Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO7279

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
285938 / HA ZA 07-1509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ex art. 843a Rv. De op art. 843a Rv gebaseerde vordering, die hangende het geding in de hoofdzaak en naar aanleiding daarvan door gedaagden is ingesteld, moet als een incidentele vordering worden aangemerkt en als zodanig worden behandeld. Beoordeling of aan de in art. 843a Rv voor afgifte van bescheiden gestelde vereisten is voldaan, zal plaatsvinden in het licht van hetgeen in de dagvaarding in de hoofdzaak is gesteld en het in de conclusie van antwoord in de hoofdzaak aangevoerde. Verzocht wordt o.a. om overlegging van een door een advocaat opgesteld advies. Er bestaat een gewichtige reden - zoals bedoeld in art. 843a lid 4 Rv - voor de wederpartij om niet aan dit verzoek te voldoen in verband met het functionele verscho­nings­recht van advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 285938 / HA ZA 07-1509

Vonnis in incident van 24 november 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 2],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats 3],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats 4],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. G.C. van Daal,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

voorheen gevestigd te Rotterdam,

2. [gedaagde sub 2],

gevestigd te Rotterdam,

3. [gedaagde sub 3],

gevestigd te Rotterdam,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats 5],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 6],

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. S.P.J.F. Zwanen te Rotterdam.

Eiser sub 1 in de hoofdzaak, verweerder sub 1 in het incident, zal hierna [eiser sub 1] genoemd worden. Eisers sub 2, 3 en 4 in de hoofdzaak, verweerders sub 2, 3 en 4 in het incident, zullen hierna gezamenlijk [eisers sub 2, 3 en 4] genoemd worden.

Eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, zullen hierna gezamenlijk

[eisers] genoemd worden.

Gedaagde sub 4 in de hoofdzaak, eiser sub 4 in het incident, wordt hierna [gedaagde sub 4] genoemd. Gedaagde sub 5 in de hoofdzaak, eiser sub 5 in het incident, wordt hierna [gedaagden sub 5] genoemd.

Gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident, zullen hierna gezamenlijk de [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen d.d. 27 april 2007 en de daarbij overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord tevens inhoudende een incidentele vordering op grond van

art. 843a Rv, met producties;

- de conclusie van antwoord in het “incident”, met producties;

- de conclusie van repliek in incident tevens inhoudende wijziging van incidentele eis;

- de conclusie van repliek (bedoeld is de conclusie van dupliek, rechtbank) in het “incident”, tevens houdende akte van verzet tegen eisvermeerdering.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1. De gewijzigde eis luidt dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[eisers] zal veroordelen om, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag dat zij na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijven om aan het vonnis te voldoen, op kosten van de [gedaagden] de navolgende bescheiden binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis in kopie aan de [gedaagden] te overleggen, althans de [gedaagden] daarin inzage te verstrekken:

A) Het advies gevraagd door [persoon 1] over de implementatie van de winst¬bewijzen;

B) Kopie van het namens [eiser sub 1] aan de Belastingdienst ingezonden formulier "Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende";

C) Kopie van alle bescheiden met informatie (correspondentie daaronder begrepen) over de emigratie van [eiser sub 1] en zijn echtgenote die door [persoon 1] in het kader van het woonplaatsonderzoek aan de Belastingdienst zijn verstrekt;

D) Kopieën van de notulen van de vergadering van Commissarissen en Directie van [bedrijf 1] waarin is vastgelegd dat gesproken is over de emigratie van [eiser sub 1];

E) Advies van [persoon 2] over de schikkingsonderhandelingen met de Belastingdienst;

F) De aanslagregeling (inclusief daarop betrekking hebbende correspondentie door of namens [eiser sub 1] en de Belastingdienst) van de inkomstenbelasting over de belastingjaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s en overige correspondentie door of namens [eiser sub 1] met de Belastingdienst;

G) De aanslagregeling (inclusief daarop betrekking hebbende correspondentie door of namens [eisers sub 2, 3 en 4] en de Belastingdienst) van de aanslag schen¬kings¬recht 2002 en de daaropvolgende rentenota’s en overige correspondentie door of namens [eisers sub 2, 3 en 4] met de Belastingdienst;

H) Het volledige document waarvan productie 5a in de hoofdzaak een onderdeel uitmaakt;

I) Alle voorafgaande correspondentie die door of namens [eisers] gevoerd is met de Belastingdienst en die geleid heeft tot het volledige document zoals genoemd onder H en alle interne notities, gespreksverslagen en correspondentie verzonden aan [eisers] die op voormelde onderdelen F, G, H en I betrekking hebben, vanaf de uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de fiscale geschillen, 2 november 2004, tot en met de datum van de brief van de Belastingdienst van 22 februari 2007.

Voorts vorderen de [gedaagden] [eisers] te veroordelen in de kosten van dit incident.

2.2. De [gedaagden] leggen hieraan in de kern ten grondslag dat zij pas in staat zijn hun verweer in de hoofdzaak naar behoren te onderbouwen als zij over voornoemde stukken kunnen beschikken; aan de eisen van artikel 843a Rv, met name het vereiste van voldoende bepaaldheid en een rechtmatig belang, is in hun visie voldaan.

2.3. [eisers] voeren verweer. Zij zijn van oordeel dat niet aan de eisen die ingevolge artikel 843a Rv aan een dergelijke vordering gesteld moeten worden, is voldaan, met name omdat de [gedaagden] geen rechtmatig belang hebben bij afschrift of inzage en omdat de stukken in kwestie niet bestaan, niet ter beschikking staan en/of onvoldoende bepaald zijn.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1. [eisers] vorderen, zeer kort samengevat, veroordeling van de [gedaagden] tot betaling van bedragen tot een totaal van tientallen miljoenen euro’s aan elk van eisers.

Zij leggen daaraan, zeer kort samengevat, ten grondslag dat de [gedaagden] in het kader van een fiscale adviesrelatie aan [eiser sub 1] adviezen hebben gegeven omtrent herstructurering van het [Concern] (waarvan [eiser sub 1] de oprichter is) en de wijze waarop vermogenstoename aan [eisers sub 2, 3 en 4] ten goede zou kunnen komen. Deze adviezen, met name betrekking hebbend op een emigratie van [eiser sub 1] en zijn echtgenote en een winstbewijzenconstructie, waren in de visie van [eisers] op meerdere punten en in meerdere opzichten ondeugdelijk, hetgeen tot grote schade heeft geleid, met name in de vorm van verschuldigde belastingen, kosten en smartengeld.

