Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BP2870

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
10/775503-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte staat terecht voor mishandeling, gepleegd in zijn hoedanigheid van politiefunctionaris tijdens ongeregeldheden in de nacht van 31 mei 2008 in Ridderkerk. De politierechter komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde maar ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging. Naar het oordeel van de politierechter is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer met de wapenstok heeft geslagen terwijl het verzet reeds was gebroken en het slachtoffer op zijn buik op de grond lag. De verdachte heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in de zin van artikel 8 Politiewet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Parketnummer van de berechte zaak: 10/775503-09

Datum uitspraak: 14 oktober 2010

Tegenspraak

VONNIS

van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van de politierechter in deze rechtbank van 26 maart 2010 en dat van 30 september 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/775503-09. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd

(bladzijde genummerd 1).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerequireerd - zakelijk weergegeven:

- bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde;

- de veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 350,-, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Namens de verdachte is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Daartoe is - kort weergegeven - aangevoerd dat er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Van een “fair trial” is in deze zaak geen sprake meer. Immers, vóór aanvang van de behandeling van de strafzaak en voordat de op verzoek van de verdediging ter zitting opgeroepen getuigen zijn gehoord, heeft een woordvoerder van het openbaar ministerie zich tegenover een journalist uitgelaten over het cruciale punt in deze zaak. In een artikel in het Algemeen Dagblad van 28 september 2010 wordt deze uitlating geciteerd: “Het geweld was niet nodig en het was te veel”, zegt een woordvoerder van het OM. “De jongen lag op de grond en is geslagen met een lange wapenstok”

Omdat de getuigen hebben kunnen vernemen wat het standpunt van het openbaar ministerie is, kan niet meer worden achterhaald of zij bij het afleggen van een verklaring ter terechtzitting uit hun eigen geheugen putten of de opvatting van het openbaar ministerie in het geheugen hebben geïncorporeerd. Dit betekent dat de getuigenverhoren onbruikbaar zullen zijn en er sprake is van een wezenlijke schending van de belangen van de verdediging.

Bovendien heeft het openbaar ministerie, door meer dan een zakelijke toelichting te geven op de dagvaarding, ook gehandeld in strijd met de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (Staatscourant 2007, 202).

Nu de schending niet ongedaan kan worden gemaakt, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Aldus de verdediging.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

De politierechter heeft kennis genomen van een kopie van het op 28 september 2010 in het Algemeen Dagblad verschenen krantenartikel. Lezing van dit artikel noopt niet tot de conclusie dat de woordvoerder van het openbaar ministerie meer dan een zakelijke toelichting en weergave van het hoe en waarom van de dagvaarding heeft gegeven. Het openbaar ministerie is tot dagvaarding overgegaan omdat zij zich op het standpunt stelt dat, omdat het slachtoffer op de grond lag, het door de verdachte gebezigde geweld niet nodig was en ook niet in de mate. Niet valt in te zien dat het openbaar ministerie door dit standpunt uit te dragen heeft gehandeld in strijd met de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging. Evenmin valt in te zien dat het openbaar maken van dit standpunt de verklaringen van de getuigen zodanig heeft beïnvloed, dat daaraan geen waarde meer kan worden toegekend. Allereerst hebben de getuigen verklaard het artikel niet te hebben gelezen, zodat er reeds in zoverre van beïnvloeding geen sprake is. Ook overigens is de politierechter van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat alleen door kennis te nemen van het standpunt van het openbaar ministerie, de herinnering van de getuigen aan de gebeurtenissen op 31 mei 2008 zodanig is beïnvloed, dat de getuigenverklaringen niet meer bruikbaar zijn. Het is in deze zaak veeleer het tijdverloop dat een schaduw werpt over de bruikbaarheid van de afgelegde getuigenverklaringen.

Van schending van enig beginsel van een behoorlijke procesorde of een verdedigingsbelang is dan ook geen sprake, zodat het verweer wordt verworpen.

BEWEZEN

De rechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op de navolgende wijze:

hij op 31 mei 2008 te Ridderkerk, meermalen, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], met een wapenstok op de rug, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

BEWIJS

De rechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een bijlage bij dit vonnis worden opgenomen.

Met betrekking tot de in het dossier gevoegde foto’s waarop kennelijk het letsel van aangever te zien zou zijn wordt overwogen dat deze niet worden gebezigd voor het bewijs. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat niet kan worden vastgesteld of de persoon op de foto’s de aangever betreffen, wanneer deze foto’s zijn gemaakt en evenmin is duidelijk of het daarop zichtbare letsel is ontstaan tijdens het incident op 31 mei 2008, dan wel op enig ander moment.

