinds de vriendin van [gedaagde] is verhuisd, ziet [C] [gedaagde] niet meer met een hond lopen.

De getuige [D], medewerker wijkbeheer bij Woonstad, weet niet uit eigen ervaring maar heeft alleen gehoord dat [gedaagde] feitelijk niet aan de [locatie] woonde en dit huis alleen gebruikte als opslagplaats. Toen zij twee jaar geleden bij [gedaagde] binnen was, kwam de woning letterlijk en figuurlijk kil over. Het voelde aan of er een tijd niet gestookt was en er was weinig meubilair, ook ontbraken planten. Verder heeft zij verklaard dat [gedaagde] in het verleden (2001 en 2005) wel eens aangeschreven is in verband met verwaarlozing van zijn tuin.

2.3 De kantonrechter is van oordeel dat Woonstad niet is geslaagd in de bewijslevering dat [gedaagde] elders zijn hoofdverblijf heeft dan in de van Woonstad gehuurde woning aan de [locatie] te Rotterdam.

Twee getuigen verklaren dat [gedaagde] gesignaleerd wordt in en nabij de huurwoning.

[D] spreekt niet uit eigen ervaring maar heeft van omwonenden gehoord dat [gedaagde] bij zijn vriendin zou wonen.

Huurders mogen in beginsel zelf bepalen hoe ze wonen en leven, mits zij in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor het gehuurde te blijven dragen. Uit de verklaringen komt evenals uit de in geding gebrachte stukken naar voren dat [gedaagde] sober leeft en weinig belang hecht aan materiële zaken. Bij dit alles zoekt hij als alleenstaande man regelmatig gezelschap bij zijn vriendin of gaat hij naar zijn boot. Het enkele feit dat de woning nauwelijks is ingericht en [gedaagde] niet zo vaak in het gehuurde wordt aangetroffen, impliceert niet dat hij dan elders zijn hoofdverblijf heeft.

2.4 Gelet op het hiervoor overwogene, wordt de vordering van Woonstad afgewezen.

2.5 Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Woonstad veroordeeld in de kosten van de procedure.

3. De beslissing

De kantonrechter,

wijst de vordering af;

veroordeelt Woonstad in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 750,-- aan slaris voor zijn gemachtigde en € 384,56 aan taxe getuigen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.