Voor deze schade zijn de [gedaagden] jegens [eisers] aansprakelijk.

3.2. De [gedaagden] voeren, buiten ontvankelijkheidsverweren die enerzijds zien op de ontvankelijkheid van de als eisers optredende personen (zij stellen onder andere geen overeenkomst van opdracht met [eisers], maar met [bedrijf 1] gesloten te hebben) en anderzijds op de personen van gedaagden (met name gedaagde sub 3 en [gedaagden sub 5]) zouden niet betrokken zijn (geweest)), ook inhoudelijk verweer. Hoewel zij daarbij in extenso op de verwijten ingaan, menen zij dat zij essentiële stukken missen.

4. De beoordeling in het incident

Ontvankelijkheid

4.1. [eisers] hebben (primair) aangevoerd dat de [gedaagden] in hun vordering niet ontvankelijk zijn aangezien een incidentele vordering gegrond op artikel 843a Rv niet bestaat. Een dergelijke vordering is geen incident aangezien zij geen procesrechtelijke kwestie betreft en zelfstandig, dus los van de hoofdzaak, aanhangig moet worden gemaakt. Indien de vordering van de [gedaagden] wel wordt aangemerkt en behandeld als een incident, dan leidt zulks ertoe dat de processuele grondrechten van [eisers] op een onaanvaardbare wijze worden geschonden. Immers, in dat geval kunnen de [gedaagden] eerst na het indienen van de conclusie van repliek in de hoofdzaak op de over te leggen bescheiden ingaan hetgeen betekent dat [eisers] geen gelegenheid, althans één gelegenheid minder, zullen hebben om daarop te reageren. Zulks is in strijd met het beginsel van "equality of arms" en het beginsel van "hoor en wederhoor", aldus nog steeds [eisers]

4.2. Volgens de [gedaagden] zijn de bescheiden, die volgens hen onder [eisers] berusten, van belang om in de hoofdzaak hun verweer aan de hand van stukken (nader) te kunnen onderbouwen. In die zin is de vordering ex artikel 843a Rv bijkomstig ten opzichte van de vordering in de hoofdzaak en aldus te beschouwen als een incident. Het feit dat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering enkele incidentele vorderingen expliciet worden genoemd, betekent niet dat de wetgever een gesloten systeem heeft beoogd in die zin dat andere incidentele vorderingen, waaronder die gebaseerd op artikel 843a Rv, niet kunnen worden ingesteld. Verder is door de rolrechter reeds beslist dat de vordering ex artikel 843a Rv als een incident heeft te gelden en processueel als zodanig moet worden afgehandeld. De rechtbank is hieraan gebonden. [eisers] zijn reeds bekend met de (inhoud van de) bescheiden waarvan overlegging wordt gevorderd en hebben met het oog daarop hun dagvaarding al kunnen inkleden. In die zin is er juist sprake van schending van het beginsel of equality of arms, althans schending van het gelijkheidsbeginsel, ten nadele van de [gedaagden] Verder zijn [eisers] op grond van artikel 21 Rv gehouden de rechtbank naar waarheid en volledig te informeren zodat zij de gevorderde informatie niet mogen achterhouden, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.3. De rechtbank overweegt het volgende.

4.3.1. Het is, in het systeem van de wet, in beginsel aan de rolrechter om een verzoek van één van partijen, dat door deze incidentele vordering wordt genoemd, te duiden, in die zin dat dit wordt behandeld als incident of niet. Het duiden als incident brengt mee, dat over de betreffende vordering – na partijdebat – vonnis wordt gewezen voordat vonnis in de hoofdzaak aan de orde is. De waarnemend griffier heeft namens de rolrechter bij brief van deze rechtbank d.d. 24 november 2009 (productie 57, conclusie van antwoord in het "incident") aan de raadsman van [eisers] bericht dat in het onderhavige geval de [gedaagden] een incidentele vordering in de zin van artikel 843a Rv hebben ingesteld en dat het in een dergelijk geval in het algemeen in de rede ligt dat eerst en vooraf op die incidentele vordering wordt beslist. Naar haar aard betreft het immers een vordering die niet ziet op een beslissing op een materieel geschilpunt, maar die daaraan vooraf gaat.

De rolrechter heeft deze vordering dus als incidentele vordering aangemerkt.

4.3.2. Overigens is de rechtbank, met de rolrechter, van oordeel dat hier ook daadwerkelijk sprake is van een incident. De term "incident" betreft een verzamelnaam voor diverse processuele verwikkelingen die rechterlijke bemoeienis vereisen van andere aard dan beslechting van materiële geschilpunten. Onder een incidentele vordering wordt verstaan de vordering die hangende het geding en naar aanleiding van het geding wordt ingesteld overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 208 lid 1 Rv. Incidentele vorderingen kunnen worden ingesteld in de gevallen welke in afdeling 2.10 van boek 1 Rv zijn geregeld. Wegens hun verband met andere onderwerpen is een aantal incidentele vorderingen elders in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geregeld, zoals de vordering tot overlegging van bescheiden ex artikel 843a Rv (zie C.J.J. van Maanen, Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, derde druk, 2008).

Indien de incidentele vordering zal worden toegewezen en de [gedaagden] naar aanleiding van de door [eisers] in het geding te brengen bescheiden nieuwe verweren in het geding in de hoofdzaak naar voren brengen en/of bestaande verweren nader toelichten, zullen [eisers] in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren. Aldus valt niet in te zien dat het beginsel van hoor en wederhoor en equality of arms zich tegen een eventuele toewijzing van de vordering verzetten.

4.4. Het vorenstaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige op artikel 843a Rv gebaseerde vordering, die hangende het geding in de hoofdzaak en naar aanleiding daarvan door de [gedaagden] is ingesteld, als een incidentele vordering moet worden aangemerkt en als zodanig moet worden behandeld.

Eiswijziging

4.5. [eisers] hebben bij conclusie van repliek in het "incident", tevens houdende akte van verzet tegen eisvermeerdering, onder punt 54 aangevoerd dat de [gedaagden] opeens bij conclusie van repliek in het incident tevens inhoudende wijziging van incidentele eis een eisvermeer¬dering hebben ingesteld. [eisers] stellen dat daar waar de [gedaagden] zulks in hun incidentele conclusie van eis niet hebben gedaan, zij thans vorderen dat de incidentele veroordeling moet worden uitge¬spro¬ken op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag dat na verloop van 48 uur na betekening niet aan het vonnis wordt voldaan. Volgens [eisers] worden hun processuele belangen hierdoor geschaad.

4.6. De rechtbank overweegt het volgende.

Anders dan [eisers] hebben gesteld, hebben de [gedaagden] reeds bij conclusie (van antwoord tevens) inhoudende een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv onder 26.1 gevorderd dat de incidentele veroordeling wordt uitgesproken op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag dat na verloop van 48 uur na betekening niet aan het vonnis wordt voldaan. Voor wat betreft de gevorderde dwangsom is dan ook geen sprake van een eisvermeerdering. De eiswijziging zoals die door de [gedaagden] bij conclusie van repliek in incident tevens inhoudende wijziging van incidentele eis is ingesteld, heeft betrek¬king op de sub 2.1.C, 2.1.D, 2.1.F, 2.1.G, 2.1.H en 2.1.I gevorderde bescheiden.

Aangezien [eisers] zich hier¬tegen niet hebben verzet en niet valt in te zien dat deze wijziging, die de te verstrekken bescheiden nader (en deels anders) omschrijft, in strijd met de goede procesorde zou zijn, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

De eisen van artikel 843a Rv

4.7. [eisers] hebben (subsidiair) aangevoerd dat hetgeen de [gedaagden] ex artikel 843a Rv vorderen, moet worden gekwalificeerd als een fishing expedition, althans voor zover zij bescheiden verlangen die zij niet zelf al lang hebben. [eisers] hebben vervolgens voor elk onderdeel van de incidentele vordering afzonderlijk verweer gevoerd. Hierop zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

4.8. Bij de beoordeling van het onderhavige incident dient het volgende vooropgesteld te worden.

Artikel 843a lid 1 Rv bindt de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering aan drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep, of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn, aldus het derde lid van artikel 843a Rv. Het vierde lid bepaalt, ten slotte, dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.9. Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Indien, zoals in dit geval, gedaagden in een reeds aangevangen procedure een dergelijk verzoek doen, kan het rechtmatig belang al snel aanwezig zijn op grond van het gegeven dat, ook als de bewijslast bij de eisende partij ligt, een verweer gemotiveerd en onderbouwd moet worden om te kunnen voorkomen dat de vordering aanstonds wordt toegewezen.

Een partij kan slechts bepaalde stukken vorderen. De stukken moeten in ieder geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de eiser een rechtmatig belang heeft. De bescheiden hoeven niet zeer exact omschreven te worden, duidelijk moet wel zijn wat precies gevraagd wordt.

De vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. In het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000, NJ 2001, 259 (News c.s./ABN-AMRO) is bepaald dat er in ieder geval een rechtsbetrekking moet bestaan tussen de eiser en de houder van de bescheiden.

4.10. Het vorenstaande in aanmerking nemende zal de rechtbank hierna voor de sub 2.1.A tot en met 2.1.I genoemde stukken beoordelen of aan de in artikel 843a Rv voor afgifte daarvan gestelde vereisten is voldaan. Deze beoordeling zal plaatsvinden in het licht van hetgeen in de dagvaarding in de hoofdzaak is gesteld en het in de conclusie van antwoord in de hoofdzaak aangevoerde.

Voorop gesteld wordt dat, nu het hier een betrekkelijke complexe problematiek betreft en de meest relevante gebeurtenissen zich in het vrij verre verleden (met name in 1995-2005) hebben afgespeeld, schriftelijk bewijs een rol van bijzonder gewicht speelt, in die zin dat getuigenverklaringen vermoedelijk minder helderheid zullen brengen. Daartegenover staat dat uit de conclusie van antwoord blijkt dat de [gedaagden] reeds over zeer veel informatie beschikken.

A) Het advies gevraagd door [persoon 1] over de implementatie van de winst¬bewijzen

4.11. De [gedaagden] stellen dat [persoon 1], de accountant en persoonlijke advi¬seur van [eiser sub 1] (hierna: [persoon 1]), aan [gedaagden sub 5] telefonisch heeft meegedeeld dat hij op verzoek van [eiser sub 1] een advies over de implementatie van de winstbewijzen heeft aangevraagd bij een andere belastingadviseur. De [gedaagden] wensen afgifte van dit advies ter weerleg¬ging van de stelling van [eisers] dat zij onjuiste adviezen hebben verstrekt. Bedoeld advies zal de advisering van de [gedaagden] met betrekking tot de implementatie van de winstbewijzen wellicht onderschreven hebben. In ieder geval heeft dat (aanvullende) advies, waarmee meer informatie werd verkregen over de risico’s en de kansen met betrekking tot de implementatie van de winst¬bewijzen, [eiser sub 1] er niet van weerhouden om het advies van de [gedaagden] op dat punt op te volgen. Derhalve hebben de [gedaagden] een rechtmatig belang bij afgifte van het door [persoon 1] gevraagde advies, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.12. [eisers] voeren aan dat nadat de [gedaagden] hen omtrent de implementa¬tie van de winstbewijzen hadden geadviseerd, door [persoon 1] geen advies is gevraagd aan een andere adviseur. Van een niet bestaand document kunnen [eisers] geen kopie overleggen noch inzage daarin geven. Bovendien hebben de [gedaagden] in het kader van het door hen in de hoofdzaak gevoerde verweer zelf aange¬geven dat een behoor¬lijke rechtspleging ook zon¬der een dergelijk stuk is gewaarborgd. Zo er al een ander belas¬ting¬advies over de implemen¬tatie van de winstbewijzen zou bestaan, zou dat advies aan het verweer van de [gedaagden] in de hoofdzaak niets kunnen toevoe¬gen. De [gedaagden] hebben zich immers op het standpunt gesteld dat niet de winstbewij¬zen¬constructie maar de kwestie rondom de woonplaats van [eiser sub 1] tot het ontstaan van de schade heeft geleid.

De [gedaagden] hebben derhalve geen belang bij overlegging van het door hen bedoelde advies. Daarnaast kunnen adviezen van eigen adviseurs niet worden opgevraagd onder de vlag van artikel 843a Rv. Ook om die reden is de vordering op dit punt niet toewijsbaar, aldus nog steeds [eisers]

4.13. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van het door de [gedaagden] gevorderde advies onduidelijk. De stelling van de [gedaagden] dat [persoon 1] telefonisch aan [gedaagden sub 5] heeft meegedeeld dat hij op verzoek van [eiser sub 1] een advies over de door de [gedaagden] voorgestelde implementatie van de winstbewijzen had aangevraagd bij een andere belastingadviseur, is door [eisers] gemotiveerd betwist. De juistheid van die stelling kan niet uit de in het geding gebrachte stukken worden afgeleid. Maar zelfs indien vast zou komen te staan dat die stelling juist is, dan is voorts ondui¬de¬lijk of het door [persoon 1] gevraagde advies ook daadwerkelijk is verkregen, op schrift is gesteld en aan [eiser sub 1], althans [persoon 1], is ver¬strekt. De regeling van artikel 843a Rv veronderstelt dat het bestaan van het stuk vast staat. Dat is hier niet het geval, zodat toewijzing van dit onder¬deel van de vordering reeds om die reden niet in de rede ligt. Voorts is voorshands aanne¬me¬lijk dat getuigen¬verhoren omtrent hetgeen terzake het gestelde advies is voorgevallen (deels) dezelfde informatie zouden kunnen opleveren.

4.14. Het vorenstaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het sub 2.1.A gevorderde niet toewijsbaar.

B) Kopie van het namens [eiser sub 1] aan de Belastingdienst ingezonden formulier "Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende"

4.15. Volgens de [gedaagden] is in het kader van de stelling van [eisers] dat door [gedaagden sub 5] een fout is gemaakt bij het invullen van het formulier "Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende" waardoor de Belastingdienst verkeerd geïnformeerd is, van belang dat komt vast te staan dat in het formulier zoals dat aan de Belastingdienst is verstuurd geen melding van het huurwaarde¬forfait is gemaakt. Aangezien dat formulier niet door de [gedaagden] is ingediend en zij daarvan geen exemplaar hebben, dient het door [eisers] in het geding worden gebracht, aldus de [gedaagden]

4.16. [eisers] hebben aangevoerd dat het als productie 18 bij dagvaarding overgelegde formulier de enige versie is waarover zij beschikken en dat zij derhalve geen kopie van een andere versie kunnen overleggen. Uit de brief d.d. 17 februari 1997 van [gedaagden sub 5] volgt dat de enigen die zouden kunnen beschikken over het formulier zoals dat bij de Belastingdienst is ingediend de [gedaagden] zelf zijn. In ieder geval heeft [eiser sub 1] nimmer een kopie ontvangen van het formulier zoals dat door [gedaagden sub 5] aan de Belastingdienst is verstuurd, aldus nog steeds [eisers]

4.17. De rechtbank overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de als productie 18 bij dagvaar¬ding overgelegde formulieren "Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende" niet compleet zijn en niet de formulieren betreffen die bij de Belastingdienst zijn ingediend.

Uit de overige als productie 18 bij dagvaarding overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de Belastingdienst bij brief van 28 januari 1997 aan [gedaagde sub 1] schriftelijke vragen heeft gesteld in het kader van de emigratie van [eiser sub 1] en zijn echtgenote. In dat verband heeft [gedaagden sub 5] de bij die brief gevoegde formulieren "Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende" gedeeltelijk ingevuld en bij brief van 17 februari 1997 aan [persoon 1] toegestuurd met het verzoek de daarin niet beant¬woorde vragen in te vullen. In laatstgenoemde brief is, voor zover hier van belang, het volgende aangegeven:

"2. Ik zou U willen vragen […] voor [eiser sub 1] in te vullen. […] Bij vraag 6h heb ik vooralsnog aangegeven dat [eiser sub 1] naast inkomsten uit arbeid alleen inkomsten uit vermogen geniet (in ieder geval het huurwaardeforfait voor zijn eigen woning in Nederland).

[…]

Zou U de openstaande vragen willen beantwoorden en de machtigingen ingevuld terug willen sturen? Ik zal zorgdragen voor de ondertekening door [eiser sub 1] en [persoon 3] en de stukken aan de belastingdienst opsturen."

Volgens de [gedaagden] zijn in afwijking hiervan de betref¬fen¬de formulieren door [persoon 1], in overleg met [eiser sub 1] en zijn echtgenote, ingevuld en rechtstreeks aan de Belastingdienst gestuurd. [eisers] hebben die stelling gemotiveerd betwist. Gelet hierop en in aanmerking nemende de hiervoor (cursief) weergegeven passage uit de brief d.d. 17 februari 1997 waarin [gedaagden sub 5] heeft aangegeven de stukken naar de Belastingdienst te zullen sturen, is onduidelijk of [eisers] beschikken over (een kopie van) het complete formulier zoals dat bij de Belastingdienst is ingediend. Anders dan hiervoor (zie 4.13) werd overwogen, is hier de omstandigheid dat [eisers] het stuk niet hebben niet doorslag¬gevend; dat het bestaat is immers, gelet op de vaststaande omstandigheden als hiervoor genoemd en de reactie van de Belastingdienst, (vrijwel) zeker. In voorkomend geval zal

[eiser sub 1], die daartoe – waarschijnlijk als enige – gerechtigd is, dit stuk ook bij de Belastingdienst kunnen opvragen. Mede in aanmerking nemend echter dat dit stuk thans bij de Belastingdienst opgevraagd zou moeten worden, hetgeen, gelet op de ouderdom, voorzienbaar tot zeer aanzienlijke vertraging zal leiden, acht de rechtbank thans toewijzing op dit punt niet aan de orde, nu op dit moment moet worden aangenomen dat ook getuigen¬verhoren omtrent hetgeen terzake het formulier "Opgaaf Informatie emigratie belang¬hebbende" is voorgevallen dezelfde informatie zouden kunnen opleveren.

4.18. Het vorenstaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het sub 2.1.B gevorderde niet toewijsbaar.

C) Kopieën van alle bescheiden met informatie (correspondentie daaronder begrepen) over de emigratie van [eiser sub 1] en zijn echtgenote die door [persoon 1] in het kader van het woonplaatsonderzoek aan de Belastingdienst zijn verstrekt

4.19. De [gedaagden] hebben gesteld dat [gedaagde sub 4] van [persoon 1] heeft vernomen dat laatstgenoemde een ordner met bescheiden in het kader van het woonplaatsonderzoek aan de Belasting¬dienst heeft verstrekt. Deze informatie is voor de Belastingdienst (mede) bepalend geweest voor zijn conclusie dat [eiser sub 1] en zijn echtgenote feitelijk niet geëmigreerd waren. Aangezien [eisers] zich op het standpunt hebben gesteld dat de (fiscale accep¬tatie van de) emigratie van [eiser sub 1] door toedoen van de [gedaagden] mislukt is, is het van belang dat deze informatie, waarmee de [gedaagden] niet bekend zijn, wordt overgelegd, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.20. Volgens [eisers] bestaat een dergelijke ordner met informatie niet zodat daarin geen inzage kan worden verschaft. Voorts is aan het vereiste van "bepaalde bescheiden" niet voldaan. Het sub 2.1.C gevorderde ziet immers op niet nader omschreven, geduide of gespe¬ci¬¬ficeerde documenten waarvan het bestaan slechts wordt vermoed. Voorts hebben de [gedaagden] geen belang bij het sub 2.1.C gevorderde, aldus nog steeds [eisers]

4.21. Naar het oordeel van de rechtbank is het sub 2.1.C gevorderde erg ruim omschreven, zo ruim dat niet gezegd kan worden dat de stukken voldoende bepaald zijn. De gevorderde stukken zijn immers niet zodanig concreet omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en getoetst kan worden of het gaat om bescheiden die relevant kunnen zijn voor het geschil in de hoofdzaak. Reeds hierom acht de rechtbank het sub 2.1.C gevorderde niet toewijsbaar.

D) Kopieën van de notulen van de vergadering van Commissarissen en Directie van [bedrijf 1] waarin is vastgelegd dat gesproken is over de emigratie van [eiser sub 1]

4.22. De [gedaagden] stellen dat dit onderdeel van de vordering ziet op de overlegging van één bepaald document (notulen) dat in de emigratieperiode (eind december 1996 tot en met maart 1998) is opgesteld en betrekking heeft op de emigratie van [eiser sub 1] Derhalve is aan het vereiste van "bepaalde bescheiden" voldaan, aldus de [gedaagden]

Volgens de [gedaagden] zien de gevorderde notulen op een rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn en hebben zij belang bij overlegging daarvan. Hiertoe hebben zij het volgende gesteld. Aan de vordering in de hoofdzaak ligt onder meer het mislukken van de emigratie van [eiser sub 1] ten grondslag hetgeen volgens [eisers] aan de [gedaagden] is te wijten. Gebleken is dat [eiser sub 1] in de periode van de emigratie zeer veel gecombi¬neerde vergaderingen van de raad van commissarissen en de directie van [bedrijf 1] in Nederland heeft bijgewoond. Eén van de leden van de raad van commissarissen heeft aan de [gedaagden] meegedeeld dat er tijdens ten minste één van die vergaderingen door de aanwezigen zorgen zijn uitgesproken over de emigratie omdat [eiser sub 1] regelmatig in Nederland verkeerde, niet alleen voor een bezoek aan die vergaderingen maar ook voor andere activiteiten.

4.23. [eisers] hebben gemotiveerd aangevoerd dat niet voldaan is aan het vereiste van "bepaalde bescheiden" en dat de gevorderde bescheiden geen betrekking hebben op een voor de hoofdzaak relevante rechts¬betrekking waarbij de [gedaagden] partij zijn.

De [gedaagden] weten welke vergaderingen van de raad van commissarissen en het bestuur van [bedrijf 1] door [eiser sub 1] zijn bijgewoond tijdens de relevante periode. Zij hebben dan ook geen belang bij de gevorderde stukken. Er bestaan ook geen notulen met de door de [gedaagden] gestelde inhoud, aldus nog steeds [eisers]

4.24. De rechtbank acht de gevorderde bescheiden voldoende bepaald. De stukken die worden gevorderd zijn immers zodanig concreet omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld. Het gaat om bepaalde documenten (notulen) die in de periode eind december 1996 tot en met maart 1998 zijn opgesteld en betrekking hebben op de emigratie van [eiser sub 1]

4.25. De rechtbank acht in dit geval van belang dat in de hoofdzaak [eisers] een zeer substantiële schadevergoeding van de [gedaagden] vorderen op grond van wanpres¬tatie. Nu de door [eisers] geuite verwijten aan het adres van de [gedaagden] met name zien op de mislukte emigratie van [eiser sub 1] en de [gedaagden] zulks betwisten, lijken de notulen van de vergaderingen waar de betreffende emigratie aan de orde is geweest voorshands rechtstreeks van belang te kunnen zijn voor de beoordeling van de vordering in de hoofdzaak en van het verweer daartegen. In zoverre acht de rechtbank dan ook voldoende rechtmatig belang aanwezig. Vanzelfsprekend kan in dit stadium niet verder vooruitgelopen worden op de uit die stukken mogelijk te trekken conclusies.

4.26. De rechtbank verwerpt het verweer van [eisers] dat de sub 2.1.D gevorder¬de bescheiden niet zien op een rechtsbetrekking waarbij de [gedaagden] partij zijn. Dit verweer is gestoeld op de restrictieve uitleg van het bepaalde in artikel 843a Rv, in die zin dat het zou gaan om bescheiden waarbij de [gedaagden] en de houder van de bescheiden zelf beiden rechtstreeks als partij betrokken zijn. Die uitleg volgt de rechtbank niet. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.9 heeft overwogen, moet in ieder geval een rechts¬be¬trek¬¬¬king bestaan tussen de eiser en de houder van de bescheiden. Dat is in casu het geval.

Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat getuigenverhoren (deels) dezelfde informatie zullen opleveren, doch dat is thans hoogst onzeker, met name gelet op het geruime tijds¬verloop (14 tot 12 jaar) sedert de vergadering(en) in kwestie.

4.27. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het sub 2.1.D gevorder¬de toewijsbaar is.

E) Advies van [persoon 2] over de schikkingsonderhandelingen met de Belastingdienst

4.28. De [gedaagden] stellen dat [eiser sub 1] aan [gedaagde sub 4] mondeling heeft medegedeeld dat hij omtrent de door de Belastingdienst aangeboden schikking bij [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) een second opinion heeft gevraagd. Op basis van dat advies heeft [eiser sub 1] besloten geen schikking met de Belastingdienst te treffen. In het kader van de beoordeling van de gestelde tekort¬koming dienen zij inzage in het advies te krijgen.

[persoon 2] is naast hoogleraar belas¬ting¬recht en advocaat ook belastingadviseur. Aangezien het gevorderde advies een belastingadvies betreft is het door [persoon 2] verstrekt in zijn hoedanigheid van belastingadviseur, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.29. [eisers] betwisten hetgeen de [gedaagden] ten grondslag hebben gelegd aan het sub 2.1.E gevorderde advies. [persoon 2] is als advocaat van [eisers] verschoningsgerechtigd en verplicht tot geheimhouding. Reeds daarom verzetten gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv zich tegen toewijzing van het sub 2.1.E gevorderde, aldus nog steeds [eisers]

4.30. De rechtbank overweegt het volgende.

Veronderstellenderwijs aannemende dat het gevorderde advies voldoet aan de in artikel 843a lid 1 Rv voor afgifte daarvan gestelde vereisten, is de vraag die vervolgens voorligt of gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv zich hiertegen verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.31. Artikel 165 lid 1 Rv stelt de getuigplicht van een ieder voorop. Op deze plicht kent het tweede lid een uitzondering toe aan twee categorieën van personen, waarvan de onder b genoemde categorie in deze zaak van belang is, te weten zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Voor het aannemen van een verschoningsrecht als bedoeld in dit artikel is het bestaan van een geheimhoudingsplicht voorwaarde. Dit zogeheten functionele verscho¬nings¬recht is in beginsel door de Hoge Raad aan de arts, de geestelijke, de advocaat en de notaris toegekend; genoemde beroepsbeoefenaren vormen een beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhou¬ding van al hetgeen hun in hun hoeda¬nig¬heid wordt toevertrouwd, en aan wie in verband daarmede tevens het recht toekomt zich te dien aanzien ook ten overstaan van de rechter van het afleggen van getuigenis te verscho¬nen. Grondslag voor dit verschoningsrecht is het in Nederland geldende algemene rechts¬beginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwens¬personen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit rechtsbeginsel dat, nu gevraagd wordt om overlegging van een door een advocaat opgesteld advies, er een gewichtige reden bestaat voor de wederpartij om niet aan dit verzoek te voldoen.

4.32. Partijen zijn het erover eens dat [persoon 2] advocaat is en gespecialiseerd is in het belastingrecht. [eisers] hebben gesteld dat [persoon 2] hun advocaat was en in die hoedanigheid een groot aantal adviezen aan hen heeft verstrekt. Tegenover deze stelling hebben de [gedaagden] enkel gesteld dat vanwege het feit dat het een belastingadvies betreft het gevorderde advies door [persoon 2] in de hoedanigheid van belastingadviseur is verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank konden de [gedaagden] hiermee niet volstaan. Het enkele feit dat het aan [eiser sub 1] uitgebrachte advies betrekking heeft op een fiscale kwestie betekent niet dat dit advies door [persoon 2] uitsluitend in zijn hoedanigheid van belastingadviseur en derhalve niet (ook) in zijn hoedanigheid van advocaat kan zijn verstrekt. Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon 2] de advocaat is van [eisers] en hen met betrekking tot de belastingkwestie geadviseerd heeft en in de cassatieprocedure heeft bijgestaan. Het gekunstelde onderscheid dat de [gedaagden] willen aanbrengen tussen die hoedanigheid en de hoedanigheid van belastingadviseur doet geen recht aan de positie van de advocaat als vertrouwenspersoon. Gelet hierop moet het advies worden geacht te zijn uitgebracht in zijn hoedanigheid van advocaat.

4.33. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het sub 2.1.E gevorderde niet toewijsbaar is.

F) De aanslagregeling (inclusief daarop betrekking hebbende correspondentie door of namens [eiser sub 1] en de Belastingdienst) van de inkomstenbelasting over de belasting¬jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s en overige correspondentie door of namens [eiser sub 1] met de Belastingdienst

4.34. De [gedaagden] stellen dat in de hoofdzaak [eisers] vergoeding vorderen van aanzienlijke, onwaarschijnlijk hoge, bedragen die volgens [eisers] betrekking hebben op door hen betaalde belasting en heffings- en invorderingsrente. Gelet hierop hebben de [gedaagden] recht op en belang bij overlegging van, althans inzage in, alle aanslagen en rentenota’s van de belastingdienst waarop die betalingen zijn gebaseerd alsmede de daarop betrekking hebbende correspondentie met de belastingdienst. Indien nodig kunnen [eisers] deze bescheiden vorderen van derden, waaronder [persoon 2] en de belastingdienst, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.35. Volgens [eisers] is niet voldaan aan de vereiste bepaaldheid van de gevor¬der¬de bescheiden en het vereiste belang daarbij. Er bestaan immers niet meer bescheiden dan die welke de [gedaagden] reeds in hun bezit hebben. Aangezien de [gedaagden] voorheen zelf belas¬ting¬advi¬seurs van [eisers] zijn geweest, behoren zij zelf te beschikken over (de meer¬derheid van) de door hen gewenste stukken. Bescheiden van hetgeen heeft plaatsge¬vonden tussen de Belastingdienst en de huidige advocaten van

[eisers] kunnen niet worden gevorderd omdat alleen de advocaten [persoon 2] en [persoon 4] daarbij betrokken zijn geweest. Beiden zijn gebonden aan een geheimhoudings¬plicht die hen verplicht zich op hun verschoningsrecht te beroepen, aldus nog steeds

[eisers]

4.36. De rechtbank acht de gevorderde belastingaanslagen van de inkomstenbelasting over de jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s voldoende bepaald. De stukken zijn immers zodanig concreet omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld. Het gaat om bepaalde documenten (belastingaanslagen en daarop gebaseerde rentenota’s) die voor de jaren 1996 tot en met 1999 zijn opgesteld en betrekking hebben op de inkomstenbelasting van [eiser sub 1]

Aangezien in de hoofdzaak [eisers] een substantieel bedrag aan schade vorderen in verband met door hen betaalde belastingaanslagen en rentes, hebben de [gedaagden] recht en belang bij overlegging van de bescheiden waarop de hoogte van die vordering is gebaseerd. Het is aan [eisers] om hun vordering te specificeren. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de vraag of de [gedaagden] al dan niet zelf over de belastingaanslagen en rentenota’s behoren te beschikken. Dat zij daarover daadwerkelijk beschikken is onvol¬doen¬de aannemelijk.

4.37. Ten aanzien van de gevorderde correspondentie over de belastingaanslagen over de jaren 1996 tot en met 1999 en overige correspondentie door of namens [eiser sub 1] met de Belastingdienst gevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving van die stukken zo ruim is dat die stukken niet voldoende bepaald zijn.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.31 is overwogen, gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv zich verzetten tegen toewijzing van de gevorderde correspondentie voor zover die tussen de Belasting¬dienst en de huidige advocaten van [eisers] (mrs. [persoon 2] en [persoon 4]) is gevoerd.

4.38. Gelet op het vorenstaande is het sub 2.1.F. gevorderde toewijsbaar doch alleen voor zover die vordering ziet op de belastingaanslagen terzake de inkomstenbelasting over de jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s.

G) De aanslagregeling (inclusief daarop betrekking hebbende correspondentie door of namens [eisers sub 2, 3 en 4] en de Belastingdienst) van de aanslag schen¬kings¬recht 2002 en de daaropvolgende rentenota’s en overige correspondentie door of namens [eisers sub 2, 3 en 4] met de Belastingdienst

4.39. De [gedaagden] hebben ter onderbouwing van dit onderdeel van hun vordering verwezen naar hetgeen zij ten grondslag hebben gelegd aan het sub 2.1.F gevorderde en aangegeven dat het hier dezelfde gegevens betreft maar dan met betrekking tot de gevorderde bedragen aan belastingschulden door [eisers sub 2, 3 en 4].

[eisers] hebben verwezen naar het verweer zoals zij dat met betrekking tot het sub 2.1.F gevorderde hebben gevoerd.

4.40. De rechtbank acht de gevorderde belastingaanslag van de aanslag schen¬kings¬recht 2002 en de daaropvolgende rentenota’s voldoende bepaald. De stukken zijn immers zodanig concreet omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld. Het gaat om bepaalde docu¬men¬¬¬¬ten (een belastingaanslag en daarop gebaseerde rentenota’s) die in verband met het belasting¬jaar 2002 zijn opgesteld en betrekking hebben op het schenkingsrecht.

Voor wat betreft het vereiste belang bij overlegging van deze stukken geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor onder 4.36 is overwogen met betrekking tot de gevorderde belasting¬aanslagen van de inkomstenbelasting over de jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s. Aan het vereiste belang is derhalve voldaan.

4.41. Ten aanzien van de gevorderde correspondentie omtrent de aanslag schenkings¬recht 2002 en overige door of namens [eisers sub 2, 3 en 4] met de Belastingdienst gevoerde correspondentie, is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving van die stukken dermate ruim is dat ernstig betwijfeld kan worden of de stukken wel voldoende bepaald zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.31 is overwogen, gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv zich verzetten tegen toewijzing van de gevorderde correspondentie voor zover die tussen de Belasting¬dienst en de huidige advocaten van [eisers] (mrs. [persoon 2] en [persoon 4]) is gevoerd.

4.42. Gelet op het vorenstaande is het sub 2.1.G gevorderde toewijsbaar doch alleen voor zover die vordering ziet op de aanslag schenkingsrecht 2002 en de daarop volgende rentenota’s.

H) Het volledige document waarvan productie 5a in de hoofdzaak een onderdeel uitmaakt

4.43. Volgens de [gedaagden] hebben [eisers] met de Belastingdienst een schikking getroffen over een groot aantal geschillen. De [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat bij gebrek aan nadere informatie over de details van de vast¬stel¬lings¬overeen¬komst er vermoedelijk een uitruil heeft plaatsgevonden tussen het onderhavige geschil en de overige geschillen met de Belastingdienst. Opvallend is dat de belasting¬schulden die in de hoofdzaak als schade worden gevorderd, volledig in stand zijn gebleven terwijl er diverse tegemoetkomingen zijn afgesproken met betrekking tot de belastingschulden van (onder¬delen van) het [Concern]. De ten onrechte overge¬hevelde voordelen aan andere geschillen met de Belastingdienst dienen in mindering te worden gebracht op de vordering in de hoofdzaak. Om dit te kunnen beoordelen dient alle door of namens [eisers] met de Belastingdienst gevoerde correspondentie te worden overgelegd die geleid heeft tot het volledige document waarvan de vaststel¬lings¬over¬een¬komst onderdeel uitmaakt.

De door [eisers] ter beschikking gestelde kopie van het document "Vaststellingsovereenkomst" dat als productie 5a is overgelegd, betreft slechts een deel van een groter document. Uit (de linkerrand van) die kopie blijkt dat de vaststellingsovereen¬komst ingebonden is geweest. Het vermoeden is dan ook gewettigd dat de vaststellings¬overeen¬komst onderdeel uitmaakt van een cluster van afspraken met de Belastingdienst, aldus nog steeds de [gedaagden]

4.44. Volgens [eisers] is productie 5a een geheel op zichzelf staand document. Het betreft een zelfstandige vaststellingsovereenkomst die geen bijlagen kent en geen onderdeel is van welk ander document dan ook. Van een niet bestaand (onbepaald) document kan geen kopie worden overgelegd, aldus [eisers]

4.45. Naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk of productie 5a, zoals overgelegd bij conclusie van antwoord tevens inhoudende een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv, deel is van een groter document. Hetgeen de [gedaagden] in dat verband gesteld hebben is niet voldoende. Een enkel vermoeden is onvoldoende en kan voorts niet ontleend worden aan (de linkerrand van) productie 5a. Voorts bevat de tekst van het als productie 5a overgelegde document geen aanwijzingen dat dit document onderdeel is van een groter document. Verder is aannemelijk dat getuigenverhoren omtrent hetgeen terzake de vaststel¬lingsovereenkomst is voorgevallen dezelfde informatie zouden kunnen opleveren.

4.46. Het vorenstaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het sub 2.1.H gevorderde niet toewijsbaar.

I) Alle voorafgaande correspondentie die door of namens [eisers] gevoerd is met de Belastingdienst en die geleid heeft tot het volledige document zoals genoemd onder H en alle interne notities, gesprekverslagen en correspondentie verzonden aan [eisers] die op voormelde onderdelen F, G, H en I betrekking hebben, vanaf de uitspraken van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de fiscale geschillen, 2 november 2004, tot en met de datum van de brief van de Belastingdienst van 22 februari 2007

4.47. De [gedaagden] hebben ter onderbouwing van dit onderdeel van hun vordering verwezen naar hetgeen zij ten grondslag hebben gelegd aan het sub 2.1.F tot en met 2.1.H gevorderde. [eisers] hebben verwezen naar het verweer dat zij dienaangaande hebben gevoerd en gesteld dat het sub 2.1.I gevorderde wegens gebrek aan bepaaldheid niet voldoet aan artikel 843a lid 1 Rv.

4.48. Nog daargelaten dat, zoals de rechtbank hierboven onder 4.45 heeft overwogen, onduidelijk is of productie 5a deel is van een groter document, is de omschrijving onder 2.1.I zo ruim dat ernstig betwijfeld kan worden of de stukken wel voldoende bepaald zijn; dat punt mist echter belang omdat hier de doorslag geeft dat niet valt in te zien waarom de [gedaagden] belang zouden hebben bij alle stukken die op de onderdelen F, G, H en I betrekking hebben. Dat is ook niet behoorlijk toegelicht.

4.49. Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het sub 2.1.I gevorderde niet toewijsbaar.

Conclusie

4.50. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de [eisers] zullen worden veroordeeld tot:

(i) het verschaffen van afschriften van de notulen van de vergadering van

Commissarissen en Directie van [bedrijf 1] waarin is vastgelegd dat gesproken is over de emigratie van [eiser sub 1];

(ii) het verschaffen van afschriften van belastingaanslagen van de inkomstenbelasting

over de belasting¬jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s;

(iii) het verschaffen van afschriften van de belastingaanslag schen¬kings¬recht 2002 en de

daaropvolgende rentenota’s.

Voor het verschaffen van de sub i, ii en iii genoemde afschriften acht de rechtbank een termijn van 40 werkdagen na betekening van dit vonnis redelijk. De rechtbank matigt de gevorderde dwangsommen tot een bedrag van € 1.000,-- per dag en verbindt daaraan een maximum van € 500.000,--.

4.51. De [gedaagden] zullen de kosten van de afschriften hebben te voldoen. De rechtbank gaat ervan uit, dat [eisers] bij het aanleveren van de afschriften een gespecificeerde nota van die kosten voegt, die de [gedaagden] binnen 30 dagen daarna zullen betalen. Het spreekt daarbij vanzelf dat de in rekening te brengen kosten redelijk dienen te zijn.

4.52. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4.53. Ten overvloede merkt de rechtbank op, dat uit deze beslissing op het incident geen verdere conclusies getrokken dienen te worden omtrent de eventuele toekomstige bewijs¬levering in de hoofdzaak en de in dat kader door (één van) partijen te produceren bewijsstukken.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. Nu in de hoofdzaak door de [gedaagden] voor antwoord is geconcludeerd komt het de rechtbank, mede tegen de achtergrond van het incident, raadzaam voor een regiecomparitie na antwoord te bevelen teneinde inlichtingen over de zaak te vragen en te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden en met hen te overleggen over de voortgang van de procedure.

5.2. Ter comparitie zullen in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde zijn:

-tussen welke partijen is ter zake de bij dagvaarding gestelde belastingadviezen een (opdracht)overeenkomst gesloten;

-wat is in het kader van de emigratie van [eiser sub 1] concreet afgesproken over de begeleiding en de uitvoering daarvan;

-eventueel in te winnen deskundigenberichten over de advisering omtrent de (uitgifte en ruil van de) winstbewijzen en over de begeleiding en uitvoering van de geadviseerde emigratie;

-de vraag of uit proceseconomische overwegingen afspraken te maken zijn over de voortgang van de procedure, bijvoorbeeld in die zin dat begonnen wordt met (bewijs¬levering omtrent) de gestelde tekortkomingen, en dat het debat over de omvang van de schade voorlopig wordt geparkeerd;

- de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de maatschap [gedaagde sub 1].

5.3. In het kader van de vaststelling van de feiten dienen partijen de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk vier weken – de rechtbank wijkt in verband met de omvang van de zaak hier af van de gebruikelijke twee weken – tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

5.4. Bij wijze van uitzondering wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de standpunten van partijen kort nader toe te lichten, desgewenst in de vorm van een pleidooi, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie (maximaal twintig minuten per partij).

De rechtbank gaat er echter voorshands van uit dat re- en dupliek zullen volgen, tenzij ter zitting duidelijk wordt dat daaraan geen behoefte bestaat. De nadruk zal niet zozeer liggen op een inhoudelijke bespreking van alle merites van de zaak, maar vooral op een inventari¬satie van de belangrijkste geschilpunten en de procedureel meest aangewe¬zen weg om daarmee om te gaan. In dat kader zal ook worden bezien of er ruimte bestaat om – wellicht op onderdelen – tot een schikking te komen.

5.5. De comparitie wordt op langere termijn gepland om de [gedaagden] in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de bescheiden. Indien dit tot nieuwe inzichten leidt, stelt de rechtbank schriftelijke uitwerking daarvan (bij brief vier weken vóór de zitting) op prijs, evenals op een eventuele reactie van de wederpartij (twee weken vóór de zitting).

5.6. Elke verdere beslissing wordt in dit stadium aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

in het incident ex art. 843a Rv

veroordeelt [eisers] om, binnen 40 werkdagen na betekening van het onderhavige vonnis, de navolgende bescheiden in kopie aan de [gedaagden] te overleggen, althans de [gedaagden] daarin inzage te verstrekken:

(i) de notulen van de vergadering van Commissarissen en Directie van [bedrijf 1] waarin is vastgelegd dat gesproken is over de emigratie van [eiser sub 1];

(ii) belastingaanslagen van de inkomstenbelasting over de belasting¬jaren 1996 tot en met 1999 van [eiser sub 1] en de daaropvolgende rentenota’s;

(iii) de belastingaanslag schen¬kings¬recht 2002 en de daaropvolgende rentenota’s;

veroordeelt de [gedaagden] om op deugdelijke opgave van [eisers] de kosten van deze afschriften binnen 30 dagen na die opgave te voldoen;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat [eisers] aan de [gedaagden] vanaf 40 werkdagen na betekening van het onderhavige vonnis een dwangsom verbeuren voor iedere dag – een gedeelte van een dag voor een hele dag te rekenen – dat [eisers] nalaten aan de hiervoor gegeven veroorde¬ling gevolg te geven, ter hoogte van € 1.000,-- per dag met een maximum van

€ 500.000,-- in totaal;

wijst af het meer of anders gevorderde;

reserveert de kosten tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

beveelt partijen, in persoon voor zover zij natuurlijke personen zijn, deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is voor zover zij rechts¬personen zijn, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, op donderdag 21 april 2011 van 09.30 u tot 11.30 uur teneinde als onder 5.1 tot en met 5.5 voormeld;

bepaalt dat bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk vier weken vóór de zitting, de sub 5.5 bedoelde reactie uiterlijk twee weken vóór de zitting, aan de rechter (sector civiel recht, afdeling plannings¬admini¬stratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.?