Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO7871

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
313796 / HA ZA 08-2075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Erkenning" van vonnis rechter Verenigde Staten en overnemen van veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 313796 / HA ZA 08-2075

Uitspraak: 24 november 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INCORPORATED,

gevestigd te Houma, Louisiana, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr J. Kneppelhout,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr M.A.D. Bol.

Partijen worden hierna aangeduid als "OSFI" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van het in deze zaak gewezen vonnis van 3 juni 2009 en de daaraan ten grondslag liggende stukken. OSFI heeft aan het in dat vonnis gegeven bevel tot het overleggen van de schikkingsovereenkomst gevolg gegeven.

Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:

- conclusie van antwoord tevens akte houdende overleggen producties, met producties;

- conclusie tot repliek tevens houdende overlegging producties, met producties;

- conclusie van dupliek tevens akte houdende overleggen producties, met producties.

2. Het verweer van [gedaagde]

2.1

[gedaagde] heeft, samengevat, tegen de vordering van OSFI het volgende aangevoerd:

(a) op het vonnis van 15 oktober 2007 van de rechtbank van Terrebonne Parish in de procedure van OSFI tegen [gedaagde] kan geen exequatur worden verleend;

(b) ook kan niet aan dat vonnis, zonder dat een inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, een zodanige rechtskracht worden toegekend dat [gedaagde] overeenkomstig dat vonnis wordt veroordeeld:

- de rechtbank van Terrebonne Parish heeft zich ten onrechte bevoegd verklaard;

- van een behoorlijke rechtspleging aldaar is geen sprake geweest, omdat [gedaagde] zich

niet heeft kunnen verdedigen;

- het vonnis is in strijd met de (Nederlandse) openbare orde, omdat OSFI die rechtbank niet

heeft geïnformeerd over de schikking met [X];

- het toegewezen bedrag wegens advocaatkosten van USD 50.000 is niet toewijsbaar wegens strijd met de openbare orde;

(c) door de schikking is een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens OSFI komen te vervallen;

(d) [gedaagde] is niet jegens OSFI tekort geschoten en heeft jegens haar niet onrechtmatig gehandeld;

(e) OSFI heeft geen schade geleden; [gedaagde] kan zich beroepen op art. 6:10 BW.

3. De beoordeling

3.1

Nu er geen verdrag of wet bestaat op grond waarvan het vonnis van het 32e Judicial District Court van Terrebonne Parish, Louisiana, VS van 15 oktober 2007 (hierna: het vonnis; productie 34 van OSFI) in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, kan daarop geen exequatur worden verleend (artt. 985 ev. jº art. 431 lid 1 Rv). In zoverre kan de primaire vordering (I sub a) niet worden toegewezen.

3.2

Kennelijk beoogt OSFI met het primair gevorderde dat de Nederlandse rechter, op de voet van art. 431 lid 2 Rv doch zonder een eigen inhoudelijke behandeling van het door de Amerikaanse rechter berechte geschil tussen partijen, aan diens vonnis een zodanige rechtskracht toekent dat dit vonnis in feite wordt erkend en dat [gedaagde] overeenkomstig dat vonnis wordt veroordeeld tot betaling van USD 950.000,- en USD 50.000,- met rente en kosten, nog te vermeerderen met een bedrag van € 4.000,- wegens buitengerechtelijke kosten in Nederland.

3.3

Voor een dergelijke erkenning dient te zijn voldaan aan een aantal vereisten: (a) de Amerikaanse rechter was op basis van een internationaal algemeen aanvaarde grond bevoegd van het geschil kennis te nemen, (b) het vonnis is totstandgekomen na een behoorlijke rechtspleging, (c) het vonnis is niet in strijd met de openbare orde naar de in Nederland geldende maatstaven. Tevens is vereist (d) dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

3.4

Ten aanzien van de rechtsmacht van de Amerikaanse rechter kan op grond van de overgelegde stukken en stellingen van partijen het volgende als vaststaand worden aangenomen.

OSFI heeft voor de rechtbank te Terrebonne Parish een vordering aanhangig gemaakt tegen een groot aantal gedaagden, onder wie [X], de voormalig algemeen directeur (CEO) van OSFI (dagvaarding van 19 augustus 2003). In deze procedure werd op 26 juli 2005 een zesde aanvullende dagvaarding ingediend, waardoor ook [gedaagde] gedaagde werd in deze procedure. De tegen [X] ingestelde vordering had - met name door de zesde aanvullende dagvaarding - mede betrekking op de gestelde fraude en samenspanning tussen [X] en [gedaagde] inzake de koop van scheepsschroeven (thrusters) waardoor zij op onrechtmatige wijze gelden zouden hebben onttrokken aan OSFI en aan OSFI een schade zouden hebben berokkend van USD 950.000. De tegen [gedaagde] ingestelde vordering had uitsluitend hierop betrekking.

[X] was woonachtig in Terrebonne Parish. Dat de rechtbank aldaar bevoegd was ter zake van de vordering tegen [X], is niet in geschil.

3.5

Hieruit volgt dat de Amerikaanse rechter ter zake van de tegen [gedaagde] ingestelde vordering rechtsmacht kon ontlenen aan het feit dat hij bevoegd was ten aanzien van [X] ter zake van eenzelfde of ten minste nauw samenhangende vordering. Zowel het forum van de woonplaats van de gedaagde, als het forum van de woonplaats van een medegedaagde voor eenzelfde of nauw samenhangende vordering kan worden aangemerkt als een internationaal algemeen aanvaard forum. Dat sprake was van misbruik van procesrecht is gesteld noch gebleken.

De Amerikaanse rechter heeft het door [gedaagde] aangevoerde onbevoegdheidsverweer verworpen (beslissing van 13 juli 2007, productie 33 van OSFI).

3.6

Ten aanzien van de Amerikaanse procedure kan op grond van de overgelegde stukken en stellingen van partijen het volgende als vaststaand worden aangenomen.

Na betekening aan [gedaagde] van de zesde aanvullende dagvaarding, is deze in de procedure voor de Amerikaanse rechter verschenen door middel van de Amerikaanse advocaat Steven Copley. Via deze advocaat heeft [gedaagde] bij deze rechter verschillende verzoeken ingediend (m.n. strekkende tot onbevoegdverklaring en tot schorsing van de procedure).

Er zijn diverse verklaringen van betrokkenen vastgelegd in een "deposition", onder meer een verklaring van [gedaagde], afgelegd op 6-8 november 2006 (van maar liefst 537 pagina's).

De Amerikaanse rechter heeft op 21 november 2006 de behandeling van de zaak ter zitting bepaald op 15 oktober tot en met 7 november 2007. Deze dagbepaling is aan de advocaat van [gedaagde] meegedeeld.

Op 28 maart 2007 heeft deze advocaat een verzoek ingediend tot terugtreding uit het proces als raadsman van [gedaagde], welk verzoek dezelfde dag door de Amerikaanse rechter is ingewilligd. Daarna is door [gedaagde] geen andere Amerikaanse advocaat aangesteld.

Ingevolge een verzoek van OSFI is een datum bepaald voor de hoorzitting over het door [gedaagde] aangevoerde onbevoegdheidsverweer. De oproep voor de hoorzitting is in Nederland aan [gedaagde] betekend. Het verweer is vervolgens, bij afwezigheid van [gedaagde], op 13 juli 2007 door de Amerikaanse rechter verworpen. Van deze beslissing is aan [gedaagde] kennis gegeven.

Op 15 oktober 2007 is de vordering van OSFI tegen [gedaagde] ter zitting behandeld. [gedaagde] was daar niet verschenen of vertegenwoordigd. Inmiddels was [gedaagde] de enig overgebleven gedaagde: met de andere gedaagden had OSFI tevoren een schikking getroffen. Ter zitting zijn nog drie getuigen gehoord, waarna de Amerikaanse rechter de vordering van OSFI - bij verstek, maar wel gemotiveerd - heeft toegewezen.

3.7

Hieruit volgt dat [gedaagde] behoorlijk voor het geding bij de Amerikaanse rechter is opgeroepen en ook in dat geding is verschenen en verweer heeft gevoerd ten aanzien van de bevoegdheid. [gedaagde] moet geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de data voor de behandeling ter zitting, zowel van het onbevoegdheidsverweer als van de vordering van OSFI. Nadat zijn raadsman zich uit de procedure had teruggetrokken, heeft [gedaagde] geen andere raadsman opdracht gegeven voor hem in de procedure op te treden. Het moet voor [gedaagde] duidelijk zijn geweest dat dit gevolgen zou hebben voor zijn positie in de procedure, in het bijzonder dat hij nu geen inhoudelijk verweer tegen de vordering van OSFI zou kunnen voeren waarmee de Amerikaanse rechter bij zijn beslissing rekening zou houden.

3.8

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij het totstandkomen van deze beslissing zodanig elementaire regels van een behoorlijke rechtspleging zijn geschonden dat dit aan erkenning van het vonnis in de weg zou moeten staan.

3.9

[gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet in staat was de volgens hem exorbitant hoge proceskosten (waaronder advocaatkosten) te voldoen; in de voorfase van de procedure - het horen van diverse betrokkenen als getuige - had hij al meer dan

USD 110.000 aan advocaatkosten moeten betalen.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] niet in staat is geweest zich voor de Amerikaanse rechter tegen de vordering van OSFI te verdedigen. Niet blijkt dat met de vertegenwoordiging door een Amerikaanse advocaat in de (eigenlijke) procedure en het voeren van inhoudelijk verweer zodanige kosten waren gemoeid dat dit in feite betekende dat [gedaagde] zich niet kon verdedigen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat OSFI er - onweersproken - op wijst dat de Amerikaanse rechter in het vonnis de advocaatkosten aan de zijde van OSFI heeft bepaald op (niet meer dan) USD 50.000 en tevens dat [gedaagde] uit de omstreden transactie met de schroeven (zelf) een winst had overgehouden van USD 470.000.

3.10

Ten aanzien van zijn beroep op schending van de openbare orde heeft [gedaagde] aangevoerd dat de Amerikaanse rechter het vonnis heeft gewezen terwijl hij geen kennis droeg van de schikkingsovereenkomst tussen, onder andere, OSFI en [X] en van de inhoud van de schikking met [X]. [gedaagde] is van mening dat het vonnis in verband met die schikking en de invloed daarvan op de vordering van OSFI op hem niet behoorlijk is gemotiveerd.

3.11

Uit het verslag van de zitting op 15 oktober 2007 (productie 34 van OSFI) blijkt dat de schikking met [X] bij de Amerikaanse rechter is besproken, zonder dat de inhoud daarvan is geopenbaard. De Amerikaanse rechter, David W. Arceneaux, heeft de advocaat van OSFI gevraagd: "In the settlement with Mr. [X], did OSFI receive a specific sum of money in satisfaction of any obligation Mr. [X] might have owed to OSFI for this transaction that's been described here today as this thrusters transaction ?". Op deze vraag werd ontkennend geantwoord, waarna de Amerikaanse rechter meedeelde dat hij de inhoud van de schikking - die vertrouwelijk was - niet hoefde te kennen.

Inmiddels is in de onderhavige procedure de schikkingsovereenkomst overgelegd. Daaruit blijkt niet dat OSFI een (bepaald) bedrag heeft ontvangen als vergoeding voor het nadeel van USD 950.000 dat zij heeft ondervonden als gevolg van de bedoelde transactie.

3.12

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet kan worden aangenomen dat vanwege het treffen van de schikking, dan wel het niet bekend maken aan de Amerikaanse rechter van de inhoud van de schikking, dan wel de wijze waarop de Amerikaanse rechter daarmee is omgegaan, erkenning van het vonnis in strijd zou zijn met de (Nederlandse) openbare orde. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat deze grond voor weigering van erkenning slechts in uitzonderingsgevallen behoort te worden toegepast. Van een schending van een rechtsregel die in Nederland van essentieel belang wordt geacht of van een in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel erkend recht is hier geen sprake.

3.13

Datzelfde moet gelden voor het bezwaar dat [gedaagde] heeft aangevoerd tegen de veroordeling in het vonnis tot het betalen van USD 50.000 wegens advocaatkosten. Dat in Nederland bij de begroting van de proceskosten een liquidatietariefsysteem pleegt te worden gehanteerd, kan niet worden beschouwd als een beginsel van (procedurele) openbare orde.

3.14

Tussen partijen is niet in geschil dat het vonnis van 15 oktober 2007 in kracht van gewijsde is gegaan. Het vonnis is op 19 december 2007 in Nederland aan [gedaagde] betekend en tegen dat vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

3.15

Het voorgaande leidt ertoe dat is voldaan aan de hiervoor onder 3.3 genoemde vereisten en dat het vonnis van het 32e Judicial District Court van Terrebonne Parish door de rechtbank zonder verdere inhoudelijke beoordeling kan worden overgenomen en dat [gedaagde] dienovereenkomstig moet worden veroordeeld. Aan de overige verweren van [gedaagde] komt de rechtbank derhalve niet toe.

3.16

De door OSFI gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten in Nederland ten bedrage van € 4.000,-, welke kosten door haar zijn toegelicht en die zijn gebaseerd op het rapport Voorwerk II, is niet weersproken en toewijsbaar.

3.17

Nu niet is voldaan aan de daarvoor geldende eisen - er moet sprake zijn van een in de lidstaat van oorsprong niet-betwiste schuldvordering - kan dit vonnis niet uitvoerbaar worden verklaard in alle landen van de EU waar de EET-Verordening 805/2004 geldt.

3.18

[gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding (in de hoofdzaak), die aan de zijde van OSFI worden begroot op € 4.784,- aan vast recht, € 85,44 aan overige verschotten en € 5.160,- (2 x € 2.580) aan salaris van de advocaat, samen € 10.029,44.

4. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om aan OSFI te betalen USD 950.000,-, vermeerderd met de rente volgens de wet van de Staat Louisiana, VS vanaf 26 juli 2005, alsmede USD 50.000,-, vermeerderd met de rente volgens de wet van de Staat Louisiana, VS vanaf 15 oktober 2007, telkens tot de dag van betaling, of de tegenwaarde van die bedragen in euro's naar de koers van de dag van betaling;

veroordeelt [gedaagde] om aan OSFI te betalen € 4.000,-;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van OSFI begroot op € 10.029,44;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10/2228