KWALIFICATIE

Het bewezen feit levert op:

mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Door de raadsvrouw is aangevoerd, dat het optreden van verdachte dient te worden getoetst aan de eisen die gesteld zijn in artikel 8 van de Politiewet, waarin geregeld is wanneer geweld mag worden gebruikt door ambtenaren van politie.

Volgens de verdediging is voldaan aan de daarin geformuleerde voorwaarden van:

- subsidiariteit: het middel (in casu de wapenstok) is toegepast, terwijl het niet mogelijk was een ander, minder ingrijpend middel aan te wenden en het middel op de minst ingrijpende wijze is gebruikt;

- proportionaliteit: het door verdachte beoogde doel, te weten het in het kader van handhaving van de openbare orde op basis van artikel 2 Politiewet verwijderen van de zich recalcitrant gedragende aangever [aangever], was rechtmatig en rechtvaardigde het gehanteerde middel te weten het gebruik van de wapenstok.

Er is derhalve sprake van een strafuitsluitingsgrond, hetzij uitvoering van een wettelijk voorschrift ex artikel 42 WvSr, hetzij het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bij de beoordeling van dit verweer heeft de politierechter het volgende overwogen.

Op 31 mei 2008 hebben zich forse ongeregeldheden voorgedaan in Ridderkerk bij de jeugdsociëteit De Gooth, waarbij zo’n 200 tot 300 jongeren betrokken waren. Velen van hen verkeerden onder invloed van alcohol en er werd gescholden, geschreeuwd, gegooid met flessen en stenen en er heerste een zeer gespannen sfeer. Er hebben zich op deze avond vele incidenten voorgedaan. De onderhavige zaak betreft er hier een van.

Op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte op een gegeven moment samen met enkele collega’s achter een groep jongeren aan is gelopen teneinde hen weg te geleiden van de Gooth. Zij liepen daarbij in linie achter de jongeren, die vanuit de groep agressief bleven reageren. Er werd gescholden en er kwamen steeds jongeren vanuit de groep op de politieagenten aflopen. Door de politieagenten is naar de jongeren geroepen dat zij door moesten lopen. Wanneer daaraan geen gevolg werd gegeven, is er soms een klap met een wapenstok gegeven. Op een gegeven moment is een deel van de groep jongeren blijven staan en op de politieagenten afgekomen om de confrontatie te zoeken. Hierdoor ontstond een hectische en onoverzichtelijke situatie. Toen daarbij vervolgens een van de jongens werd geraakt met een wapenstok kwam aangever schreeuwend en met zijn armen wijd gespreid op de politieagenten af.

Volgens de verdachte was dit voor hem het moment om zijn wapenstok ter hand te nemen teneinde zich te verdedigen tegen deze jongen die op hem af kwam. Hij heeft aangever daarbij drie of viermaal een klap met de wapenstok gegeven, waarbij hij eenmaal zijn collega van de hondenbrigade heeft geraakt.

De officier van justitie stelt zich in deze zaak op het standpunt dat, anders dan door de verdachte is verklaard, hij de aangever niet heeft geslagen op het moment dat hij door hem werd belaagd maar op een later moment, te weten nadat aangever door een politiehond was gebeten en rustig, zonder zich te verzetten, op de grond lag. Onder die omstandigheid was het door de verdachte toegepaste geweld niet nodig en ook niet in die mate.

Zij baseert zich daarbij onder meer op de verklaring van aangever die zegt dat hij, terwijl hij op de grond lag, door een of meerdere agenten is geslagen met wapenstokken. Deze verklaring wordt gesteund door de getuigen [getuige] en [getuige]. Beide collega agenten waren aanwezig tijdens het incident en beiden hebben bij de politie verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte aangever sloeg terwijl deze op zijn buik op de grond lag en geen verzet meer bood.

De door de officier van justitie aangehaalde bewijsmiddelen overtuigen de politierechter niet.

Op de eerste plaats speelt daarbij een rol dat, behoudens de verklaring van de aangever die drie maanden na het incident is afgelegd, alle overige verklaringen pas ruim zes maanden na het incident zijn afgelegd. Tegen die achtergrond is enige voorzichtigheid en terughoudendheid ten opzichte van hetgeen daarin is weergegeven op zijn plaats.

