Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO6781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/4119
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker wordt ervan verdacht in zijn functie van politieagent een burger wederrechtelijk van zijn vrijheid te hebben beroofd en zijn dienstpistool op die burger te hebben gericht zonder dat daartoe een aanleiding bestond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigen de aard en ernst van deze verdenking, mede gelet op de onrust die deze verdenking - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - in zowel de samenleving als bij het politiekorps teweeg heeft gebracht, het besluit van verweerder om verzoeker in zijn ambt te schorsen. Hoewel verzoeker stelt dat hij uit zelfverdediging zijn dienstpistool heeft getrokken, staat vast dat hij van het trekken van zijn dienstpistool geen melding heeft gemaakt en dat hij bijna een jaarlang hierover heeft gezwegen totdat een collega van hem over het incident is gaan praten. Daarmee heeft verzoeker op ernstige wijze het vertrouwen geschaad dat, zeker wanneer het gaat om de toepassing van geweldsmiddelen, in een politieambtenaar moet kunnen worden gesteld. Ondanks de diffamerende werking die het schorsingsbesluit heeft, heeft verweerder op grond van het vorenstaande in redelijkheid tot dit besluit kunnen overgaan. Bij besluit van 3 augustus 2010 is verzoeker op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp in het belang van de dienst geschorst. Nadien is tegen verzoeker strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf ingesteld, zodat verweerder bevoegd was de grondslag van de schorsing te wijzigen in artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp. Voor zover verzoeker stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de grondslag van zijn schorsing niet zou worden gewijzigd, dan acht de voorzieningenrechter die stelling onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken van bijvoorbeeld een daartoe strekkende toezegging van de zijde van verweerder. Zo al verweerder de grondslag van de schorsing enkel heeft gewijzigd om de bezoldiging van verzoeker in te kunnen houden, dan staat dat niet aan een toepassing van deze bevoegdheid in de weg. Met de inhouding van de bezoldiging kan verweerder immers juist uitdrukking geven aan de aard en ernst van de verdenking waarvoor verzoeker strafrechtelijk wordt vervolgd. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dus geen sprake. Gelet op zowel de aard en ernst van de verdenking als de mate waarin verzoeker het in hem te stellen vertrouwen heeft geschaad, acht de voorzieningenrechter de financiële gevolgen die het inhoudingsbesluit voor verzoeker heeft niet onevenredig. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 10/4119

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[…], wonende te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde mr. S.M. ten Seldam,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, verweerder,

gemachtigde mr. R. Konijnendijk.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1 Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft verweerder verzoeker geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Bij datzelfde besluit heeft verweerder besloten op grond van artikel 85, eerste lid, van het Barp de bezoldiging van verzoeker in te houden, de eerste zes weken voor een derde gedeelte, daarna voor het volle bedrag.

2 Tegen deze besluiten heeft verzoeker bij brief van 14 oktober 2010 bezwaar gemaakt.

3 Voorts heeft verzoeker bij brief van 14 oktober 2010 de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de bestreden besluiten worden geschorst totdat de beslissing op bezwaar is genomen.

4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2010. Aanwezig was verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder was tevens aanwezig

G.J.E. Graumans, districtschef Rotterdam-Noord.

2 Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

1.2 Ingevolge artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst, wanneer een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld.

1.3 Ingevolge artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag het belang van de dienst dit vereist.

1.4 Ingevolge artikel 85, eerste lid, van het Barp, voor zover thans van belang, kan tijdens de schorsing de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden en kan na verloop van zes weken een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden.

2 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is sinds 31 december 2004 aangesteld bij het korps Rotterdam-Rijnmond, laatstelijk in de functie van medewerker basispolitiezorg in de rang van hoofdagent.

Op 7 juni 2010 heeft een collega van verzoeker een incident gemeld dat op 28 augustus 2009 zou hebben plaatsgevonden en waarbij verzoeker was betrokken. Na een melding van overlast zou verzoeker met de desbetreffende collega een man naar een afgelegen plek hebben gebracht en vervolgens zou verzoeker met zijn dienstpistool op de man hebben gericht zonder dat daartoe een noodzaak bestond. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld en op grond daarvan besloten tot schorsing van verzoeker in het belang van de dienst, op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp. Daarnaast heeft verweerder verzoeker de toegang tot de dienst ontzegd. Op 24 augustus 2010 is verzoeker aangehouden en in verzekering gesteld. Nadat verzoeker in vrijheid was gesteld heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 85, eerste lid, van het Barp.