Daarnaast wordt opgemerkt dat de verklaringen die door de officier van justitie zijn aangehaald, niet worden gesteund door de getuige [getuige] die, los van de hectiek op straat, vanuit haar woning waarvoor zich het incident afspeelde, een en ander heeft gadegeslagen. De beschrijving die zij geeft van de situatie voorafgaand aan het incident komt overeen met de beschrijving van de andere getuigen. Met betrekking tot het moment van het slaan geeft zij echter een andere lezing. Zij heeft daarover verklaard dat zij een jongen hoorde roepen dat hij was gebeten door een hond. Zij ziet hem, nadat hij is gebeten voorover lopen. Het was een hectisch moment. Ze hoorde de jongen een kreet uiten van pijn. Ook ziet zij dat de jongen een aantal malen door de aanwezige agenten wordt geslagen met de lat en dat de hond weer snel van de jongen wordt afgehaald. Zij verklaart echter niet dat de jongen op de grond lag toen hij werd geslagen.

Het standpunt van de officier van justitie wordt evenmin gesteund door de verklaringen van de getuige [getuige]. [Getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij een harde klap kreeg, vermoedelijk van een wapenstok, op het moment dat hij zijn politiehond [politiehond] van de arm van de aangever probeerde los te maken. Hij weet niet meer of aangever op dat moment op de grond lag. Daarnaast heeft hij verklaard dat het in de regel ongeveer vijf tot tien seconden duurt voordat het lukt om [politiehond] los te maken. Vanwege de klap op zijn arm duurde het dit keer iets langer, ongeveer 15 seconden. Op grond hiervan is de conclusie gerechtvaardigd dat aangever door de verdachte is geslagen enkele seconden nadat de politiehond werd ingezet. Overigens bevestigt [getuige] deze lezing ter terechtzitting, waar hij heeft verklaard dat hij kort nadat hij [politiehond] had ingezet, de klap op zijn arm kreeg, misschien gelijktijdig.

De getuige [getuige] heeft ter terechtzitting haar eerder afgelegde verklaring in hoofdlijnen bevestigd. Echter over het moment waarop aangever door de verdachte is geslagen heeft zij, op vragen van de politierechter, verklaard dat zij heeft gezien dat aangever naar de grond ging toen hij in zijn arm werd gebeten door de hond. Op min of meer hetzelfde moment is een aantal klappen gegeven. Of de aangever op de grond nog verzet heeft geboden, weet zij zich niet te herinneren.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de politierechter van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft geslagen op het moment dat hij op zijn buik op de grond lag en geen verzet meer bood. De verschillende verklaringen duiden veeleer op een min of meer gelijktijdig inzetten van de politiehond en het gebruik maken van de wapenstok door de verdachte.

Gelet op de situatie ter plaatse, het provocerende gedrag van aangever, die zich ondanks aanmaningen niet wilde verwijderen, heeft de verdachte ter handhaving van de openbare orde in redelijkheid kunnen besluiten de wapenstok ter hand te nemen teneinde zich te verdedigen tegen de belaging door aangever en om verdere escalatie te voorkomen. Uit het optreden van de verdachte en zijn collega’s was het voor aangever zonder meer duidelijk dat hij zich diende te verwijderen. Pas nadat aangever meerdere keren bleef weigeren en aangever wederom de confrontatie zocht door schreeuwend en met de armen wijd gespreid op de politieagenten in te lopen, heeft de verdachte zijn wapenstok gehanteerd. Dat zijn collega op ongeveer datzelfde moment zijn diensthond inzette waardoor aangever zowel een beet als stokslagen te verduren kreeg is een ongelukkig toeval dat aangever door zijn eigen gedrag over zich heeft afgeroepen, maar de verdachte niet kan worden aangerekend.

De politierechter concludeert dan ook dat de verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat het door hem toegepaste geweld heeft voldaan aan de daaraan gestelde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals verwoord in artikel 8 van de Politiewet.

Onder die omstandigheden ontbreekt naar het oordeel van de politierechter aan het handelen van verdachte de materiële wederrechtelijkheid; hij is daarmee niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

DE VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], terzake van onderhavig feit. De benadeelde partij vordert als voorschot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 350,-.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de vordering.

Namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partij gestelde hoogte van de schade betwist.

De benadeelde partij wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De politierechter:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor

omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Franken, rechter,

in tegenwoordigheid van Den Hartog griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2010.