Ten aanzien van het schorsingsbesluit

3.1 Verzoeker stelt dat het schorsingsbesluit diffamerend werkt en dat hij om die reden onevenredig hard door dit besluit wordt getroffen. Daarnaast is volgens verzoeker het schorsingbesluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

3.2 Verzoeker wordt ervan verdacht in zijn functie van politieagent een burger wederrechtelijk van zijn vrijheid te hebben beroofd en zijn dienstpistool op die burger te hebben gericht zonder dat daartoe een aanleiding bestond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigen de aard en ernst van deze verdenking, mede gelet op de onrust die deze verdenking - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - in zowel de samenleving als bij het politiekorps teweeg heeft gebracht, het besluit van verweerder om verzoeker in zijn ambt te schorsen. Dat verweerder er welbewust voor heeft gekozen om deze verdenking naar buiten te brengen valt vanuit het oogpunt van transparantie goed te begrijpen. Dat verzoeker daardoor op onnodige wijze in zijn belangen is geschaad, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Hoewel verzoeker stelt dat hij uit zelfverdediging zijn dienstpistool heeft getrokken, staat vast dat hij van het trekken van zijn dienstpistool geen melding heeft gemaakt en dat hij bijna een jaarlang hierover heeft gezwegen totdat een collega van hem over het incident is gaan praten. Daarmee heeft verzoeker op ernstige wijze het vertrouwen geschaad dat, zeker wanneer het gaat om de toepassing van geweldsmiddelen, in een politieambtenaar moet kunnen worden gesteld. Ondanks de diffamerende werking die het schorsingsbesluit heeft, heeft verweerder op grond van het vorenstaande in redelijkheid tot dit besluit kunnen overgaan.

3.3 Verzoeker heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en in dat kader gewezen op het optreden van een politieambtenaar ten tijde van de rellen in Hoek van Holland. Niet gebleken is echter dat ook die ambtenaar verdacht werd van een strafbaar feit. Reeds hierom kan niet worden gesproken van gelijke gevallen.

3.4 Op grond van het vorenstaande kan het schorsingsbesluit als kennelijk rechtmatig worden aangemerkt.

Ten aanzien van het besluit tot inhouding van de bezoldiging

4.1 Verzoeker betoogt dat verweerder met het inhoudingsbesluit in strijd met het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daarnaast is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu het op enkel een verdenking is gebaseerd en de financiële gevolgen van het besluit groot zijn, aldus verzoeker.

4.2 Bij besluit van 3 augustus 2010 is verzoeker op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp in het belang van de dienst geschorst. Nadien is tegen verzoeker strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf ingesteld, zodat verweerder bevoegd was de grondslag van de schorsing te wijzigen in artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp. Voor zover verzoeker stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat de grondslag van zijn schorsing niet zou worden gewijzigd, dan acht de voorzieningenrechter die stelling onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken van bijvoorbeeld een daartoe strekkende toezegging van de zijde van verweerder. Zo al verweerder de grondslag van de schorsing enkel heeft gewijzigd om de bezoldiging van verzoeker in te kunnen houden, dan staat dat niet aan een toepassing van deze bevoegdheid in de weg. Met de inhouding van de bezoldiging kan verweerder immers juist uitdrukking geven aan de aard en ernst van de verdenking waarvoor verzoeker strafrechtelijk wordt vervolgd. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dus geen sprake.

4.3 Gelet op zowel de aard en ernst van de verdenking als de mate waarin verzoeker het in hem te stellen vertrouwen heeft geschaad, acht de voorzieningenrechter de financiële gevolgen die het inhoudingsbesluit voor verzoeker heeft niet onevenredig. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft gezegd de wettelijke beslistermijn in acht te zullen nemen, hetgeen inhoudt dat verweerder uiterlijk

6 januari 2011 een beslissing op het bezwaar van verzoeker zal nemen. Niet is gebleken dat verzoeker de periode tot die datum financieel niet kan overbruggen anders dan door het verkopen van zijn huis.

4.4 De verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

13 november 2003 (LJN AN8673) treft geen doel. Naast de omstandigheid dat het in die zaak om een verdenking van het plegen van een vermogensdelict ging, kan uit de uitspraak niet worden afgeleid dat een algehele inhouding van de bezoldiging de rechterlijke toets niet zou hebben doorstaan.

4.5 Verzoeker heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en in dat kader verwezen naar verschillende collega’s die eveneens werden verdacht van het plegen van een strafbaar feit, maar van wie de bezoldiging niet (geheel) is ingehouden. Dat beroep slaagt echter niet, nu verzoeker die gevallen onvoldoende heeft geconcretiseerd om te kunnen beoordelen of sprake is van gelijke gevallen.

4.6 Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt evenmin. Uit het inhoudingsbesluit kan worden afgeleid dat verweerder de financiële gevolgen die het besluit voor verzoeker heeft op genoegzame wijze in de belangenafweging heeft betrokken. Dat het besluit tot algehele inhouding van de bezoldiging eerst na zes weken in werking treedt, maakt dat niet anders. Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kunnen verweerder immers nopen om het besluit tot algehele inhouding van de bezoldiging in te trekken of te herzien. Van dergelijke feiten of omstandigheden is echter tot aan de sluiting van het onderzoek niet gebleken.

4.7 Op grond van het vorenstaande kan ook het inhoudingsbesluit als kennelijk rechtmatig worden aangemerkt.

Ten aanzien van beide besluiten

5 Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar de bestreden besluiten naar verwachting in stand zullen blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 25 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: